S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Hoeveel mensen  leven in België in armoede?

Volgens de laatste EU-SILC cijfers behoorde 14,7% (ongeveer 1 op 7 personen) van de Belgische bevolking in 2008 tot de groep met een armoederisico op basis van hun inkomen. In absolute cijfers komt dit overeen met ongeveer 1.551.671 personen.
 

Toelichting:

De cijfers die op nationaal en Europees niveau gebruikt worden om armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen, zijn afkomstig van de EU-SILC enquête ("European Union – Statistics on Income and Living Conditions" of "Statistiek naar Inkomens en Levensomstandigheden"). Deze enquête wordt georganiseerd door de FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie


De maatstaf die wordt gehanteerd voor armoede is de grens van 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Wanneer het totale inkomen van een huishouden zich onder deze grens situeert, is er sprake van een verhoogd armoederisico. Volgens de gegevens van EU-SILC behoorde in 200
8 14,7% van de Belgische bevolking tot de groep met een verhoogd armoederisico. Dit betekent concreet dat 14,7% van de bevolking niet beschikt over een inkomen van 899 € per maand of 10.788 € per jaar voor een alleenstaande en 1.888 € per maand of 22.654 € per jaar voor een huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen (bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2008).

De meest recente armoedecijfers voor België vertonen geen trendbreuk met het verleden en bevestigen dat ongeveer één op zeven arm is in België.

Tabel 1a plaatst het Belgische cijfer in een Europees perspectief. De toestand in België ligt dicht bij het Europese gemiddelde. In vergelijking met de buurlanden scoort België minder goed (Nederland 11% armoederisico, Frankrijk en Luxemburg elk met 13%). Tot de Europese koplopers behoren o.a. Tsjechië (9%), Slowakije (11%) en Denemarken, Hongarije, Oostenrijk, Slovenië en Zweden (elk met 12%). Achteraan bengelen o.a. Letland (26%), Roemenië (23%) en Litouwen, Griekenland en Spanje (elk met 20%).

 

Tabel 1a: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen), Europese lidstaten, SILC 2008 (inkomen 2007)

EU-25

16

België

15

Bulgarije

21

Cyprus

16

Denemarken

12

Duitsland

15

Estland

19

Finland

14

Frankrijk

13

Griekenland

20

Hongarije

12

Ierland

16

Italië

19

Letland

26

Litouwen

20

Luxemburg

13

Malta

15

Nederland

11

Oostenrijk

12

Polen

17

Portugal

18

Roemenië

23

Slovenië

12

Slowakije

11

Spanje

20

Tsjechië

9

Verenigd Koninkrijk

19

Zweden

12

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

afgeronde cijfers
bron:
Eurostat

 

Het armoederisico is hoger voor vrouwen dan voor mannen: nl. 15,8%, terwijl dit voor de mannen 13,6% bedraagt.

Er zijn opvallende regionale verschillen merkbaar. In Vlaanderen bedraagt het armoederisico 10% tegenover 19,5% in Wallonië. De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. (Voor informatie over de situatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest: zie het Armoederapport 2009 van het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel Hoofdstad).

 

Tabel 1b: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) naar geslacht, België, gewesten en EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25*

Vrouwen

15,8

11,1

21,1

17

Mannen

13,6

9,0

17,8

15

Totaal

14,7

10,0

19,5

16

De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
* afgeronde cijfers

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1c: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) naar geslacht, België, gewesten en EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals  Gewest

Brussels

Hoofdstedelijk

Gewest*

EU--25**

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

 

2004

 

14,3

15,2

13,5

10,8

11,6 

9,9

17,0

17,8

16,2

27

 

 

16

17

15

 

2005

 

14,8

15,5

14,1

11,3

11,9

10,7

16,8

17,9

15,7

29,6

 

 

16

17

15

 

2006

 

14,7

15,6

13,7

11,4

12,3

10,5

17,1

17,7

16,2

25,9

 

 

16

17

15

 

2007

 

15,2

15,9

14,4

10,9

11,6

10,2

18,8

19,9

17,7

28,2

 

 

16

17

15

2008

14,7

15,8

13,6

10,0

11,1

9,0

19,5

21,1

17,8

 

 

 

16

17

15


*De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
** afgeronde cijfers

bron
nen: NAPincl 2008-2010: indicatoren; FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2007, EU-SILC 2008 en Eurostat

 

Ook de leeftijd speelt een rol: er wordt een hoger dan gemiddeld risico genoteerd bij bejaarden (65+): 21,3%. België scoort daarmee slechter dan het gemiddelde van de 25 Europese lidstaten: 19%. Armoede bij kinderen bedraagt 16,6%, bij jongeren is dit 17,5%. 
Tussen Vlaanderen en Wallonië verschillen de percentages enorm: voor de leeftijdscategorieën van 0 tot 50 jaar zijn de percentages in Wallonië ongeveer dubbel zo hoog dan in Vlaanderen.

 

Tabel 1d: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) naar leeftijd en geslacht, België en gewesten, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

14,7

15,8

13,6

10,0

11,1

9,0

19,5

21,1

17,8

0-15

16,6

17,9

15,4

9,7

10,6

8,7

24,0

25,7

22,4

16-24

17,5

16,5

18,5

9,0

7,7

10,4

24,2

23,7

24,8

25-49

10,4

11,9

8,9

5,8

6,8

4,7

15,1

17,7

12,4

50-64

13,7

14,9

12,6

10,7

12,2

9,3

16,5

17,7

15,3

65 en +

21,3

22,0

20,2

19,4

20,3

18,2

24,0

25,0

22,5

0-64

13,5

14,5

12,5

 

 

 

 

 

 

16-64

12,6

13,6

11,6

 

 

 

 

 

 

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.       
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1e: Armoederisicopercentage (= het percentage personen met een equivalent beschikbaar inkomen lager dan 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen) naar leeftijd en geslacht, EU-25 en België, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

EU-25*

 

België*

 

 

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

0-15

 

19

20

19

17

18

15

16-24

 

20

21

19

18

17

19

25-49

 

14

14

13

10

12

9

50-64

 

14

14

13

14

15

13

65 en +

 

19

21

16

21

22

20

*afgeronde cijfers
bron: Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1f geeft het armoederisico naar activiteitsstatus weer. Niet geheel onverwacht blijkt een job een belangrijke buffer tegen armoede, ongeacht de regio waarin men woont. Het armoederisico van werkenden (4,8%) is veel lager dan dat van niet werkenden (23,7%): werklozen (34,8%), gepensioneerden (18,4%) en andere niet-actieven (24,8%). Het is opvallend dat Wallonië vnl. op het vlak van armoederisico van werklozen en andere niet-actieven veel slechter scoort dan Vlaanderen. Voor de actieve bevolking ligt het armoederisico in België lager dan het Europees gemiddelde (tabel 1g), ongeacht de activiteitsstatus. Voor gepensioneerden echter ligt het Belgische armoederisico hoger dan het Europese gemiddelde (18% tegenover 16%).

Tabel 1f: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, België en gewesten, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

 

 

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

werkend

 

4,8

5,2

4,5

3,9

4,3

3,6

5,7

5,9

5,6

niet werkend:
totaal

 

23,7

23,4

24,0

16,8

17,0

16,4

29,7

30,0

29,4

niet werkend: werkloos

 

34,8

32,9

36,6

20,2

17,2

22,9

41,9

41,8

42,0

niet werkend: gepensioneerd

 

18,4

18,7

18,1

16,6

17,5

15,7

20,9

20,6

21,3

niet werkend:
ander

 

24,8

24,6

25,3

15,9

16,6

14,5

32,7

33,5

31,4

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.
* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008


zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1g: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, EU-25 en België, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

EU-25**

België**

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

werkend

8

8

8

5

5

5

niet werkend: totaal

23

23

23

24

23

24

niet werkend: werkloos

44

41

48

35

33

37

niet werkend: gepensioneerd

16

17

15

18

19

18

niet werkend: ander

26

26

26

25

25

25

* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
** afgeronde cijfers
bron: Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Ook de werkintensiteit in het huishouden is een belangrijke indicator van het armoederisico. Deze indicator meet de verhouding van het aantal gewerkte maanden (van alle leden van het huishouden in de leeftijdscategorie 16-64 jaar) op het aantal werkbare maanden. Zo kan men de invloed nagaan van het aantal gewerkte maanden van het huishouden op het armoederisico. Ter illustratie: een alleenstaande heeft een werkintensiteit 1 indien hij/zij tijdens het voorbije jaar 12 maanden op 12 werk als voornaamste activiteit had (12/12).  Hij/zij heeft een werkintensiteit van 0,5 indien hij/zij 6 maanden van de 12 werk als voornaamste activiteit had (6/12), …  Voor een koppel bedraagt het aantal werkbare maanden in totaal 24 (2x12).  Een koppel zal dus een werkintensiteit 1 hebben als beide partners 12 maanden hebben gewerkt (24/24).  Het koppel zal een werkintensiteit van 0,5 hebben indien zij samen een totaal 12 van de in totaal 24 maanden werk als voornaamste activiteit hadden, enzovoort. 
Zoals verwacht is er een omgekeerde relatie tussen het aantal gewerkte maanden en het armoederisico: hoe meer maanden men werkt, hoe kleiner het armoederisico. Ook speelt de kinderlast een belangrijke rol op de evolutie van het armoederisico volgens werkintensiteit. Personen die in 2008 in een huishouden woonden met kinderen en niet gewerkt hebben (werkintensiteit = 0), bevinden zich in de meest precaire situatie. 74,7% van hen leeft onder de armoededrempel. Voor gelijkaardige personen in een huishouden zonder kinderen bedraagt dit 32,2%. Bij een maximale werkintensiteit daalt het armoederisico van personen in een huishouden met kinderen tot 4,7% (zonder kinderen is dit 2,9%). In Wallonië liggen de armoederisicopercentages naar werkinstensiteit in het algemeen hoger dan in Vlaanderen. In vergelijking met de Europese gemiddelden scoort België in het algemeen beter, uitgezonderd de personen in een huishouden zonder werk en in een huishouden met lage werkintensiteit (0-0,5) met kinderen.

 

Tabel 1h: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) naar werkintensiteit en wonend in huishouden met of zonder kinderen, België en gewesten, en EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25*

 

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

zonder afh. Kinderen

met afh. Kinderen

werkintensiteit 0

32,2

74,7

24,0

57,4

37,2

76,8

32

62

werkintensiteit tussen 0-1

7,1

20*

4,8

 

9,8

 

11

23

werkintensiteit tussen 0-0,5

13*

48,6

 

41,0

 

56,4

22

45

werkintensiteit tussen 0,5-1

4*

12,9

 

6,4

 

19,9

8

20

werkintensiteit 1

2,9

4,7

3,6

4,1

1,6

6,2

5

7

Werkintensiteit: volledig jaar geen werk (0), tussen volledig jaar geen werk en jaar volledig gewerkt (tussen 0 en 0,5 of 0,5 en 1), volledig jaar gewerkt (1)
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.   
* afgeronde cijfers
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008 en Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004
 

Met betrekking tot het huishoudtype zien we dat alleenstaanden (22,5%) (vooral alleenstaande vrouwen) en éénoudergezinnen (39,5%) in het bijzonder meer geconfronteerd worden met armoede dan gezinnen met meerdere inkomens. Ook hier zijn er duidelijke, regionale verschillen. Vooral de Waalse éénoudergezinnen hebben een hoog armoederisico (49,4%).

 

Tabel 1i: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) naar huishoudtype*, België en gewesten, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

1persoonshuish. Totaal

22,5

18,9

27,0

1persoonshuish. Man -65 jaar

18,7

12,9

23,0

1persoonshuish. Vrouw -65 jaar

23,6

19,8

29,6

1persoonshuish. Man 65 en +

20,9

17,6

23,9

1persoonshuish. Vrouw 65 en +

27,0

25,4

31,2

2 volwass. Geen afh. Kind.
(min 1 65+)

20,9

19,4

23,4

2 volwass. Geen afh. Kind.
(beide –65)

7,6

5,4

9,6

Andere huish. Geen afh. Kinderen

7,2

5,3

10,2

Alle huishoudens zonder afh. Kinderen

14,9

12,0

18,4

eenoudergezin

39,5

28,5

49,4

2 volwass. 1 afh. Kind

7,4

2,6

10,6

2 volwass. 2 afh. Kinderen

8,0

5,2

10,5

2 volwass. 3 of meer afh. Kinderen

15,7

9,5

23,4

Andere huish. Met kind

14,7

7,8

16,4

Alle huishoudens met afh. Kinderen

14,7

8,2

20,8

*afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met 24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.
Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.   
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 1j: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) naar huishoudtype*, EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

EU-25**

België **

1persoonshuish. Totaal

25

22

1persoonshuish. Man

23

19

1persoonshuish. Vrouw

27

25

1persoonshuish. -65 jaar

24

21

1persoonshuish. 65 +

27

25

2 volwass. Geen afh. Kind.
(min 1 65+)

15

21

2 volwass. Geen afh. Kind.
(beide –65)

10

8

1oudergezin met afh. Kinderen

35

39

2 volwass. 1 afh. Kind

12

8

2 volwass. 2 afh. Kinderen

14

8

2 volwass. 3 of meer afh. Kinderen

25

16

3 of meer volwassenen

9

6

Alle huishoudens met afh. Kinderen

17

15

Alle huishoudens zonder afh. Kinderen

15

15

* afhankelijke kinderen worden gedefinieerd als mensen van 0 tot en met 15 jaar + mensen van 16 tot en met 24 jaar indien ze inactief zijn en inwonen bij tenminste één ouder.
** afgeronde cijfers
bron: Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

In een maatschappij waar opleiding meer en meer bepalend is voor de positie op de sociale ladder, vallen laaggeschoolden vaak uit de boot. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico (23% versus 6% voor hooggeschoolden). Deze cijfers lopen ongeveer gelijk met de Europese gemiddelden.

 

Tabel 1k: Armoederisicopercentage  (<60% van het mediaan inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18+), België en EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)



 

EU-25

België



 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man


lage opleiding

 

23

24

22

23

24

21


gemiddelde opleiding

 

13

14

12

11

13

10


hoge opleiding

 

7

7

6

6

5

6

afgeronde cijfers
bron:
Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006

 

Huurders kennen een armoederisico dat ongeveer driemaal zo hoog is als dat van eigenaars, nl. 28,5% versus 10,0%. Waalse huurders scoren opvallend slechter dan Vlaamse, nl. 38,2% versus 19,7%.
Het Belgische percentage voor huurders ligt boven het EU-gemiddelde (25%) en dat voor eigenaars eronder (EU-25
: 13%).

 

Tabel 1l: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) naar eigenaar/huurder status, België en gewesten en EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

 

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25*

eigenaar of zonder huur

 

10,0

7,4

13,5

13

huurder

 

28,5

19,7

38,2

25

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.   
* afgeronde cijfers
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008 en Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Sociale zekerheid en sociale bijstand hebben een belangrijke beschermende impact. Bij een vergelijking van de reële situatie (met sociale transfers) met een fictieve situatie (zonder sociale transfer) komen we tot volgende resultaten: in het geval geen uitkeringen zouden worden ontvangen, met uitzondering van de pensioenen, zou het inkomen van 27,0% van de bevolking onder de armoedegrens vallen (cfr. 14,7% reële situatie). Indien er totaal geen uitkeringen zouden worden uitgekeerd, dus ook geen pensioenen, stijgt het armoederisico naar 41,7% van de bevolking.
 

Tabel 1m: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) vóór alle soc. Overdrachten, na pensioenen en na alle soc. Overdrachten, België, EU-25, SILC 2008 (inkomen 2007)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25*

 

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

vóór alle soc. overdrachten

41,7

44,1

39,2

36,9

39,0

34,8

47,5

50,5

44,4

42

45

39

na
pensioenen

27,0

28,0

26,1

21,0

21,8

20,3

33,3

34,5

31,9

25

26

24

na alle soc. overdrachten

14,7

15,8

13,6

10,0

11,1

9,0

19,5

21,1

17,8

16

17

15

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn geen cijfers beschikbaar.
*
afgeronde cijfers
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie
: EU-SILC 2008 en Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Er zijn grote verschillen naar nationaliteit: personen met een niet EU-nationaliteit hebben een verhoogd armoederisico. Recent onderzoek naar de inkomenspositie van immigranten bevestigt de resultaten van eerdere studies die wezen op de slechtere sociaal-economische situatie van vooral niet-westerse migranten. Het gemiddeld inkomen van niet-EU immigranten is beduidend lager dan dat van autochtone Belgen en hun armoederisico ligt drie tot vier maal hoger. (bron: Colruy Vincent, Verbist Gerlinde (2010), Inkomen en diversiteit: onderzoek naar de inkomenspositie van migranten in België, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck, Universiteit Antwerpen).

 

Sociale uitsluiting wordt in SILC gezien als het resultaat van verschillende factoren waaronder inkomen, tewerkstelling, gezondheid en onderwijs. Naast de “monetaire indicatoren” die het armoederisico meten op basis van het inkomen, worden ook een aantal “niet-monetaire” indicatoren gebruikt om armoede te meten. Het al dan niet aanwezig zijn van basiscomfort van de woning is een belangrijke niet-monetaire indicator. Een andere interessante niet-monetaire indicator meet het zich kunnen veroorloven (maar het daarom niet bezitten) van gebruiksgoederen.
In tabel 1
n geven we een kort overzicht van enkele niet-monetaire indicatoren, opgesplitst naar personen die wonen in huishoudens die onder de armoedegrens leven en zij die boven de armoedegrens leven. Deze tabel geeft een indicatie van levensstijlverschillen tussen mensen die onder en boven de armoedegrens leven. Globaal zijn mensen onder de armoedegrens systematisch meer gedepriveerd dan personen die niet in armoede leven.

 

Tabel 1n: Niet-monetaire indicatoren voor personen uit huishoudens onder en boven de armoedegrens, in %, België, SILC 2008 (inkomen 2007)

Niet-monetaire indicatoren

Totaal

Onder de armoedegrens

Boven de armoedegrens

lekkend dak, vochtige muren/vloeren of funderingen, of rottende vensteromlijstingen of vloeren

18

26

17

financiële problemen om de woning voldoende te verwarmen

6

17

5

geen bad/douche

1

2

1

woning is somber, donker

8

11

7

niet in de mogelijkheid om jaarlijks 1 week met vakantie te gaan

26

62

20

niet in de mogelijkheid verkeren om de 2 dagen vlees of vis te eten

5

18

3

geen middelen om kleuren-TV te hebben

0

1

0

geen middelen om PC te hebben

5

15

4

geen middelen om een auto te hebben

6

23

3

afgeronde cijfers
bron: Eurostat

zie resultaten SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

Vergeleken met de resultaten van voorgaande jaren vertonen de monetaire indicatoren van de EU-SILC-enquête 2008 geen significante verschillen. De cijfers voor 2008 vertonen wel een stijgende trend bij de subjectieve armoede, dit is de mate waarin personen aangeven 'de eindjes niet aan elkaar te kunnen knopen'. In 2008 stelde 21% van de ondervraagde personen moeilijk tot zeer moeilijk rond te komen; in 2007 was dit 16%.
 

 Laatste aanpassing : 04/06/10