S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

franÁais

Feiten en cijfers 

 

  Hoeveel mensen  lopen gevaar in armoede te geraken ?

Laatste aanpassing : 01/03/2016.
Deze aanpassing betreft enkel de indicatoren 'ernstige materiŽle deprivatie' en 'subjectieve armoede' en de tabellen 1c en 1p.


Binnen het Europese beleid worden volgende 3 indicatoren naar voren geschoven om armoede te meten: 1) armoederisico op basis van inkomen, 2) ernstige materiŽle deprivatie en 3) huishoudens met zeer lage werkintensiteit. Deze indicatoren zijn gebaseerd op verschillende kenmerken van armoede en sociale uitsluiting.  De drie indicatoren samen vormen de Europese armoede-indicator 'risico op armoede of sociale uitsluiting'.

Volgens de EU-SILC 2014 enquÍte, behoort 15,5 % van de Belgische bevolking tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen, 5,9 % van de bevolking leeft in ernstige materiŽle deprivatie (5,8% volgens de voorlopige resultaten van EU-SILC 2015) en 14,6 % van de Belgische bevolking jonger dan 60 jaar leeft in een huishouden met een zeer lage werkintensiteit. De waarde van de Europese armoede-indicator 'risico op armoede of sociale uitsluiting' bedraagt in BelgiŽ 21,2 % van de bevolking.

Het subjectief armoederisico is een goede aanvulling op de meer objectieve indicatoren. Volgens de EU-SILC 2014 enquÍte gaven 20,2% van de Belgen aan moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen (20,4% volgens de voorlopige resultaten van EU-SILC 2015).


Toelichting:

De cijfers die op nationaal en Europees niveau gebruikt worden om armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen, zijn afkomstig van de EU-SILC enquÍte ('European Union Ė Statistics on Income and Living Conditions' of 'Statistiek naar Inkomens en Levensomstandigheden'). Deze enquÍte wordt in BelgiŽ georganiseerd door de Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie van de F.O.D. Economie, KMO, Middenstand en Energie. Jaarlijks worden ongeveer 6.000 gezinnen (11.000 personen) bevraagd. Een aantal groepen (mensen in onwettig verblijf, dak- en thuislozen, collectieve huishoudens,...) worden niet bevraagd omdat ze ontbreken in het rijksregister van de natuurlijke personen. Om deze leemte op te vullen, werd in 2010 een enquÍte over inkomens en leefomstandigheden van dak- en thuislozen en mensen in onwettig verblijf georganiseerd om te onderzoeken of het in de toekomst mogelijk zou zijn om deze groepen op te nemen in de enquÍtes over armoede (onderzoek uitgevoerd door het HIVA (KU Leuven), op vraag van het Steunpunt, met financiering van het Federaal Wetenschapsbeleid).

De resultaten voor de EU-SILC 2014 enquÍte zijn de meest recente resultaten voor armoede, met gegevens over inkomens en lage werkintensiteit van het voorgaande jaar (2013); voorlopige gegevens over ernstige materiŽle deprivatie en subjectieve armoede betreffen het onderzoeksjaar (2015) en zijn afkomstig van EU-SILC 2015. Voor EU-SILC 2014 werden door Eurostat en de Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium enkel de cijfers voor BelgiŽ vrijgegeven. Deze maatregel blijft van kracht tot de hervorming van de enquÍte (Ī 2018).

Hieronder volgen de armoedepercentages volgens de drie indicatoren:  (1) monetaire armoede, (2) ernstige materiŽle deprivatie en (3) zeer lage werkintensiteit. De drie indicatoren samen vormen de Europese armoede-indicator (4). Ten slotte volgt de indicator subjectieve armoede (5).


1. Monetaire armoede

In 2013 behoort 15,5 % van de Belgische bevolking tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen.

De maatstaf die wordt gehanteerd voor monetaire armoede is de grens van 60% van het mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een woning in eigendom. Personen met een inkomen dat zich beneden deze inkomensgrens situeert, worden geconfronteerd met een armoederisico. (bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: Armoederisico en Glossarium EU-SILC). Volgens de gegevens van EU-SILC 2014 behoorde 15,5 % van de Belgische bevolking tot de groep met een armoederisico. Dit betekent concreet dat 15,5 % van de bevolking leeft in een huishouden dat niet beschikt over een inkomen afgerond 13.023 Ä netto per jaar of afgerond 1.085 Ä netto per maand voor een alleenstaande en van 27.348 Ä netto per jaar of afgerond 2.279 Ä netto per maand voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen (jonger dan 14 jaar). (bron: FOD Economie Ė Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2014).

Tabel 1a: Evolutie van de armoedegrens (60 % van het mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau), BelgiŽ, SILC 2009-2014

 

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

Alleenstaande

Ä 11.588

Ä 11.678

Ä 12.005

Ä 12.168

Ä 12.890

Ä 13.023

2 Volwassenen+2 kinderen

 Ä 24.334

Ä 24.525

Ä 25.210

Ä 25.553

Ä 27.068

Ä 27.348

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014
 

Tabel 1b geeft het armoederisicopercentage in BelgiŽ weer van de laatste zes jaren. Het armoederisico blijft rond 15% schommelen.  

Het verschil in armoederisico tussen vrouwen en mannen is afgenomen en is klein in 2013: nl. 15,9 % tegenover 15,0 %. Hierbij moet evenwel voor ogen worden gehouden dat dit verschil enkel gebaseerd is op het verschil tussen alleenstaande vrouwen en alleenstaande mannen.  De methodologie impliceert immers dat beide partners die als koppel samenleven, altijd hetzelfde armoederisico hebben.

Tabel 1b: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent netto beschikbaar inkomen lager dan 60 % van het mediaan netto nationaal equivalent inkomen) naar geslacht, BelgiŽ, SILC 2009-2014

 

SILC 2009
(inkomen 2008)

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

SILC 2012
(inkomen 2011)

SILC 2013
(inkomen 2012)

SILC 2014
(inkomen 2013)

Vrouwen

15,7

15,2

16,0

15,9

15,5

15,9

Mannen

13,4

13,9

14,6

14,7

14,6

15,0

Totaal

14,6

14,6

15,3

15,3

15,1

15,5

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014
 

Tabel 1c plaatst het Belgische armoederisicopercentage in een Europees perspectief. De armoederisicopercentages in verschillende Oost- en Centraal-Europese landen (Slowakije, Hongarije, ...) liggen niet beduidend hoger dan in de West- en Noord-Europese landen, terwijl de levensstandaard in die eerste groep landen toch lager ligt. Dat heeft te maken met het feit dat het hier gaat om een relatieve armoedemaat, berekend op basis van het mediaaninkomen in elk land afzonderlijk. Dat gebeurt vanuit de redenering dat een minimaal aanvaardbare levensstandaard - en dus ook de armoederisicodrempel - afhankelijk is van de specifieke sociaaleconomische situatie van het land in kwestie.

Tabel 1c: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent netto beschikbaar inkomen lager dan 60 % van het mediaan netto nationaal equivalent inkomen), Europese lidstaten, SILC 2009-2014

 

SILC 2009
(inkomen 2008)

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

SILC 2012
(inkomen 2011)

SILC 2013
(inkomen 2012)

SILC 2014
(inkomen 2013)

EU-28

-

16,5

16,9

16,8

16,7

17,2

BelgiŽ

14,6

14,6

15,3

15.3

15,1

15,5

Bulgarije

21,8

20,7

22,2

21,2

21,0

21,8

Cyprus

15,8

15,6

14,8

14,7

15,3

14,4

Denemarken

13,1

13,3

13,0

13,1

11,9(b)

12,1

Duitsland

15,5

15,6

15,8

16,1

16,1

16,7

Estland

19,7

15,8

17,5

17,5

18,6

21,8(b)

Finland

13,8

13,1

13,7

13,2

11,8

12,8

Frankrijk

12,9

13,3

14,0

14,1

13,7

13,3

Griekenland

19,7

20,1

21,4

23,1

23,1

22,1

Hongarije

12,4

12,3

14,1

14,0

14,9

14,6

Ierland

15,0

15,2

15,2

15,7

14,1

15,3

ItaliŽ

18,4

18,7

19,8

19,5

19,3

19,4

KroatiŽ

-

20,6(b)

20,9

20,4

19,5

19,4

Letland

26,4

20,9

19,0

19,2

19,4

21,2

Litouwen

20,3

20,5

19,2

18,6

20,6

19,1

Luxemburg

14,9

14,5

13,6

15,1

15,9

16,4

Malta

14,9

15,5

15,6

15,1

15,7

15,9

Nederland

11,1

10,3

11,0

10,1

10,4

11,6

Oostenrijk

14,5

14,7

14,5

14,4

14,4

14,1

Polen

17,1

17,6

17,7

17,1

17,3

17,0

Portugal

17,9

17,9

18,0

17,9

18,7

19,5

RoemeniŽ

22,4

21,1

22,2

22,6

22,4

25,4

SloveniŽ

11,3

12,7

13,6

13,5

14,5

14,5

Slowakije

11,0

12,0

13,0

13,2

12,8

12,6

Spanje

20,4

20,7

20,6

20,8

20,4

22,2

TsjechiŽ

8,6

9,0

9,8

9,6

8,6

9,7

Verenigd Koninkrijk

17,3

17,1

16,2

16,0(b)

15,9

16,8

Zweden

13,3

12,9

14,0

14,1

14,8

15,1

(b): onderbroken reeks
(
p): voorlopig cijfer
- gegevens ontbreken
bron: Eurostat

 

Ook de leeftijd speelt een rol (tabel 1d): er wordt een hoger risico genoteerd bij jongeren (16-24j): 20,4 %. Bij kinderen (0-15j) bedraagt dit cijfer 17,9 %. Wat de gevolgen van armoede voor kinderen en jongeren zijn, werd in detail onderzocht in de EU-SILC enquÍte van 2009 (FOD Economie Ė Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Armoederisico stagneert, maar kinderen in armoede bijzonder kwetsbaar. Persbericht 14 oktober 2011).
Armoede bij ouderen (65+) bedraagt 16,1 %.  Dit cijfer moet weliswaar genuanceerd worden want het houdt geen rekening met het feit bijvoorbeeld of iemand over vermogen beschikt of eigenaar is van een woning (met een reeds afbetaalde hypotheek). Een toelichting hieromtrent, met de verschillende nuances, vindt u in de fiche 'Welke omvang heeft armoede bij ouderen?'

Tabel 1d: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar leeftijd, BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)

 

Armoederisico

Totaal

15,5

0-15

17,9

16-24

20,4

25-49

14,4

50-64

11,8

65 en +

16,1

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


Tabel 1e geeft het armoederisico naar activiteitsstatus weer. Een job blijkt een belangrijke buffer tegen armoede te zijn. Het armoederisico van werkenden (4,8 %) is veel lager dan dat van niet werkenden: werklozen (42,9 %), gepensioneerden (12,9 %) en andere niet-actieven (31,3%). Het armoederisicocijfer voor werkenden onderschat evenwel de niet-geregistreerde arbeid, waar sommigen van de meest kwetsbaren een toevlucht toe zoeken om te overleven.

Tabel 1e: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar meest frequente activiteitsstatus*, BelgiŽ,  SILC 2014 (inkomen 2013)

   

Armoederisico

Werkenden

4,8

Werklozen

42,9

Gepensioneerden

12,9

Andere niet-actieven

31,3

* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium:  EU-SILC 2014


Ook de werkintensiteit in het huishouden is een belangrijk element van het armoederisico. Deze variabele is gebaseerd op de verhouding van het aantal gewerkte maanden (van alle leden van het huishouden in de leeftijdscategorie 0-59 jaar) op het aantal werkbare maanden. Vervolgens kan men de relatie nagaan tussen het aantal gewerkte maanden van het huishouden op het armoederisico. Ter illustratie: een alleenstaande heeft een werkintensiteit 1 indien hij/zij tijdens het voorbije jaar 12 maanden op 12 werk als voornaamste activiteit had (12/12).  Hij/zij heeft een werkintensiteit van 0,5 indien hij/zij 6 maanden van de 12 werk als voornaamste activiteit had (6/12), Ö  Voor een koppel bedraagt het aantal werkbare maanden in totaal 24 (2x12).  Een koppel zal dus een werkintensiteit 1 hebben als beide partners 12 maanden hebben gewerkt (24/24).  Het koppel zal een werkintensiteit van 0,5 hebben indien zij samen een totaal 12 van de in totaal 24 maanden werk als voornaamste activiteit hadden, enzovoort. 
Zoals verwacht is er een omgekeerde relatie tussen het aantal gewerkte maanden en het armoederisico: hoe meer maanden men werkt, hoe kleiner het armoederisico. Ook speelt de kinderlast een belangrijke rol op de evolutie van het armoederisico volgens werkintensiteit. Personen die in 2013 in een huishouden woonden met kinderen en niet gewerkt hebben (werkintensiteit = 0), bevinden zich in de meest precaire situatie. 74,4 % van hen leeft onder de armoededrempel. Voor gelijkaardige personen in een huishouden zonder kinderen bedraagt dit 47,9 %. Bij een maximale werkintensiteit daalt het armoederisico van personen in een huishouden met kinderen tot 2,7 % (zonder kinderen is dit 2,9 %).

Tabel 1f: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar werkintensiteit en wonend in huishouden met of zonder kinderen, BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)

 

Zonder afh. kinderen

Met afh. kinderen

Werkintensiteit 0

47,9

74,4

Werkintensiteit tussen
0-1

8,2

 

Werkintensiteit tussen
0-0,5

 

43,0

Werkintensiteit tussen
0,5-1

 

8,8

Werkintensiteit 1

2,9

2,7

Werkintensiteit: volledig jaar geen werk (0), tussen volledig jaar geen werk en jaar volledig gewerkt (tussen 0 en 0,5 of 0,5 en 1), volledig jaar gewerkt (1)
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


Met betrekking tot het huishoudtype zien we dat alleenstaanden (22,4 %) en ťťnoudergezinnen (36,4 %) in het bijzonder meer geconfronteerd worden met armoede dan gezinnen met meerdere inkomens. (Tabel 1g)

Tabel 1g: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar huishoudtype*, BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)

1 Persoonshuish. Totaal

22,4

1 Persoonshuish. Man -65 jaar

23,2

1 Persoonshuish. Vrouw -65 jaar

28,0

1 Persoonshuish. Man 65 en +

17,2

1 Persoonshuish. Vrouw 65 en +

18,1

2 Volwass. Geen afh. kind.
(min 1 65+)

14,1

2 Volwass. Geen afh. kind.
(beide Ė65)

8,1

Andere huish. Geen afh. kinderen

9,2

Alle huishoudens zonder afh. kinderen

14,2

Eenoudergezin

36,4

2 Volwass. 1 afh. kind

10,3

2 Volwass. 2 afh. kinderen

10,2

2 Volwass. 3 of meer afh. kinderen

20,0

Andere huish. met kind

17,6

Alle huishoudens met afh. kinderen

16,6

*afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als personen van 0 tot en met 15 jaar en personen van 16 tot en met 24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste ťťn ouder.
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


In een samenleving waar opleiding meer en meer bepalend is voor de positie op de sociale ladder, vallen laaggeschoolden vaak uit de boot. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico: 25,8 % versus 6,7 % voor hooggeschoolden. (Tabel 1h)

Tabel 1h: Armoederisicopercentage  (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18+), BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)


Lage opleiding  

25,8


Gemiddelde opleiding

13,3


Hoge opleiding

6,7

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


Huurders kennen een armoederisico dat ongeveer vier keer zo hoog ligt dan dat van eigenaars, nl. 34,7 % versus 8,4 %.

Tabel 1i: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar eigenaar/huurder status, BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)

Eigenaar of zonder huur
 

8,4

Huurder
 

34,7

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


Er zijn grote verschillen naar herkomst: bij personen geboren buiten BelgiŽ ligt het armoederisico drie keer zo hoog dan bij personen die in BelgiŽ geboren zijn. Het verschil neemt duidelijk toe wanneer een persoon afkomstig is van buiten de EU-28. (Tabel 1j)

Tabel 1j: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar herkomst, (bevolking 18+), BelgiŽ, SILC 2014

Geboren in EU-28 en niet in BelgiŽ

19,0

Geboren buiten EU-28 en niet in BelgiŽ

44,7

Geboren buiten BelgiŽ

33,1

Geboren in BelgiŽ

11,1

bron: Eurostat


Sociale zekerheid en sociale bijstand
hebben een belangrijke beschermende impact. Bij een vergelijking van de reŽle situatie (met sociale transfers) met een fictieve situatie (zonder sociale transfer) komen we tot volgende resultaten: in het geval geen uitkeringen zouden worden ontvangen, met uitzondering van de pensioenen, zou het inkomen van 27,5 % van de bevolking onder de armoedegrens vallen (cfr. 15,5 % reŽle situatie). Indien er totaal geen uitkeringen zouden worden uitgekeerd, dus ook geen pensioenen, stijgt het armoederisico naar 43,1 % van de bevolking.(Tabel 1k)

Tabel 1k: Armoederisicopercentage (<60 % van het mediaan netto-inkomen) vůůr alle soc. overdrachten, na pensioenen en na alle soc. overdrachten, BelgiŽ, SILC 2014 (inkomen 2013)

 

Totaal

Vrouw

Man

Vůůr alle soc. overdrachten

43,1

45,1

41,0

Na
pensioenen

27,5

27,7

27,3

Na alle soc. overdrachten

15,5

15,9

15,0

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014

 

2. Ernstige materiŽle deprivatie

De gegevens over ernstige materiŽle deprivatie uit EU-SILC 2015 betreffen het onderzoeksjaar (2015). De indicator 'ernstige materiŽle deprivatie' beschrijft de situatie van personen die zich geen goederen of diensten kunnen veroorloven die essentieel worden geacht om fatsoenlijk te kunnen leven in Europa.

Mensen met een 'ernstige materiŽle deprivatie' missen minstens 4 van de 9 volgende elementen en zijn niet in staat om:
1) huur of courante rekeningen te betalen
2) hun woning degelijk te verwarmen
3) onverwachte uitgaven te doen
4) om de twee dagen vlees, vis of een proteÔnerijk alternatief te eten
5) een week vakantie per jaar te nemen buiten hun huis
6) zich een eigen wagen, 7) wasmachine, 8) kleurentelevisie of 9) telefoon aan te schaffen.

Volgens deze indicator, leeft 5,
8 % van de bevolking in ernstige materiŽle deprivatie.

Tabel 1l: Percentage ernstige materiŽle deprivatie, BelgiŽ, SILC 2009-2015

 

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

SILC 2015

BelgiŽ

5,2

5,9

5,7

6,3

5,1

5,9 5,8*

*voorlopig cijfer
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2015

 

3. Zeer lage werkintensiteit

Deze indicator beschrijft de situatie van personen in huishoudens waar niemand werkt (of waar huishoudleden zeer weinig werken) maar die niet noodzakelijk van een zeer laag inkomen leven. Een persoon met een zeer lage werkintensiteit is een persoon van 0 tot 59 jaar, wonende in een huishouden waarin volwassenen (studenten niet meegerekend) tijdens het referentiejaar gemiddeld minder dan een vijfde van hun tijd aan het werk waren.

In 201
3, leeft 14,6 % van de bevolking tussen 0-59j in een huishouden met een zeer lage arbeidsintensiteit.

Tabel 1m: Percentage zeer lage werkintensiteit, BelgiŽ, SILC 2009-2014

 

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

BelgiŽ

12,3

12,7

13,8

13,9

14,0

14,6

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014

 

4. Europese armoede-indicator

Mensen die te maken krijgen met minstens ťťn van de drie risico's (monetaire armoede, ernstige materiŽle deprivatie of lage werkintensiteit), hebben volgens de  Europese armoede-indicator een risico op armoede of sociale uitsluiting. Volgens deze indicator, loopt in BelgiŽ 21,2 % een risico op armoede of sociale uitsluiting.

Tabel 1n: Percentage risico op armoede of sociale uitsluiting, BelgiŽ, SILC 2009-2014

 

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

BelgiŽ

20,2

20,8

21,0

21,6

20,8

21,2

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014


Tabel 1o geeft een overzicht van het aantal personen met een armoederisico naar gebruikte armoede-indicator.

Tabel 1o: Armoederisico op basis van inkomen, ernstige materiŽle deprivatie, lage werkintensiteit en Europese armoede-indicator, BelgiŽ, EU-SILC 2014

 

Personen met een risico op monetaire armoede (%)

Personen uit een huishouden met ernstige materiŽle deprivatie (%)

Personen (0-59j) uit een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (%)

Risico op armoede of sociale uitsluiting (Europe indicator) (%)

Totaal

15,5

5,9

14,6

21,2

Geslacht

 

 

 

 

Man

15,0

6,2

14,3

20,9

Vrouw

15,9

5,6

14,9

21,6

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014
 

Tabel 1p: Armoederisico op basis van inkomen, ernstige materiŽle deprivatie, lage werkintensiteit en Europese armoede-indicator, Europese lidstaten, SILC 2008 en 2014
 

 

Personen met een risico op monetaire armoede (%)

Personen uit een huishouden met ernstige materiŽle deprivatie (%)

Personen (0-59j) uit een huishouden met een zeer lage werkintensiteit (%)

Risico op armoede of sociale uitsluiting
(Europe indicator)

(%)

aantal personen (x1000)

 

2008

2014

2008

2014

2008

2014

2008

2014

2008

2014

EU-28*

16,6

17,2

8,5

8,9

9,1

14,1

23,8

24,4

116.570

121.860

BelgiŽ

14,7

15,5

5,6

5,9

11,7

14,6

20,8

21,2

2.190

2.340

Bulgarije**

21,4

21,8

41,2

33,1

8,1

12,1

44,8

40,1

3.420

2.910

Cyprus

15,9

14,4

9,1

15,3

4,5

9,7

23,3

27,4

180

230

Denemarken**

11,8

11,9

2,0

3,2

8,5

12,1

16,3

17,8

890

1.000

Duitsland

15,2

16,7

5,5

5,0

11,7

10,0

20,1

20,6

16.340

16.510

Estland

19,5

-

4,9

-

5,3

-

21,8

-

290

-

Finland

13,6

12,8

3,5

2,8

7,5

10,0

17,4

17,3

910

930

Frankrijk

12,5

13,3

5,4

4,8

8,8

9,7

18,5

18,6

11.150

11.520

Griekenland

20,1

22,1

11,2

21,5

7,5

17,2

28,1

36,0

3.050

3.880

Hongarije

12,4

14,6

17,9

23,9

12,0

12,2

28,2

31,1

2.790

3.040

Ierland

15,5

-

5,5

-

13,7

-

23,7

-

1.050

-

ItaliŽ**

18,7

19,6

7,5

11,5

9,8

12,0

25,3

28,1

15.100

17.040

KroatiŽ

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Letland

25,9

21,2

19,3

19,2

5,4

9,6

34,2

32,7

740

650

Litouwen

20,9

19,1

12,5

13,6

6,1

8,8

28,3

27,3

910

800

Luxemburg

13,4

-

0,7

-

4,7

-

15,5

-

70

-

Malta

15,3

15,9

4,3

10,2

8,6

9,8

20,1

23,8

80

100

Nederland**

10,5

11,6

1,5

3,2

8,2

11,1

14,9

17,1

2.430

2.850

Oostenrijk

15,2

14,1

5,9

4,0

7,4

9,1

20,6

19,2

1.700

1.610

Polen

16,9

17,0

17,7

10,4

8,0

7,3

30,5

24,7

11.490

9.340

Portugal

18,5

19,5

9,7

10,6

6,3

12,2

26,0

27,5

2.760

2.860

RoemeniŽ

23,4

25,4

32,9

26,3

8,3

6,4

44,2

40,2

9.420

8.550

SloveniŽ

12,3

14,5

6,7

6,6

6,7

8,7

18,5

20,4

360

410

Slowakije

10,9

12,6

11,8

9,9

5,2

7,1

20,6

18,4

1.110

960

Spanje

20,8

22,2

3,6

7,1

6,6

17,1

24,5

29,2

11.120

13.400

TsjechiŽ

9,0

9,7

6,8

6,7

7,2

7,6

15,3

14,8

1.570

1.530

Verenigd Koninkrijk

18,7

-

4,5

-

10,4

-

23,2

-

14.070

-

Zweden

12,2

15,1

1,4

0,7

5,5

6,4

14,9

16,9

1.370

1.640

*Voor 2008 ontbreken de gegevens van KroatiŽ; gegevens voor 2014 bevatten schattingen voor de ontbrekende lidstaten.
**
Bulgarije en Denemarken: onderbroken reeks. ItaliŽ en Nederland: 2014 gegevens zijn voorlopig.
- gegevens ontbreken
bron: Eurostat, Persbericht
'The risk of poverty or soical exclusion affected 1 in 4 persons in the EU in 2014', 16 oktober 2015.
 

5. Subjectieve armoede

Naast de 'objectieve indicatoren' die het armoederisico meten, wordt in SILC ook gepeild naar de subjectieve armoede. Deze is gebaseerd op de eigen inschatting van de respondenten betreffende de mate waarin ze rondkomen op het ogenblik van het interview. In 2015 gaven 20,4 % van de Belgen aan moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen.

Tabel 1q: Percentage subjectieve armoede, BelgiŽ, SILC 2009-2015

 

SILC 2009

SILC 2010

SILC 2011

SILC 2012

SILC 2013

SILC 2014

SILC 2015

BelgiŽ

21,1

20,7

20,8

22,0

20,9

20,2

20,4*

*voorlopig cijfer
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2015

 

Tabel 1r: Subjectief armoederisico en armoederisico op basis van inkomen volgens karakteristieken (geslacht, leeftijdsklasse, activiteit, huishoudtype, opleidingsniveau). BelgiŽ, EU-SILC 2014.

Karakteristieken

Subjectief armoederisico

Armoederisico op basis van inkomen

Totaal

20,2

15,5

Mannen

19,9

15,0

Vrouwen

20,4

15,9

16-24j

24,1

20,4

25-49j

21,0

14,4

50-64j

17,5

11,8

+ 65j

15,2

16,1

Werkenden

11,7

4,8

Werklozen

50,3

42,9

Alleenstaande ouder

43,8

36,4

Laag onderwijsniveau

31,1

25,8

Gemiddeld onderwijsniveau

18,9

13,3

Hoog onderwijsniveau

9,3

6,7

bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: EU-SILC 2014

 

Laatste aanpassing : 01/03/2016.
Deze aanpassing betreft enkel de indicatoren 'ernstige materiŽle deprivatie' en 'subjectieve armoede' en de tabellen 1c en 1p.