|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Geholpen dakloze huis-houdens |
Huishoudens geplaatst in opvang-tehuizen |
Huis-houdens geplaatst in transit-huizen |
Permanente camping-bewoners |
Uithuis-zettingen met tussenkomst van het OCMW tot gevolg |
Begunstigden van de installatie-premie |
Huisvesting aangevraagd bij het OCMW |
Huisvesting verkregen door het OCMW |
|
1050 |
656 |
440 |
1020 |
1107 |
1415 |
264 |
70 |
bron: IWEPS (2007), Rapport sur la cohésion sociale en région wallonne. Volet statistique, p.122-123.
In Brussel organiseerde tijdens de nacht van 19 november 2008 het Steunpunt thuislozenzorg La Strada een dak-en thuislozentelling. 1.771 "telbare" daklozen werden geteld in het Brussels Gewest. Het betreft echter een bijzonder heterogene groep die geconfronteerd wordt met zeer verschillende realiteiten: 262 personen brachten de nacht daadwerkelijk op de straat door, 60 personen vonden onderdak in een kraakpand, 216 personen verbleven in gebouwen die ze bezetten na onderhandelingen met de eigenaars. 839 personen verbleven in erkende onthaaltehuizen, minstens 165 mensen brachten de nacht door in onthaaltehuizen die niet (als dusdanig) erkend zijn door de overheid. 173 mensen vonden onderdak in de nachtopvang, 49 in crisisopvang. Naast deze 1.771 daklozen vonden nog eens 995 mensen een oplossing in een transitwoning of in diensten begeleid wonen. (bron: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad (2009), Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2009, Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, p. 59)
In Vlaanderen gebeurt er een registratie van de dak-en thuislozen die opgevangen worden in de autonome Centra voor Algemeen Welzijnswerk (CAW) die ook vaak mensen moeten weigeren wegens de beperkte opvangcapaciteit. Het gebruikte Tellus registratiesysteem geeft een systematisch overzicht van de cliënten, hun problemen en begeleiding. De meest recent beschikbare cijfers zijn deze van 2007. In 2007 werden 10.316 cliënten begeleid in de thuislozenzorg van de centra. Het aantal geholpen cliënten blijft de voorbije jaren constant. Dit is geen indicatie van de evolutie van de problematiek, maar het geeft veeleer de opvangcapaciteit weer.
Volgens een onderzoek naar de OCWM-hulpverlening aan dak-en thuislozen, uitgevoerd door het OASeS-centrum van de Universiteit Antwerpen en het Institut des Sciences Humaines et Sociales van de Luikse universiteit in opdracht voor de federale dienst Maatschappelijke Integratie (POD MI) (2010, p. 79-80) zijn er per 10.000 inwoners in Wallonië gemiddeld dubbel zoveel daklozen als in Vlaanderen (namelijk 25 tegenover 12). Het Brusselse Gewest heeft het hoogste gemiddelde, met 30 daklozen per 10.000 inwoners. Wat de evolutie van het aantal daklozen betreft, zijn er meer Vlaamse OCMW’s die vinden dat het aantal daklozen gedurende de voorbije jaren is gestegen; meer Waalse en Brusselse OCWM’s vinden dat het aantal daklozen gelijk is gebleven. Het aantal chronisch daklozen (personen die langer dan een jaar in deze situatie blijven) vertegenwoordigt 55% van het totaal aantal daklozendossiers beheerd door OCMW's in het Brusselse Gewest, dat is bijna de helft minder in Wallonië, met 28%, en het vermindert nog in Vlaanderen, met 16%.
De POD Maatschappelijke Integratie verschaft bepaalde gegevens, nl. cijfers over het aantal daklozen dat een installatiepremie krijgt en over het aantal daklozen dat van een aan 100% gesubsidieerd leefloon heeft genoten.
Een dakloze die een woonst vindt en hierdoor zijn hoedanigheid van dakloze verliest, heeft (eenmalig) recht op een installatiepremie. Vroeger konden enkel leefloongerechtigde daklozen hierop aanspraak maken. Sinds de tweede helft van 2004 komen ook daklozen met een vervangingsinkomen of een inkomen lager dan een grensbedrag (het leefloonbedrag, vermeerderd met 10%) in aanmerking. Vanaf 2005 is er dan ook een duidelijke toename in het aantal toegekende installatiepremies. In vergelijking met 2007 is er in 2008 een toename van 30%. Deze stijgende trend doet zich in elk gewest voor. (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, Dierckx Danielle en Van Haarlem, An (red.) (2009), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009, Leuven: Acco, p. 318-319)
Tabel 8b: Aantal daklozen aan wie
een
installatiepremie
werd toegekend, België
en gewesten, 2000, 2005-2008,
absolute cijfers en percentages
|
|
België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
||||
|
|
AC |
% |
AC |
% |
AC |
% |
AC |
% |
|
2000 |
1.735 |
100,0 |
479 |
27,6 |
1.026 |
59,1 |
230 |
13,3 |
|
2005 |
2.204 |
100,0 |
810 |
36,8 |
1.040 |
47,2 |
354 |
16,1 |
|
2006 |
2.174 |
100,0 |
773 |
35,6 |
1.014 |
46,6 |
387 |
17,8 |
|
2007 |
2.043 |
100,0 |
673 |
32,9 |
976 |
47,8 |
394 |
19,3 |
|
2008 |
2.652 |
100,0 |
943 |
35,6 |
1.162 |
43,8 |
547 |
20,6 |
bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2009), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009, Leuven: Acco, p. 318.
De toelage van de federale Staat aan het OCMW bedraagt 100% van het bedrag van het leefloon gedurende de periode van ten hoogste één jaar, wanneer het wordt toegerekend aan een rechthebbende die zijn hoedanigheid van dakloze verliest. Sinds 1999 is een licht stijgende trend waar te nemen. Het aantal voormalig daklozen dat een leefloon bekomt, bedroeg in 2005 1,25 % van de totale leefloonpopulatie (bron: Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen belast met Interculturaliteit (2006), Algemene beleidsnota. Deel Maatschappelijke Integratie, p. 96).
Tabel 8c:
Evolutie
van het aantal daklozen dat van een aan 100% gesubsidieerd
leefloon heeft genoten,
België,
1999-2005
|
|
Daklozen |
% voormalig daklozen ten opzichte van de totale leefloonpopulatie |
|
1999 |
227 |
0,28 % |
|
2000 |
230 |
0,30 % |
|
2001 |
253 |
0,36 % |
|
2002 |
238 |
0,33 % |
|
2003 |
587 |
0,72 % |
|
2004 |
951 |
1,14 % |
|
2005 |
1043 |
1,25 % |
bron: Minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen belast met Interculturaliteit (2006), Algemene beleidsnota. Deel Maatschappelijke Integratie, p. 96
De problematiek van dataverzameling over dak- en thuislozen in de landen
van de Europese Unie wordt duidelijk beschreven in het rapport
Measurement of Homelessness at European Union Level
(2007).
Het MPHASIS-project (Mutual Progress on
Homelessness through Advancing and Strengthening Information Systems)
kadert binnen dat proces en wil de informatiebanken op gewestelijk,
nationaal en Europees niveau verbeteren. In België treedt het Hoger
Instituut voor de Arbeid (HIVA) op als nationale partner van dat project.
Het is interessant de sociaal-demografische kenmerken van daklozen
te bekijken. Uit verschillende studies komt eenzelfde globaal beeld naar
voren: vooral mannen met een gemiddelde leeftijd rond de 40 jaar (vooral
tussen 31 en 45 jaar), laaggeschoold, alleenstaand en vaak langdurig
thuisloos (meerdere jaren). Vrouwen maken een minderheid uit van de
thuislozenpopulatie (bron: Van Regenmortel Tine, Demeyer Barbara,
Vandenbempt Katrien & Van Damme Benediekt (2006), Zonder (t)huis: Sociale
biografieën van thuislozen getoetst aan de institutionele en
maatschappelijke realiteit, LannooCampus, Leuven, p. 39-42).
Het profiel van dak- en thuislozen in Vlaanderen veranderde in de voorbije twee decennia. Tabel 8d geeft een overzicht van een aantal socio-economische kenmerken van thuislozen voor de jaren 1982-2008. Methodologisch zijn de gegevens niet volledig vergelijkbaar: de eerste jaren (1982 en 2002) betreffen een surveyonderzoek, de recente jaren (2005-2008) zijn gebaseerd op cliëntregistratie. Het aandeel vrouwen is fors toegenomen: van 18% naar 38%. Voor hun inkomen zijn thuislozen vooral afhankelijk van een socialezekerheidsuitkering (meer dan één op drie in 2008). Opvallend is dat het aandeel thuislozen dat gesteund wordt door het OCMW daalde van 28% naar 18% en dit terwijl hun tewerkstellingsgraad eveneens daalde (van 21% naar 13%).
Tabel 8d: Socio-economisch profiel van thuislozen (in %), 1982, 2002, 2005-2008, Vlaanderen
|
Kenmerk |
1982 |
2002 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
|
Vrouwen |
18 |
33 |
36 |
37 |
33 |
38 |
|
< 30 jaar |
50 |
41 |
51 |
51 |
52 |
48 |
|
30-50 jaar |
31 |
40 |
34 |
38 |
34 |
35 |
|
> 50 jaar |
19 |
17 |
13 |
13 |
14 |
17 |
|
Allochtonen |
9 |
15 |
30 |
31* |
27 |
25 |
|
Ongehuwden |
66 |
57 |
65 |
65 |
66 |
65 |
|
Gescheiden |
13 |
20 |
19 |
20 |
19 |
21 |
|
Geen of alleen lager onderwijs voltooid |
44 |
24 |
31 |
30 |
30 |
28 |
|
Alleen lager secundair |
30 |
36 |
51** |
52** |
23 |
22 |
|
Tewerkstellingsgraad |
21 |
21 |
11 |
15 |
12 |
13 |
|
Belangrijkste inkomen uit arbeid |
24 |
12 |
11 |
12 |
13 |
13 |
|
Werkloosheidsuitkering |
19 |
27 |
38 |
36*** |
37*** |
36 |
|
Bijstand (OCMW) |
28 |
27 |
17 |
18 |
18 |
18 |
|
Schuldenlast |
25 |
60 |
- |
- |
- |
- |
|
Inkomen gelijk of lager dan leefloon |
- |
- |
54 |
52 |
54 |
33 |
|
Geen inkomen**** |
- |
- |
29 |
29 |
29 |
24 |
* In 2004 gemeten volgens definitie ECM,
minderhedendecreet; vanaf 2005 volgens "origine" gedefinieerd als
“Eén van
beide ouders of grootouders is geboren buiten België.” Het
gaat hier om een ruime definiëring.
** In de cliëntregistratie Tellus wordt geen onderscheid gemaakt tussen
lager en secundair onderwijs; vanaf 2007 is dit wel het geval.
*** Alle socialezekerheidsuitkeringen met uitzondering van Tegemoetkoming
voor Gehandicapten en Bijstand
**** Thuislozen zonder inkomen betreffen: kinderen die nog financieel
afhankelijk zijn van hun ouder(s) (hun aandeel in de totale populatie
bedraagt ongeveer 10%); personen, voornamelijk vrouwen, die economisch
afhankelijk zijn van het inkomen van de partner, bijvoorbeeld vrouwen
zonder eigen inkomen die opgenomen worden in een vluchthuis; ten slotte,
personen die effectief geen inkomen hebben en het grootste aandeel vormen
in deze categorie.
bron: Tellus
cliëntregistratieprogramma CAW's, Cliëntgegevens
2004, 2005,
2006 en 2007. Berchem,
Steunpunt Algemeen Welzijnswerk en Van Menxel, G.,Lescrauwaet, D. & I.
Parys (2003),
zoals opgenomen in Vranken Jan,
Campaert Geert, De Boyser
Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2009),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009, Leuven: Acco, p. 352.
Sterk in het oog springend is de problematische jeugd van veel daklozen: twee op drie thuislozen hebben een instellingsverleden. Dit is echter veel meer het geval voor mannen (74%) dan voor vrouwen (48%). Instellingen waar thuislozen het meest verbleven, zijn psychiatrische instellingen (34%), penitentiaire instellingen (33%) en instellingen voor bijzondere jeugdzorg (27%).
Tabel 8e: Aandeel thuislozen met instellingsverleden, 1982-2002 (in %) Vlaanderen
|
Instellingsverleden |
Man |
Vrouw |
Totaal |
|||
|
|
1982 |
2002 |
1982 |
2002 |
1982 |
2002 |
|
Geen |
27,3 |
26,3 |
39,0 |
51,9 |
29,5 |
34,1 |
|
Wel |
72,7 |
73,7 |
61,1 |
48,1 |
70,5 |
65,9 |
|
Totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 48
Tabel 8f: Instellingstypes waar thuislozen ooit verbleven, 1982-2002 (in %) Vlaanderen
|
Cluster instellingen |
1982 |
2002 |
|
Jeugdinstellingen |
27,4 |
48,7 |
|
Psychiatrie |
23,3 |
34,4 |
|
Strafinrichtingen |
51,6 |
27,9 |
|
Therapeutische gemeenschap |
4,2 |
14,1 |
|
Andere* |
7,2 |
29,8* |
* De categorie “Andere” omvat in 2002 in
hoofdzaak residentiële opvang in het algemeen welzijnswerk en verder
algemene ziekenhuizen.
bron:Van Menxel e.a.
(2003),Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen
Welzijnswerk, p. 49
De meeste thuislozen zijn alleenstaand: 81% is ongehuwd, wettelijk gescheiden of weduw(e)(naar). Toch had 69% van de mannen en 91% van de vrouwen ooit een gezin. Eén op drie mannen en twee op drie vrouwen heeft kinderen. De meerderheid van de thuislozen heeft nooit kinderen gehad.
Tabel 8g: Burgerlijke staat naar geslacht, evolutie 1982-2002 (in%), Vlaanderen
|
Burgerlijke staat |
man |
vrouw |
Totaal |
|||
|
|
1982 |
2002 |
1982 |
2002 |
1982 |
2002 |
|
Ongehuwd |
66,5 |
63,9 |
65,7 |
43,0 |
66,0 |
57,2 |
|
Gehuwd (incl. feit. Gesch.) |
16,0 |
11,1 |
24,8 |
33,7 |
18,0 |
18,6 |
|
Wettelijk gescheiden |
14,3 |
22,2 |
7,6 |
16,9 |
13,0 |
20,4 |
|
Weduwe/-naar |
3,2 |
2,8 |
1,9 |
5,6 |
3,0 |
3,7 |
|
Totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 38
Tabel 8h: Samenlevingsvormen in het verleden naar geslacht, 2002 (in %), Vlaanderen
|
Samenlevingsvorm |
Man |
Vrouw |
totaal |
|
Gehuwd of gehuwd geweest |
40,7 |
59,7 |
47,3 |
|
Samenwonend of ooit samengewoond |
28,3 |
31,2 |
29,3 |
|
Nooit samengewoond met partner |
31,0 |
9,1 |
23,4 |
|
totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 39
Tabel 8i: Thuislozen naar geslacht met eigen kinderen, 2002 (in %), Vlaanderen
|
Aantal kinderen |
Man |
Vrouw |
Totaal |
|
geen |
66,7 |
31,0 |
54,8 |
|
1 |
9,2 |
18,4 |
12,3 |
|
2 |
12,6 |
25,3 |
16,9 |
|
3 |
8,0 |
11,5 |
9,2 |
|
4 |
1,7 |
4,6 |
2,7 |
|
5 |
1,1 |
5,7 |
2,7 |
|
6 en meer |
0,6 |
3,4 |
1,5 |
|
totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 39
Met welke problemen kampen daklozen? Zowel in Vlaanderen als in Wallonië is het ontbreken van een betaalbare woonst het hoofdprobleem waarmee daklozen geconfronteerd worden, aldus een onderzoek naar de OCWM-hulpverlening aan dak-en thuislozen uitgevoerd door het OASeS-centrum van de Universiteit Antwerpen en het Institut des Sciences Humaines et Sociales (2010). Het gebrek aan voldoende inkomsten is het tweede belangrijkste probleem. De situatie van ontwrichte gezinnen wordt op de derde plaats vermeld in Wallonië en op de zesde plaats in Vlaanderen. Het ontbreken van een sociaal netwerk is ook een probleem dat in beide Gewesten vaak voorkomt. De problemen die in beide Gewesten het minst worden vastgesteld door OCMW's, zijn problemen met de fysieke gezondheid.
Het aandeel thuislozen met gezondheidsproblemen is nochtans zeer groot. Daklozen minimaliseren hun gezondheidsproblemen en lijken geen belang meer aan hun lichaam te hechten. Nochtans zijn alle studies het eens over de prevalentie van bepaalde gezondheidsaandoeningen bij daklozen in verhouding tot de algemene bevolking. Aandoeningen die regelmatig worden vermeld, zijn: verwondingen, tandproblemen, schurft, ademhalingsziekten en aandoeningen aan hart en longen, infectieziekten (voornamelijk HIV, tuberculose en hepatitis), psychische aandoeningen. Verslaving aan alcohol, tabak of drugs komt bij daklozen ook heel vaak voor. Daarnaast zijn er problemen als gevolg van een vroegtijdige aftakeling: een negatief zelfbeeld, een beperkt sociaal leven en het gevoel negatief te worden beoordeeld door de maatschappij. Deze vroegtijdige aftakeling, die meestal al is ingezet voor de persoon dakloos wordt, wordt nog bespoedigd door een verblijf op straat of in een onthaalcentrum. Dergelijke situaties leiden tot onzekerheid en hebben een negatieve weerslag op de fysieke en mentale gezondheid. Vooral slaapgebrek is heel schadelijk voor de gezondheid. Slaapgebrek veroorzaakt psychische problemen. (bron: Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting (2010), Verslag armoedebestrijding 2008-2009-Deel 2. Naar een coherente aanpak in de strijd tegen dakloosheid en armoede, p.33-34)
Enkele cijfers: in Vlaanderen kampt 75% van de thuislozenpopulatie met gezondheidsproblemen. Merkwaardig is dat er geen verband lijkt te bestaan met de leeftijd en het geslacht van thuislozen. Er tekenen zich wel verschillen af met betrekking tot de aard van de problemen. Thuislozen kampen voornamelijk met psychische problemen. Dit geldt voor 73% van de jongeren onder de 21 jaar met gezondheidsproblemen en voor 58% van de 21- tot 50-jarigen. Meer mannen dan vrouwen hebben een fysieke kwaal, maar zes keer zoveel vrouwen lijden aan kanker.
Tabel 8j:
Gezondheidsproblemen naar leeftijd, 2002 (in
%), Vlaanderen
|
Leeftijd |
Ja |
Neen |
Totaal |
|
< 21 |
76,9 |
23,1 |
100,0 |
|
21-50 |
75,4 |
24,6 |
100,0 |
|
> 50 |
74,5 |
25,5 |
100,0 |
|
Totaal |
75,4 |
24,6 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 46
Tabel 8k: Gezondheidsproblemen naar geslacht, 2002 (in %), Vlaanderen
|
Geslacht |
Ja |
Neen |
Totaal |
|
Man |
75,0 |
25,0 |
100,0 |
|
Vrouw |
76,1 |
23,9 |
100,0 |
|
Totaal |
75,4 |
24,6 |
100,0 |
bron: Van
Menxel e.a. (2003),
Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk,
p. 46
Tabel 8l: Aard van de gezondheidsproblemen naar leeftijd, 2002 (in %), Vlaanderen
|
Gezondheidsprobleem |
Leeftijdscategorieën |
|||
|
|
-21 |
21-50 |
51 en meer |
totaal |
|
Fysieke handicap |
7,7 |
10,9 |
16,4 |
11,7 |
|
Mentale handicap |
8,0 |
16,6 |
18,5 |
16,2 |
|
Psychische problemen |
73,1 |
57,8 |
45,3 |
56,8 |
|
Chronische ziekte |
4,0 |
13,5 |
33,3 |
16,7 |
|
TBC |
- |
3,0 |
3,7 |
3,1 |
|
Kanker |
- |
1,7 |
9,3 |
3,2 |
|
AIDS/HIV |
4,5 |
1,2 |
1,9 |
1,6 |
|
SOA |
4,5 |
0,6 |
1,9 |
1,3 |
|
Andere |
8,3 |
17,1 |
22,6 |
17,4 |
|
Totaal |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
100,0 |
bron: Van Menxel e.a. (2003), Verbinding Verbroken, Steunpunt Algemeen Welzijnswerk, p. 47
Psychische stoornissen komen beduidend vaker voor bij daklozen dan bij de globale bevolking. Depressies, angststoornissen en verslaving (drank of andere drugs) zijn vaker aanwezig. Onderzoek bij thuislozen in Brussel (Philippot P. en Galand B. (2003), Les personnes sans-abri en Belgique. Regards croisés des habitants de la rue, de l' opinion publique et des travailleurs sociaux, Academia Press, Gent) bevestigt deze resultaten. Deze studie komt tot het besluit dat thuislozen reeds voor ze thuisloos werden te maken hadden met een groot aantal stresssituaties (bvb. verlies van werk, scheiding, ongeval, problemen met justitie, enz.). Deze gebeurtenissen vormen risicofactoren voor thuisloosheid. Opvallend zijn ook de zich voortdurend herhalende ervaringen van relatiebreuken in het leven van thuislozen: vanaf de kindertijd tot de volwassen leeftijd. Opmerkelijk is ook dat mannelijke en vrouwelijke thuislozen verschillende oorzaken aanduiden voor thuisloosheid. Mannen benadrukken in de eerste plaats materiële factoren (bvb. verlies van werk, financiële problemen), terwijl vrouwen in eerste instantie relatieproblemen benadrukken.
Laatste aanpassing: 24/03/2010