S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

  Hebben mensen die in armoede leven een slechtere gezondheid?

Ja. Uit cijfers blijkt dat mensen met een lagere sociale status (opleidingsniveau, activiteitsstatus, inkomensniveau) vaak in slechtere gezondheid verkeren, een verminderde toegang tot de gezondheidszorg hebben en vroeger sterven dan mensen met een hogere positie op de sociale ladder.

Toelichting:

De levensverwachting van de Belgen blijft stijgen en de kindersterfte blijft dalen. De sociale ongelijkheid inzake gezondheid blijft echter aanzienlijk. Voor de meeste gezondheidsindicatoren is er duidelijk een sociale gradiënt aanwezig. De gemiddeld goede Belgische indicatoren zijn bijgevolg het gemiddelde van een zeer goede gezondheid van de meer welstellende bevolking en de eerder slechte gezondheid van de armere bevolking. De indicatoren bevestigen aldus het bestaan van belangrijke ongelijkheden op het vlak van de gezondheidstoestand, het gezondheidsgedrag en de toegang tot de gezondheidszorg. Deze verschillen manifesteren zich op zo goed als alle indicatoren: kindersterfte, subjectieve inschatting van de gezondheid, de mate van belemmeringen in de dagelijkse bezigheden ten gevolge van ziekte, depressie, overgewicht, rookgedrag, participatie in screening van baarmoederhals- en borstkanker.

Er zijn opvallende regionale verschillen merkbaar
, waarbij de indicatoren wijzen op een betere gezondheidstoestand van de bevolking in Vlaanderen dan in Brussel en vooral Wallonië. Deze gezondheidsverschillen hangen waarschijnlijk nauw samen met de parallelle sociale ongelijkheden (bron: NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 15-16).


Uit vroeger onderzoek, gebaseerd op gegevens verzameld tussen 1991 en 1997, kan men concluderen dat mensen met een laag opleidingsniveau (geen diploma of enkel lager onderwijs) in België niet alleen korter leven (vrouwen: 2,8 jaar; mannen 5,2 jaar) maar ook veel minder lang in goed ervaren gezondheid leven (vrouwen 14,5 jaar; mannen 15,5 jaar) dan hoog opgeleiden (diploma hoger onderwijs) (bron: NAPIncl 2006-2008, Indicatoren). Hoe hoger het opleidingsniveau, hoe beter de toegang tot informatie over gezondheid en hoe beter men gewapend is om die kennis ook in de praktijk te gebruiken. Anderzijds bepaalt het opleidingsniveau ook mee de arbeidsmarktpositie en werktevredenheid en daardoor ook indirect de gezondheidstoestand. Er is ook een duidelijk verband tussen de socio-economische positie en leefstijl (bron: Belgisch strategisch verslag inzake sociale bescherming en sociale inclusie 2006-2008, p. 69).
 

Tabel 9a: Verschil in levensverwachting en in levensverwachting in goede gezondheid (in jaren) op 25 jaar tussen personen met het laagste en het hoogste opleidingsniveau naar geslacht, België en de gewesten 1991-1996/1997

 

Levens-
verwachting in
goede
gezondheid
België

Levens-
verwachting België

Levens-
verwachting in goede
gezondheid
Vlaams Gewest

Levens-
verwachting
Vlaams Gewest

Levens-
verwachting in goede
gezondheid
Waals Gewest

Levens-
verwachting Waals Gewest

Vrouwen

14,5

2,8

17

3

15,6

2,7

mannen

15,5

5,2

14,1

4,7

17,8

6,2

bron: Volkstelling/Rijksregister/Gezondheidsenquête -WIV zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 99


Cijfers in verband met kindersterfte naargelang de socio-professionele categorie van de vader geven aan dat er een omgekeerd verband is tussen beide variabelen: hoe lager de socio-professionele categorie van de vader, hoe hoger de kindersterfte. De verschillen worden wel minder belangrijk doorheen de tijd. Analyses met betrekking tot het Vlaams en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op basis van recentere data wijzen toch op het blijvend belang van socio-economische status van de ouders op de kindersterfte (bron: Belgisch strategisch verslag inzake sociale bescherming en sociale inclusie 2006-2008). Bovendien blijkt er een verband te bestaan tussen het goede verloop van zwangerschappen en de scholingsgraad: laaggeschoolde zwangere vrouwen hebben bijna vier keer meer kans op babysterfte dan hoger geschoolde vrouwen. Daarnaast hebben ze een dubbel zo groot risico op een vroeggeboorte, een laag geboortegewicht of een misvormde baby (bron: Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2003), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2003).


Tabel 9b:
Kindersterfte naar socio-professionele categorie van de vader (gehuwde koppels - per 1000 levend en doodgeborenen), België

 

1980-1984

1985-1989

1990-1994

Mortinataliteit

 

 

 

Categorie 1

4,91

4

3,16

Categorie 2

6,21

5,28

3,99

Categorie 3

7,51

5,88

4,82

Categorie 4

9,41

8,22

6,21

 

 

 

 

Kindersterfte binnen de 0-6 verstreken dagen

 

 

 

Categorie 1

4,49

3,26

2,57

Categorie 2

5,22

3,9

3,02

Categorie 3

6

4,24

3,2

Categorie 4

6,58

4,98

3,94

 

 

 

 

Kindersterfte binnen de 7-364 verstreken dagen

 

 

 

Categorie 1

4,19

4,12

2,84

Categorie 2

4,83

4,62

4,09

Categorie 3

5,55

5,36

4,6

Categorie 4

7,09

6,19

5,41

Categorie 1: vrije, medische, paramedische en soortgelijke beroepen
Categorie 2: onderwijzend personeel en administratieve beroepen
Categorie 3: geschoolde arbeiders, handwerkers en handelaars
Categorie 4: gespecialiseerde arbeiders, handlangers e.d.

bron: Masuy-Stroobant
Godelieve, Gourbin Catherine, Masuy Bernard (2001), Gezondheid, foetale sterfte en kindersterfte: Evolutie van de risicofactoren op regionaal niveau van 1980 tot 1994, in: Statistische studiën nr. 107 zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 100-101


Recente cijfers (verzameld door het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid) tonen een gelijkaardige tendens. Kinderen van zelfstandigen, vrije beroepen en bedienden hebben minder kans om te overlijden voor de eerste verjaardag. Kinderen van arbeidsters hebben een verhoogd overlijdensrisico. Ook indien de moeder geen beroep heeft, is de kans op een overlijden significant verhoogd t.o.v. moeders met een bediendenstatuut. Bovendien hebben ouders met een diploma hoger onderwijs een kleinere kans om hun kind te verliezen in vergelijking met vaders en moeders met een lage opleiding: meer info.


Als we kijken naar het percentage van de bevolking (16 jaar en ouder) dat zijn gezondheid als slecht of zeer slecht beschouwt, dan valt het grote verschil op naargelang het inkomens
- en opleidingsniveau. 14% van de bevolking onder de armoedegrens heeft het gevoelen dat zijn gezondheid slecht tot zeer slecht is t.o.v. 7,8% van de bevolking boven de armoedegrens (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Resultaten EU-SILC 2004). 45% van de personen zonder diploma of met slechts een diploma lager onderwijs geeft een slechte (subjectieve) gezondheid aan. Deze proportie daalt daaropvolgend bij de hogere opleidingsniveaus om uiteindelijk nog 14% te bedragen bij diegenen met een diploma hoger onderwijs (bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004).


Tabel
9c
: Percentage van de bevolking dat de eigen gezondheid als slecht tot zeer slecht beoordeeld (autoevaluatie), onder en boven de armoedegrens, België, 2004.

2004

Totaal

Onder de armoedegrens

Boven de armoedegrens

Slechte tot zeer slechte gezondheid (autoevaluatie)

8,7

14

7,8

bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Persbericht EU-SILC 2004

 

Tabel 9d: Percentage van de bevolking (van 15 jaar en ouder) volgens de subjectieve gezondheidstoestand naar opleidingsniveau, 2004

Opleidingsniveau

Goed tot zeer goed

Zeer slecht tot redelijk

Lager of geen diploma

55,

44,9

Lager middelbaar

69,5

30,5

Hoger middelbaar

79,5

20,5

Hoger onderwijs

86,4

13,6

Totaal

77,0

23,0

bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 27.


Inzake de psychische gezondheid werd bij 8% van de bevolking van 15 jaar en ouder een depressie vastgesteld. Depressies komen gevoelig meer voor bij vrouwen (10% versus 6% mannen), zieken/invaliden (38%), werklozen (12%), lage inkomens en laagopgeleiden.


Tabel 9e: Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar geslacht, activiteitsstatus en inkomensniveau, België en gewesten, 2004

 

België

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

totaal

7,9

10,4

7,4

9,7

man

5,7

7,3

5,7

6,6

vrouw

9,9

12,9

9

12,5

 

 

 

 

 

activiteitsstatus

 

 

 

 

werkend

5,3

6,6

4,8

6

werkloos

12,1

14

8

16,8

gepensioneerd

10

13,3

9,7

12,3

ziek/invalide

38,2

31,5

34,4

38,1

andere inactieve

6,5

9,3

5

8,3

 

 

 

 

 

inkomensniveau

 

 

 

 

eerste quintiel

17,9

19,4

14,8

20,3

tweede quintiel

12,2

9,6

11,3

14,5

derde quintiel

7,5

9,8

7

8

vierde quintiel

7,9

8,6

8

8,4

vijfde quintiel

4,7

6,3

5,1

5,9

bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 104-105

 

Tabel 9f: Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar opleidingsniveau, België, 2004

 

geen of lager onderwijs

lager middelbaar

hoger middelbaar

hoger onderwijs

totaal

2004

13,4

10,3

7,4

5,1

7,9

bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 249

 

Ook met betrekking tot chronische ziekten zijn er verschillen: 50,3% van de personen met maximaal een diploma lager onderwijs kampt met minstens één of meer chronische ziekten waar dit bij personen met een diploma hoger onderwijs bijna 22% bedraagt (bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 116).


Tabel 9g: Percentage van de bevolking met minstens één of meerdere chronische ziekten volgens opleidingsniveau, België, 2004

 

geen of lager onderwijs

lager middelbaar

hoger middelbaar

hoger onderwijs

totaal

2004

50,3

37,4

28

21,9

30,1

bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 116
 

Van de Belgische bevolking van 16 jaar en ouder is ongeveer 10% in hun dagelijkse activiteiten ernstig gehinderd door ziekte, aandoeningen of handicap. Er is een merkbaar verschil naargelang het inkomensniveau en geslacht (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Resultaten EU-SILC 2004 en NAPincl 2006-2008, Indicatoren).

 

Tabel 9h: Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de activiteiten naar geslacht en inkomensniveau, België en gewesten, 2004.

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

totaal

10,1

8,6

12,5

man

8,6

7,4

10,2

vrouw

11,1

9,7

14,6

 

 

 

 

inkomensniveau

 

 

 

eerste quintiel

15,7

14,8

16,7

tweede quintiel

13,5

11,6

16,6

derde quintiel

10,4

9,4

11,7

vierde quintiel

6

4,8

9

vijfde quintiel

5

4,4

6,9

bron: EU-SILC 2004 - FOD Sociale Zekerheid zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 106-107



Tabel
9i
: Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de activiteiten, onder en boven de armoedegrens, België, 2004.

2004

Totaal

Onder de armoedegrens

Boven de armoedegrens

Lijdt aan een handicap, langdurige ziekte of aandoening en is gelimiteerd in zijn dagdagelijkse activiteiten.

10,1

15,2

9,2

bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Persbericht EU-SILC 2004

 

Er bestaat een verband tussen armoede en de incidentie van tuberculose. De kans besmet te raken met TBC en actieve TBC te ontwikkelen is effectief gelieerd met ondervoeding, met overbewoning, met gebrekkige luchtverversing en met slechte sanitaire voorzieningen. Armoede kan ook een efficiënte en effectieve behandeling van de ziekte in de weg staan (gebrekkige toegang tot informatie en behandeling). Ruimtelijk is er ook een correlatie met urbanisatie. De incidentie is geconcentreerd bij specifieke risicogroepen, zoals asielzoekers en daklozen. In 2005 werden voor België 11 gevallen van TBC vastgesteld per 100.000 inwoners (in 2004 11,8/100.000). Bij de Belgen is dit 5,9 per 100.000, bij de niet-Belgen  66,7 per 100.000. De incidentie daalt heel sterk bij deze laatste groep (45,4/100.000) wanneer de asielzoekers buiten beschouwing worden gelaten. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ligt het aantal nieuwe TBC-gevallen (34,1/100.000) veel hoger dan in Vlaanderen (8,3/100.000) en Wallonië (8,8/100.000). De incidentie concentreert zich vooral in de grote steden zoals Brussel (34,1/100.000), Antwerpen (23,4/100.000), Luik (21,6/100.000) en Charleroi (17,4/100.000) (bron: Fonds des Affections Respiratoires (FARES) (2007), Registre belge de la tuberculose 2005, p. 12-24.)
 

Tabel 9j: Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, België en gewesten, 1995-2005

 

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

België

13,6

13,3

12,7

11,8

12,4

12,8

12,9

12,7

10,9

11,8

11

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

34,9

37,4

36,5

32,5

32,0

38,2

36,7

42,6

36,1

34,2

34,1

Vlaams Gewest

10,7

10,4

9,4

9,2

9,2

9,6

10,2

9,4

7,6

9,4

8,3

Waals Gewest

12,6

11,6

11,7

10,5

12,6

11,3

12,8

9,8

9,4

9,4

8,8

bron: Administratieve data - VRGT/FARES zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 108 en Fonds des Affections Respiratoires (FARES) (2007), Registre belge de la tuberculose 2005, p. 12

 

Tabel 9k: Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners naar nationaliteit, België, 1995-2005

 

1995

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

Totaal

13,6

13,3

12,7

11,8

12,4

12,8

12,9

12,7

10,9

11,8

11

Belgen

10

9,7

9,4

8,3

8,7

8,1

7,6

6,8

5,5

6,1

5,9

Niet Belgen

50

47,4

46,1

47,3

51,7

61,9

70,7

78,1

71,5

75,4

66,7

Niet Belgen uit hoge incidentie landen

110,3

113,9

105,3

111,1

135,1

162,2

190,2

234,4

216,3

227,7

205

bron: Administratieve data - VRGT/FARES zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 108 en Fonds des Affections Respiratoires (FARES) (2007), Registre belge de la tuberculose 2005, p. 23


Risicofactoren m.b.t. leefstijl en voedingsgewoonten vormen een gedeeltelijke verklaring voor de vastgestelde gezondheidsverschillen. Voornamelijk zwaarlijvigheid en roken zijn hierbij gedocumenteerd als meer voorkomend bij laagopgeleiden: zwaarlijvigheid komt bij deze groep voor in 19,7% versus 6,4% bij hoogopgeleiden. Als we het inkomensniveau bekijken, dan valt op dat bijna dubbel zoveel mensen uit de laagste inkomensklasse zwaarlijvig zijn dan mensen uit de hoogste inkomensklasse (16,6% versus 8,5%).

Bij de minder hoog opgeleide bevolkingsgroepen blijft het gebruik van tabak populair. In deze bevolkingsgroep kunnen meer rokers, meer dagelijkse rokers en meer zware rokers (meer dan 20 sigaretten per dag) teruggevonden worden. De leeftijd waarop met roken wordt begonnen ligt lager dan bij de overige bevolkingsgroepen, het gemiddeld aantal gerookte sigaretten ligt er hoger en de tabaksafhankelijkheid is er een meer frequent probleem. Meer dan 13% van de mensen met een lage opleiding zijn zware rokers versus bijna 6% bij de hoogopgeleiden. Zware rokers komen dubbel zovaak voor in de laagste inkomenscategorie in vergelijking met de hoogste inkomens.



Tabel 9
l: Prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI 30+) bij de volwassen bevolking (18 jaar en ouder) naar opleidingsniveau, België en gewesten, 2004

 

België

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

totaal   

12,6

11,8

11,1

15,3

Laag

19,7

17,5

16,4

22,8

Midden

10,6

9,6

9,4

13,3

Hoog

6,4  

6,9

5,7

8,6

bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 94

 

Tabel 9m: Prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI 30+) onder de volwassen bevolking (18 jaar en ouder) naar inkomensniveau, België, 2004

Eerste quintiel

Tweede quintiel

Derde quintiel

Vierde quintiel

Vijfde quintiel

16,6  

16,2

14,2

12,7

8,5

bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 94



Tabel 9n:
Percentage zware rokers (20 sigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder) naar opleidingsniveau en inkomensniveau, België en gewesten, 2004

 

België

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

totaal   

10,2  

9,5

8,4

12

 

 

 

 

 

opleidingsniveau

 

 

 

 

laag

13,4  

12,9

8,7

16,4

midden

11,2  

9,4

10,8

13,1

hoog

5,8  

6,9

5,3

5,9

 

 

 

 

 

inkomensniveau

 

 

 

 

eerste quintiel

15,8  

13,8

8

23,3

tweede quintiel

11,8  

9,7

8,7

16,1

derde quintiel

10,5  

9,1

10,2

9,4

vierde quintiel

10,6  

9,3

9,6

10,5

vijfde quintiel

7,6  

6,5

6,4

10,8

bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 95

 

Op het vlak van de toegang tot de gezondheidszorgen zijn grote socio-economische verschillen op te merken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het laten uitvoeren van een baarmoederhalsuitstrijkje om vroegtijdig kanker op te sporen: 55,7% van de vrouwen met een lage opleiding hadden dit in de voorbije drie jaar niet laten doen tegenover 28,1% in de hoge opleidingsgroep. Bijna 63% van de vrouwen uit de laagste inkomenscategorie had geen uitstrijkje laten uitvoeren tegenover 27,4% uit de hoogste inkomenscategorie. Het is opvallend dat Vlaamse vrouwen minder vaak een uitstrijkje laten nemen dan Brusselse en Waalse vrouwen.


Tabel 9o:
Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijkje liet uitvoeren naar opleidingsniveau en inkomensniveau, België en gewesten, 2004

 

België

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

totaal*

41,4

 

 

 

opleidingsniveau

 

 

 

 

laag

55,7

57,6

62,1

50

midden

39,3

40,8

39,9

37,3

hoog

28,1

23

30,6

30

 

 

 

 

 

inkomensniveau

 

 

 

 

eerste quintiel

62,9

61,7

67,1

63,4

tweede quintiel

54,1

48,1

58,9

46,5

derde quintiel

47,4

43,8

50,8

48,1

vierde quintiel

38,1

31,3

39,9

39,4

vijfde quintiel

27,4

20,2

32,2

26

bron: *Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 311 en Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 111-112.

 

Ook op het vlak van borstkankerscreening vallen grote verschillen op: 40,5% van de laagopgeleide vrouwen tussen de 50 en 69 jaar had de laatste twee jaar geen mammografie laten uitvoeren versus 22,5% van de hoogopgeleide vrouwen.



Tabel 9
p:
Percentage van vrouwen (van 50 tot en met 69 jaar oud) dat aangeeft geen mammografie te hebben laten uitvoeren in de afgelopen 2 jaar naar opleidingsniveau, België, 2004

 

geen of lager onderwijs

lager middelbaar

hoger middelbaar

hoger onderwijs

totaal

2004

40,5

29,5

28,8

22,5

29,0

bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 251.

 

Socio-economische verschillen kunnen ook vastgesteld worden met betrekking tot het gemiddeld aantal contacten met de huisarts: er kan duidelijk vastgesteld worden dat hoe lager het opleidingsniveau is, hoe hoger het gemiddeld aantal contacten met de huisarts is. Ook met betrekking tot het soort contact met de huisarts (huisbezoek versus bezoek aan de praktijk) valt op dat, naarmate het opleidingsniveau lager is, het aandeel van huisbezoeken stijgt: bij personen met enkel een diploma lager onderwijs of geen diploma is 52% van de contacten een huisbezoek, bij personen met een opleiding lager secundair gaat het om 38% van de contacten, bij diegenen met een diploma hoger secundair om 24% en bij de hoogst opgeleiden om 18% van de contacten. Tenslotte kan ook worden opgemerkt dat het percentage contacten op initiatief van de huisarts stijgt naarmate het opleidingsniveau daalt. Bij de hoogst opgeleiden gaat het om 10% van de contacten, bij de personen met enkel een diploma lager onderwijs of geen diploma om 33% van de contacten.
Ook in verband met contacten met een specialist worden socio-economische verschillen onderkend: het percentage contacten op initiatief van de patiënt zelf is het hoogst bij de hoogst opgeleiden (64%), lager bij personen die hoogstens een diploma hoger secundair (50%) of lager secundair (52%) hebben, en het laagst bij personen die geen diploma hebben of hoogstens een diploma lager onderwijs (39%) (bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 71).


In België beschikt nagenoeg iedereen over een gezondheidszorgverzekering (dekkingsgraad van meer dan 99%) en worden er bijzondere inspanningen gedaan om de terugbetaling te verbeteren voor kwetsbare groepen. Toch leefde in 2004 ongeveer 10% van de bevolking in huishoudens waar een of meerdere personen in de loop van het afgelopen jaar gezondheidszorgen heeft moeten uitstellen of schrappen om financiële redenen. Men vindt hierbij grote verschillen naargelang het opleidingsniveau en het inkomenBijzonder problematisch is de situatie van eenoudergezinnen, waarvan meer dan 28% aangeeft gezondheidszorgen te hebben uit- of afgesteld. Er zijn ook grote regionale verschillen, waarbij voornamelijk het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slecht scoort (bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004).


Tabel 9q:
Percentage mensen dat leeft in huishoudens waar de referentiepersoon en/of enig ander lid van het huishouden in het voorbije jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële redenen, volgens geslacht, leeftijd, opleidingsniveau, equivalent inkomen, huishoudtype en urbanisatiegraad, België en gewesten, 2004

België

Vlaams Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Waals Gewest

totaal

10,1

5,3

17,5

15,6

geslacht

man

8,8

4,6

17,4

14,3

vrouw

14,1

8,1

17,8

19,3

Leeftijdsgroep

15-24 jaar

8,5

3,0

18,3

3,7

25-34 jaar

11,3

5,7

13,8

18,6

35-44 jaar

13,1

7,7

21,4

20,6

45-54 jaar

10,5

4,1

23,5

16,2

55-64 jaar

9,3

4,4

19,2

14,6

65-74 jaar

7,4

4,4

12,0

11,5

75 jaar en +

3,9

1,9

9,2

5,6

opleidingsniveau

Lager of geen diploma

16,5

12,8

28,6

19,4

Lager middelbaar

10,8

6,1

20,5

14,9

Hoger middelbaar

9,7

4,5

19,5

16,3

Hoger onderwijs

6,8

2,4

11,4

12,8

equivalent inkomen

<750 €

18,7

8,4

31,6

24,2

750 - 1.000 €

19,7

9,6

25,4

29,0

1.000 - 1.500 €

11,5

7,9

17,9

14,7

1.500 - 2.500 €

11,3

6,7

13,9

17,8

>2.500 €

2,5

0,6

8,7

4,9

huishoudtype

Alleenstaande

11,0

6,1

15,6

15,0

Eenoudergezin

28,6

26,0

30,0

30,8

Koppel zonder kinderen

6,0

3,3

12,6

10,3

Koppel met kinderen

10,7

5,2

22,7

18,8

Ander huishouden

7,6

0,5

16,5

12,8

urbanisatiegraad

Stedelijk gebied

13,8

8,1

-

17,8

Halfstedelijk gebied

9,1

4,2

-

20,2

Landelijk gebied

6,8

4,6

-

9,6

bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 32, 35, 38 en 41

 

In dit verband is het interessant de analyses van het Observatoire du Crédit et de l'Endettement te bekijken. Dit Observatorium analyseert sinds zijn oprichting zowel de aard en het niveau van de overmatige schuldenlast als de sociaal-economische kenmerken van een steekproef van personen met financiële moeilijkheden die zich wenden tot schuldbemiddelingsdiensten die erkend zijn door het Waalse Gewest. Uit de gegevens van de laatste 10 jaar (van 1995 tot 2003) blijkt dat de frequentie van de gezondheidszorgschulden sinds 1994 sterk gestegen is, nl. van 25% in 1994 tot 51% in 2003. Het verschuldigd bedrag is eveneens sterk gestegen: gemiddeld 836,22€ in 1994 tegenover 1.045,39€ in 2003 (+25%). Behalve deze cijfers kan men ook aannemen dat een groeiend aantal personen zich wegens een gebrek aan financiële middelen niet meer verzorgt (bron: Observatoire du Crédit et de l'Endettement (2004), Krediet en schuldenlast van gezinnen. Het Observatoire bestaat 10 jaar, p. 13).

 

Een recente studie van de Christelijke Mutualiteit bewijst dat er uitgesproken ongelijkheden bestaan op het vlak van gezondheid. Uit de resultaten blijkt onder meer dat mensen uit de zwakste sociale klasse (in vergelijking met mensen uit de hoogste klasse):

bullet

45 procent meer kans hebben om binnen het jaar te overlijden;

bullet

55 procent meer risico lopen om minstens dertig dagen arbeidsongeschikt te zijn en zelfs 66 procent meer risico lopen om invalide te worden;

bullet

tweemaal meer risico lopen om in een psychiatrische instelling of in de (neuro)psychiatrische dienst van een algemeen ziekenhuis te worden opgenomen;

bullet

36 procent minder gebruik maken van preventieve tandzorg (voor minderjarigen);

bullet

64 procent meer risico lopen om een forfait aangerekend te krijgen voor verzorging in een spoeddienst;

bullet

15 procent meer kans hebben op een chronische longaandoening;

bullet

16 procent meer kans hebben op een hartaandoening.

 



Laatste aanpassing: 27/01/09