S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

Hoeveel mensen  leven in België in armoede?

In 2009 behoort 14,6% (ongeveer 1 op 7 personen) van de Belgische bevolking tot de groep met een armoederisico op basis van het inkomen. In absolute cijfers komt dit overeen met ongeveer 1.600.000 personen.
 

Toelichting:

De cijfers die op nationaal en Europees niveau gebruikt worden om armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen, zijn afkomstig van de EU-SILC enquête ("European Union – Statistics on Income and Living Conditions" of "Statistiek naar Inkomens en Levensomstandigheden"). Deze enquête wordt georganiseerd door de FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie.

De resultaten voor de
EU-SILC 2010 enquête zijn gebaseerd op de inkomens van 2009. Deze resultaten zijn de meest recente resultaten voor armoede.

De maatstaf die wordt gehanteerd voor armoede is de grens van 60% van het mediaan
netto equivalent inkomen. Hierbij wordt geen rekening gehouden met een woning in eigendom. Wanneer het totale netto-inkomen van een huishouden zich onder deze grens situeert, is er sprake van een verhoogd armoederisico. Volgens de gegevens van EU-SILC 2010 behoorde 14,6% van de Belgische bevolking tot de groep met een verhoogd armoederisico. Dit betekent concreet dat 14,6% van de bevolking niet beschikt over een inkomen van 973netto per maand of 11.678 € netto per jaar voor een alleenstaande en 2.044netto per maand of 24.524 € netto per jaar voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen (bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2010).

T
abel 1a vergelijkt het armoederisicopercentage in 2009 met de situatie in 2008 en plaatst het Belgische cijfer in een Europees perspectief.
Voor wat België betreft, blijft het armoederisico stabiel op 14,6%. 'De crisis blijkt dus voorlopig niet te leiden tot een toename van de armoede in de bredere bevolking'
(FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Armoederisico stagneert, maar kinderen in armoede bijzonder kwetsbaar. Persbericht 14 oktober 2011).
De toestand in België ligt onder het Europese gemiddelde.  België scoort slechter in vergelijking met de buurlanden Nederland (10,3%) en Frankrijk (13,5%) en situeert zich ongeveer op hetzelfde niveau als Duitsland (15,6%). Tot de Europese koplopers behoren o.a. Tsjechië (9,0%), Nederland (10,3%) en Slowakije (12,0%).  Achteraan bengelen o.a. Letland (21,3%), Roemenië (21,1%), Bulgarije (20,7%), Spanje (20,7%) en Litouwen (20,2%).

 

Tabel 1a: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent netto beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan netto nationaal equivalent inkomen), Europese lidstaten, SILC 2009-2010

 

SILC 2009
 (inkomen 2008)

SILC 2010
(inkomen 2009)

EU-27

16,3

16,4*

België

14,6

14,6

Bulgarije

21,8

20,7

Cyprus

16,2

**

Denemarken

13,1

13,3

Duitsland

15,5

15,6

Estland

19,7

15,8

Finland

13,8

13,1

Frankrijk

12,9

13,5

Griekenland

19,7

20,1

Hongarije

12,4

12,3

Ierland

15,0

**

Italië

18,4

18,2

Letland

25,7

21,3

Litouwen

20,6

20,2

Luxemburg

14,9

14,5

Malta

15,3

15,5

Nederland

11,1

10,3

Oostenrijk

12,0

12,1

Polen

17,1

17,6

Portugal

17,9

17,9

Roemenië

22,4

21,1

Slovenië

11,3

12,7

Slowakije

11,0

12,0

Spanje

19,5

20,7

Tsjechië

8,6

9,0

Verenigd Koninkrijk

17,3

17,1

Zweden

13,3

12,9

* schatting van Eurostat
** niet beschikbaar

bron: Eurostat

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


zie resu
ltaten SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

Het armoederisico is hoger voor vrouwen dan voor mannen: nl. 15,2%, terwijl dit voor de mannen 13,9% bedraagt. Hierbij moet evenwel voor ogen worden gehouden dat dit verschil enkel gebaseerd is op het verschil tussen alleenstaande vrouwen en alleenstaande mannen.  De methodologie impliceert immers dat beide partners die als koppel samenleven, altijd hetzelfde armoederisico hebben.

Er zijn opvallende regionale verschillen merkbaar. In Vlaanderen bedraagt het armoederisico 10,4% tegenover 17,8% in Wallonië. De cijfers voor Brussel lijken hoger te liggen dan voor de andere gewesten. De steekproef is echter te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (Voor informatie over de situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: zie Welzijnsbarometer 2011 van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad).

 

Tabel 1b: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar geslacht, België en gewesten, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Vrouwen

15,2

10,8

18,7

Mannen

13,9

10,0

16,8

Totaal

14,6

10,4

17,8

De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2010
zie resu
ltaten SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 
Tabel 1
c:
Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar geslacht, België, gewesten en EU-27, SILC 2004-2010

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals  Gewest

Brussels

Hoofdstedelijk

Gewest*

EU-27

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

 

2004

 

14,3

15,1

13,4

10,8

11,6 

9,9

17,0

17,8

16,2

27

 

 

**

**

**

 

2005

 

14,8

15,5

14,1

11,3

11,9

10,7

16,8

17,9

15,7

29,6

 

 

16,5***

17,1***

15,7***

 

2006

 

14,7

15,6

13,7

11,4

12,3

10,5

17,1

17,7

16,2

25,9

 

 

16,6***

17,3***

15,9***

 

2007

 

15,2

15,9

14,4

10,9

11,6

10,2

18,8

19,9

17,7

28,2

 

 

16,7

17,5

15,8

2008

14,7

15,9

13,6

10,0

11,1

9,0

19,5

21,1

17,8

 

 

 

16,4

17,4

15,5

2009 14,6 15,7 13,4 10,1 11,1 9,2 18,4 20,5 16,2

 

 

 

16,3

17,1

15,4

2010 14,6 15,2 13,9 10,4 10,8 10,0 17,8 18,7 16,8  

 

 

16,4***

17,1***

15,7***


*De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
** niet beschikbaar
*** schatting van Eurostat
bronnen: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC  en Eurostat.

 

Ook de leeftijd speelt een rol: er wordt een hoger dan gemiddeld risico genoteerd bij bejaarden (65+): 19,4%. België scoort daarmee slechter dan het gemiddelde van de 27 Europese lidstaten: 15,9%.
Armoede bij kinderen bedraagt 18,5%, bij jongeren is dit 14,8%. Wat de gevolgen van armoede voor kinderen en jongeren zijn, werd in detail onderzocht in de EU-SILC enquête van 2009 (FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Armoederisico stagneert, maar kinderen in armoede bijzonder kwetsbaar. Persbericht 14 oktober 2011). Het Belgisch Netwerk voor Armoedebestrijding heeft de Werelddag van Verzet tegen Armoede in 2011 in het teken geplaatst van 'Stop armoede bij kinderen en jongeren'.
Tussen Vlaanderen en Wallonië verschillen de percentages enorm: voor de leeftijdscategorieën van 0 tot 50 jaar zijn de percentages in Wallonië ongeveer dubbel zo hoog dan in Vlaanderen.

Tabel 1d: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar leeftijd en geslacht, België en gewesten, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

14,6

15,2

13,9

10,4

10,8

10,0

17,8

18,7

16,8

0-15

18,5

19,3

17,8

11,6

 

 

23,9

 

 

16-24

14,8

14,4

15,1

7,2

6,9

7,5

22,0

20,6

23,3

25-49

11,4

12,4

10,6

7,2

7,5

6,9

13,7

15,2

12,3

50-64

12,3

12,5

12,1

9,8

10,4

9,1

14,7

14,3

15,2

65 en +

19,4

20,0

18,7

18,7

18,6

18,8

19,5

21,6

16,7

0-64

13,7

14,2

13,1

 

 

 

 

 

 

16-64

12,3

12,7

11,8

 

 

 

 

 

 

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.       
bronnen: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2010 en Eurostat

zie resultaten SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1e: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar leeftijd en geslacht, EU-27 en België, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

EU-27*

 

België

 

 

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

0-15

 

20,2

20,3

20,1

18,5

19,3

17,8

16-24

 

21,6

22,7

20,6

14,8

14,4

15,1

25-49

 

14,8

15,4

14,1

11,4

12,4

10,6

50-64

 

13,5

13,4

13,7

12,3

12,5

12,1

65 en +

 

15,9

18,2

12,9

19,4

20,0

18,7

* schattingen van Eurostat
bron: Eurostat

 

Tabel 1f geeft het armoederisico naar activiteitsstatus weer. Niet geheel onverwacht blijkt een job een belangrijke buffer tegen armoede, ongeacht de regio waarin men woont. Het armoederisico van werkenden (4,5%) is veel lager dan dat van niet werkenden (21,9%): werklozen (30,4%), gepensioneerden (16,1%) en andere niet-actieven (24,5%). Het is opvallend dat Wallonië vnl. op het vlak van armoederisico van werklozen en andere niet-actieven veel slechter scoort dan Vlaanderen. Voor de actieve bevolking ligt het armoederisico in België lager dan het Europees gemiddelde (tabel 1g), ongeacht de activiteitsstatus. Voor gepensioneerden echter ligt het Belgische armoederisico hoger dan het Europese gemiddelde (16,1% tegenover 13,8%).
 

Tabel 1f: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, België en gewesten, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

 

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

werkend

 

4,5

4,2

4,8

3,5

3,3

3,6

5,4

5,2

5,5

niet werkend:
totaal

 

21,9

21,8

22,1

16,6

16,4

17,0

25,0

24,9

25,3

niet werkend: werkloos

 

30,4

29,9

30,7

23,0

21,5

24,1

33,1

31,4

34,5

niet werkend: gepensioneerd

 

16,1

15,7

16,5

15,2

13,9

16,5

16,7

17,7

15,4

niet werkend:
ander

 

24,5

24,5

24,5

16,3

17,4

14,1

29,1

28,6

30,0

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.
* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische I
nformatie:  EU-SILC 2010


zie resultaten SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1g: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, EU-27 en België, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

EU-27**

België

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

werkend

8,5

7,9

9,0

4,5

4,2

4,8

niet werkend: totaal

22,7

23,3

21,8

21,9

21,8

22,1

niet werkend: werkloos

45,5

42,8

47,7

30,4

29,9

30,7

niet werkend: gepensioneerd

13,8

15,2

12,1

16,1

15,7

16,5

niet werkend: ander

26,3

26,6

25,6

24,5

24,5

24,5

* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
**
schatting van Eurostat
bron: 
Eurostat

 

Ook de werkintensiteit in het huishouden is een belangrijke indicator van het armoederisico. Deze indicator meet de verhouding van het aantal gewerkte maanden (van alle leden van het huishouden in de leeftijdscategorie 16-64 jaar) op het aantal werkbare maanden. Zo kan men de invloed nagaan van het aantal gewerkte maanden van het huishouden op het armoederisico. Ter illustratie: een alleenstaande heeft een werkintensiteit 1 indien hij/zij tijdens het voorbije jaar 12 maanden op 12 werk als voornaamste activiteit had (12/12).  Hij/zij heeft een werkintensiteit van 0,5 indien hij/zij 6 maanden van de 12 werk als voornaamste activiteit had (6/12), …  Voor een koppel bedraagt het aantal werkbare maanden in totaal 24 (2x12).  Een koppel zal dus een werkintensiteit 1 hebben als beide partners 12 maanden hebben gewerkt (24/24).  Het koppel zal een werkintensiteit van 0,5 hebben indien zij samen een totaal 12 van de in totaal 24 maanden werk als voornaamste activiteit hadden, enzovoort. 
Zoals verwacht is er een omgekeerde relatie tussen het aantal gewerkte maanden en het armoederisico: hoe meer maanden men werkt, hoe kleiner het armoederisico. Ook speelt de kinderlast een belangrijke rol op de evolutie van het armoederisico volgens werkintensiteit. Personen die in 2010 in een huishouden woonden met kinderen en niet gewerkt hebben (werkintensiteit = 0), bevinden zich in de meest precaire situatie. 73,7% van hen leeft onder de armoededrempel. Voor gelijkaardige personen in een huishouden zonder kinderen bedraagt dit 26,9%. Bij een maximale werkintensiteit daalt het armoederisico van personen in een huishouden met kinderen tot 3,3% (zonder kinderen is dit 2,8%). In Wallonië liggen de armoederisicopercentages naar werkintensiteit in het algemeen hoger dan in Vlaanderen. In vergelijking met de Europese gemiddelden scoort België in het algemeen beter, uitgezonderd de personen in een huishouden zonder werk met kinderen.
 

 

Tabel 1h: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar werkintensiteit en wonend in huishouden met of zonder kinderen, België en gewesten, en EU-27, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-27*

 

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

werkintensiteit 0

26,9

73,7

19,9

60,2

30,4

76,1

32,2

62,6

werkintensiteit tussen 0-1

7,6

20,2

5,9

 

6,4

 

10,9

23,7

werkintensiteit tussen 0-0,5

15,3

40,6

 

34,3

 

43,6

21,6

45,1

werkintensiteit tussen 0,5-1

5,3

15,0

 

12,0

 

14,1

7,8

19,9

werkintensiteit 1

2,8

3,3

2,2

2,6

3,6

4,8

5,5

7,3

Werkintensiteit: volledig jaar geen werk (0), tussen volledig jaar geen werk en jaar volledig gewerkt (tussen 0 en 0,5 of 0,5 en 1), volledig jaar gewerkt (1)
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar. 
* schatting van Eurostat
bronnen: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2010  en Eurostat

zie resultaten België en gewesten: SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Met betrekking tot het huishoudtype zien we dat alleenstaanden (18,8%) (vooral bejaarden 65+) en éénoudergezinnen (35,3%) in het bijzonder meer geconfronteerd worden met armoede dan gezinnen met meerdere inkomens. Ook hier zijn er duidelijke regionale verschillen. Vooral de Waalse éénoudergezinnen hebben een hoog armoederisico (43,4%).

 

Tabel 1i: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar huishoudtype*, België en gewesten, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

1persoonshuish. Totaal

18,8

14,5

22,7

1persoonshuish. Man -65 jaar

17,3

11,0

22,9

1persoonshuish. Vrouw -65 jaar

17,5

13,4

19,2

1persoonshuish. Man 65 en +

20,8

20,5

20,4

1persoonshuish. Vrouw 65 en +

21,2

17,1

27,0

2 volwass. Geen afh. kind.
(min 1 65+)

19,1

19,9

16,8

2 volwass. Geen afh. kind.
(beide –65)

9,1

7,4

10,0

Andere huish. Geen afh. kinderen

5,3

3,2

6,3

Alle huishoudens zonder afh. kinderen

13,8

11,6

15,2

eenoudergezin

35,3

24,2

43,4

2 volwass. 1 afh. kind

9,2

6,3

8,8

2 volwass. 2 afh. kinderen

10,6

5,0

16,4

2 volwass. 3 of meer afh. kinderen

16,5

11,1

19,6

Andere huish. met kind

14,1

10,9

15,5

Alle huishoudens met afh. kinderen

15,2

9,2

19,8

*afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met 24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.   
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2010

zie resultaten SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1j: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar huishoudtype*, EU-27, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

EU-27 **

België

1persoonshuish. Totaal

25,0

18,8

1persoonshuish. Man

23,7

18,1

1persoonshuish. Vrouw

25,9

19,4

1persoonshuish. -65 jaar

25,9

17,4

1persoonshuish. 65 +

23,7

21,1

2 volwass. Geen afh. kind.
(min 1 65+)

12,4

19,1

2 volwass. Geen afh. kind.
(beide –65)

10,4

9,1

1oudergezin met afh. kinderen

36,9

35,3

2 volwass. 1 afh. kind

11,9

9,2

2 volwass. 2 afh. kinderen

14,9

10,6

2 volwass. 3 of meer afh. kinderen

26,0

16,5

3 of meer volwassenen

9,2

5,3

Alle huishoudens met afh. kinderen

18,3

15,2

Alle huishoudens zonder afh. kinderen

14,5

13,8

* afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met 24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.
**
schatting van Eurostat
bron:
Eurostat

 

In een maatschappij waar opleiding meer en meer bepalend is voor de positie op de sociale ladder, vallen laaggeschoolden vaak uit de boot. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico (22,7% versus 5,2% voor hooggeschoolden). De Belgische percentages liggen onder de Europese gemiddelden.

 

Tabel 1k: Armoederisicopercentage  (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18+), België en EU-27, SILC 2010 (inkomen 2009)



 

EU-27*

België



 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man


lage opleiding

 

25,1

25,9

24,3

22,7

25,0

20,5


gemiddelde opleiding

 

13,8

14,4

13,1

9,8

10,8

8,8


hoge opleiding

 

7,1

7,0

7,1

5,2

4,6

6,0

* schatting van Eurostat
bron: Eurostat

zie resultaten België : SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Huurders kennen een armoederisico dat ongeveer driemaal zo hoog is als dat van eigenaars, nl. 29,5% versus 9,1%. Waalse huurders scoren opvallend slechter dan Vlaamse, nl. 34,1% versus 22,0%. Het Belgische percentage voor huurders ligt boven het EU-gemiddelde (25,8%) en dat voor eigenaars eronder (EU-27: 13,4%).

 

Tabel 1l: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar eigenaar/huurder status, België en gewesten en EU-27, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-27*

eigenaar of zonder huur

 

9,1

7,3

11,8

13,4

huurder

 

29,5

22,0

34,1

25,8

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.   
* schatting van Eurostat
bronnen: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2010 en Eurostat

zie resultaten België en gewesten: SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Sociale zekerheid en sociale bijstand hebben een belangrijke beschermende impact. Bij een vergelijking van de reële situatie (met sociale transfers) met een fictieve situatie (zonder sociale transfer) komen we tot volgende resultaten: in het geval geen uitkeringen zouden worden ontvangen, met uitzondering van de pensioenen, zou het inkomen van 26,7% van de bevolking onder de armoedegrens vallen (cfr. 14,6% reële situatie). Indien er totaal geen uitkeringen zouden worden uitgekeerd, dus ook geen pensioenen, stijgt het armoederisico naar 41,3% van de bevolking.
 

Tabel 1m: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) vóór alle soc. overdrachten, na pensioenen en na alle soc. overdrachten, België, EU-27, SILC 2010 (inkomen 2009)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-27*

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

vóór alle soc. overdrachten

41,3

44,1

38,5

36,9

39,7

34,1

46,2

49,1

43,1

43,4

45,7

40,9

na
pensioenen

26,7

27,5

25,8

20,8

21,4

20,3

32,2

33,6

30,7

25,7

26,5

24,9

na alle soc. overdrachten

14,6

15,2

13,9

10,4

10,8

10,0

17,8

18,7

16,8

16,4

17,1

15,7

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.
* schatting van Eurostat
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2010 en Eurostat

zie resultaten België en gewesten: SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Er zijn grote verschillen naar nationaliteit: personen met een niet EU-nationaliteit hebben een verhoogd armoederisico. Recent onderzoek naar de inkomenspositie van immigranten bevestigt de resultaten van eerdere studies die wezen op de slechtere sociaal-economische situatie van vooral niet-westerse migranten. Het gemiddeld inkomen van niet-EU immigranten is beduidend lager dan dat van autochtone Belgen en hun armoederisico ligt drie tot vier maal hoger. (bron: Colruy Vincent, Verbist Gerlinde (2010), Inkomen en diversiteit: onderzoek naar de inkomenspositie van migranten in België, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen).

 

Naast de “monetaire indicatoren” die het armoederisico meten op basis van het inkomen -in casu 2009 voor EU-SILC 2010- wordt in SILC ook gepeild naar de subjectieve armoede. Deze is gebaseerd op de eigen inschatting van de respondenten betreffende de mate waarin ze rondkomen op het ogenblik van het interview in 2010. In tabel 1n geven we de resultaten van de subjectieve armoede weer voor een aantal karakteristieken. In 2010 gaven 20,8% van de Belgen aan moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen.

 

Tabel 1n: Subjectief armoederisico en armoederisico op basis van inkomen volgens karakteristieken (geslacht, leeftijdsklasse, activiteit, huishoudtype, opleidingsniveau). België, EU-SILC 2010.

Karakteristieken

Subjectief armoederisico

Armoederisico op basis van inkomen

totaal

20,8

14,6

mannen

19,6

13,9

vrouwen

21,9

15,2

- 65j

 

13,7

+ 65j

19,1

19,4

werkenden

12,9

4,5

werklozen

37,7

30,4

alleenstaande ouder

47,0

35,3

laag onderwijsniveau

29,7

23,0*

gemiddeld onderwijsniveau

20,5

11,6*

hoog onderwijsniveau

9,8

5,9*

* Deze cijfers verschillen met de cijfers van Eurostat over armoederisico naar opleidingsniveau.  Dit heeft te maken met een andere berekeningswijze.  Hier wordt de diplomacategorie toegewezen op basis van de opleiding die gevolgd wordt (voorbeeld: universiteitsstudenten vallen in de categorie 'hoog onderwijsniveau'), terwijl Eurostat het hoogst behaalde diploma in aanmerking neemt (universiteitsstudenten zitten dan in de categorie 'gemiddeld onderwijsniveau').
b
ron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2010

 Laatste aanpassing : 06/12/11