|
|
|
Levens- |
Levens- |
Levens- |
Levens- |
Levens- |
Levens- |
|
Vrouwen |
14,5 |
2,8 |
17 |
3 |
15,6 |
2,7 |
|
mannen |
15,5 |
5,2 |
14,1 |
4,7 |
17,8 |
6,2 |
bron: Volkstelling/Rijksregister/Gezondheidsenquête -WIV zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 99
Cijfers in verband met kindersterfte
naargelang de socio-professionele categorie van de vader geven aan dat er
een omgekeerd verband is tussen beide variabelen: hoe lager de
socio-professionele categorie van de vader, hoe hoger de kindersterfte.
De verschillen worden wel minder
belangrijk doorheen de tijd. Analyses met
betrekking tot het Vlaams en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
op basis van recentere data wijzen toch op het blijvend belang van
socio-economische
status van de ouders op de kindersterfte (bron:
Belgisch strategisch verslag inzake sociale bescherming en sociale
inclusie 2006-2008).
Bovendien blijkt er een verband te bestaan tussen het goede verloop van
zwangerschappen en de scholingsgraad: laaggeschoolde zwangere vrouwen
hebben bijna vier keer meer kans op babysterfte dan hoger geschoolde
vrouwen. Daarnaast hebben ze een dubbel zo groot risico op een
vroeggeboorte, een laag geboortegewicht of een misvormde baby (bron: Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx
Danielle (red.) (2003), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2003).
Tabel 9b: Kindersterfte naar socio-professionele categorie van de
vader (gehuwde koppels - per 1000 levend en
doodgeborenen), België
|
|
1980-1984 |
1985-1989 |
1990-1994 |
|
Mortinataliteit |
|
|
|
|
Categorie 1 |
4,91 |
4 |
3,16 |
|
Categorie 2 |
6,21 |
5,28 |
3,99 |
|
Categorie 3 |
7,51 |
5,88 |
4,82 |
|
Categorie 4 |
9,41 |
8,22 |
6,21 |
|
|
|
|
|
|
Kindersterfte binnen de 0-6 verstreken dagen |
|
|
|
|
Categorie 1 |
4,49 |
3,26 |
2,57 |
|
Categorie 2 |
5,22 |
3,9 |
3,02 |
|
Categorie 3 |
6 |
4,24 |
3,2 |
|
Categorie 4 |
6,58 |
4,98 |
3,94 |
|
|
|
|
|
|
Kindersterfte binnen de 7-364 verstreken dagen |
|
|
|
|
Categorie 1 |
4,19 |
4,12 |
2,84 |
|
Categorie 2 |
4,83 |
4,62 |
4,09 |
|
Categorie 3 |
5,55 |
5,36 |
4,6 |
|
Categorie 4 |
7,09 |
6,19 |
5,41 |
Categorie 1: vrije, medische, paramedische en soortgelijke
beroepen
Categorie 2: onderwijzend personeel en administratieve beroepen
Categorie 3: geschoolde arbeiders, handwerkers en handelaars
Categorie 4: gespecialiseerde arbeiders, handlangers e.d.
bron: Masuy-Stroobant
Godelieve, Gourbin
Catherine, Masuy
Bernard (2001),
Gezondheid, foetale sterfte en kindersterfte: Evolutie van de risicofactoren op
regionaal niveau van 1980 tot 1994, in: Statistische studiën nr. 107
zoals opgenomen in NAPIncl
2006-2008,
Indicatoren, p.
100-101
Recente cijfers (verzameld door het
Vlaams
Agentschap Zorg en Gezondheid) tonen een gelijkaardige tendens.
Kinderen van zelfstandigen, vrije beroepen en bedienden hebben minder kans
om te overlijden voor de eerste verjaardag. Kinderen van arbeidsters hebben een verhoogd overlijdensrisico. Ook indien de moeder geen
beroep heeft, is de kans op een overlijden significant verhoogd t.o.v.
moeders met een bediendenstatuut. Bovendien hebben ouders met een diploma
hoger onderwijs een kleinere kans om hun kind te verliezen in vergelijking
met vaders en moeders met een lage opleiding:
meer info.
Als we kijken naar het percentage van de bevolking (16
jaar en ouder) dat zijn gezondheid als slecht of zeer slecht beschouwt,
dan valt het grote verschil op naargelang het inkomens-
en opleidingsniveau.
14%
van de bevolking onder de armoedegrens
heeft het gevoelen dat zijn gezondheid slecht tot
zeer slecht is
t.o.v. 7,8% van de bevolking
boven de armoedegrens
(bron:
FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en
Economische Informatie (2006),
Resultaten EU-SILC
2004).
45% van de personen zonder diploma of met slechts een diploma lager onderwijs geeft
een slechte (subjectieve) gezondheid aan. Deze proportie daalt
daaropvolgend bij de hogere opleidingsniveaus om uiteindelijk nog 14% te
bedragen bij diegenen met een diploma hoger onderwijs (bron: Wetenschappelijk Instituut voor
Volksgezondheid,
Afdeling Epidemiologie (2006),
Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004).
Tabel 9c:
Percentage van de bevolking dat de eigen gezondheid als
slecht tot zeer slecht beoordeeld (autoevaluatie), onder en boven de armoedegrens,
België,
2004.
|
2004 |
Totaal |
Onder de armoedegrens |
Boven de armoedegrens |
|
Slechte tot zeer slechte gezondheid (autoevaluatie) |
8,7 |
14 |
7,8 |
bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Persbericht EU-SILC 2004
Tabel 9d: Percentage van de bevolking (van 15 jaar en ouder) volgens de subjectieve gezondheidstoestand naar opleidingsniveau, 2004
|
Opleidingsniveau |
Goed tot zeer goed |
Zeer slecht tot redelijk |
|
Lager of geen diploma |
55,1 |
44,9 |
|
Lager middelbaar |
69,5 |
30,5 |
|
Hoger middelbaar |
79,5 |
20,5 |
|
Hoger onderwijs |
86,4 |
13,6 |
|
Totaal |
77,0 |
23,0 |
bron: Wetenschappelijk Instituut voor
Volksgezondheid,
Afdeling Epidemiologie (2006),
Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 27.
Inzake de psychische gezondheid werd bij
8%
van de bevolking van 15 jaar en ouder een depressie
vastgesteld.
Depressies komen gevoelig meer voor bij vrouwen
(10%
versus 6%
mannen), zieken/invaliden
(38%), werklozen (12%), lage inkomens en laagopgeleiden.
Tabel 9e:
Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief
gekwalificeerd wordt op basis van de SCL-90-R subschaal voor depressie
naar geslacht, activiteitsstatus en
inkomensniveau, België
en gewesten, 2004
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
7,9 |
10,4 |
7,4 |
9,7 |
|
man |
5,7 |
7,3 |
5,7 |
6,6 |
|
vrouw |
9,9 |
12,9 |
9 |
12,5 |
|
|
|
|
|
|
|
activiteitsstatus |
|
|
|
|
|
werkend |
5,3 |
6,6 |
4,8 |
6 |
|
werkloos |
12,1 |
14 |
8 |
16,8 |
|
gepensioneerd |
10 |
13,3 |
9,7 |
12,3 |
|
ziek/invalide |
38,2 |
31,5 |
34,4 |
38,1 |
|
andere inactieve |
6,5 |
9,3 |
5 |
8,3 |
|
|
|
|
|
|
|
inkomensniveau |
|
|
|
|
|
eerste quintiel |
17,9 |
19,4 |
14,8 |
20,3 |
|
tweede quintiel |
12,2 |
9,6 |
11,3 |
14,5 |
|
derde quintiel |
7,5 |
9,8 |
7 |
8 |
|
vierde quintiel |
7,9 |
8,6 |
8 |
8,4 |
|
vijfde quintiel |
4,7 |
6,3 |
5,1 |
5,9 |
bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 104-105
Tabel 9f: Percentage van de bevolking van 15 jaar en ouder dat als depressief gekwalificeerd wordt op basis van de SCL-90-R subschaal voor depressie naar opleidingsniveau, België, 2004
|
|
geen of lager onderwijs |
lager middelbaar |
hoger middelbaar |
hoger onderwijs |
totaal |
|
2004 |
13,4 |
10,3 |
7,4 |
5,1 |
7,9 |
bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 249
Ook met betrekking tot chronische ziekten zijn er verschillen: 50,3% van de personen met maximaal een diploma lager onderwijs kampt met minstens één of meer chronische ziekten waar dit bij personen met een diploma hoger onderwijs bijna 22% bedraagt (bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 116).
Tabel 9g: Percentage van de bevolking met
minstens één of meerdere chronische ziekten volgens opleidingsniveau,
België, 2004
|
|
geen of lager onderwijs |
lager middelbaar |
hoger middelbaar |
hoger onderwijs |
totaal |
|
2004 |
50,3 |
37,4 |
28 |
21,9 |
30,1 |
bron:
Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid,
Afdeling Epidemiologie (2006),
Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 116
Van de Belgische bevolking van 16 jaar en ouder is ongeveer 10% in hun dagelijkse activiteiten ernstig gehinderd door ziekte, aandoeningen of handicap. Er is een merkbaar verschil naargelang het inkomensniveau en geslacht (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Resultaten EU-SILC 2004 en NAPincl 2006-2008, Indicatoren).
Tabel 9h: Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een langdurig gezondheidsprobleem of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de activiteiten naar geslacht en inkomensniveau, België en gewesten, 2004.
|
|
België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
10,1 |
8,6 |
12,5 |
|
man |
8,6 |
7,4 |
10,2 |
|
vrouw |
11,1 |
9,7 |
14,6 |
|
|
|
|
|
|
inkomensniveau |
|
|
|
|
eerste quintiel |
15,7 |
14,8 |
16,7 |
|
tweede quintiel |
13,5 |
11,6 |
16,6 |
|
derde quintiel |
10,4 |
9,4 |
11,7 |
|
vierde quintiel |
6 |
4,8 |
9 |
|
vijfde quintiel |
5 |
4,4 |
6,9 |
bron: EU-SILC 2004 - FOD Sociale Zekerheid zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 106-107
Tabel 9i: Percentage personen van 16 jaar en ouder dat vanwege ziekte, een
langdurig gezondheidsprobleem
of handicap gedurende de laatste 6 maanden gehinderd werd in de
activiteiten,
onder en boven de armoedegrens, België,
2004.
|
2004 |
Totaal |
Onder de armoedegrens |
Boven de armoedegrens |
|
Lijdt aan een handicap, langdurige ziekte of aandoening en is gelimiteerd in zijn dagdagelijkse activiteiten. |
10,1 |
15,2 |
9,2 |
bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Persbericht EU-SILC 2004
Er bestaat een verband tussen armoede en de incidentie van
tuberculose. De kans besmet te raken met TBC en actieve TBC te ontwikkelen
is effectief gelieerd met ondervoeding, met overbewoning, met gebrekkige
luchtverversing en met slechte sanitaire voorzieningen. Armoede kan ook
een efficiënte en effectieve behandeling van de ziekte in de weg staan
(gebrekkige toegang tot informatie en behandeling). Ruimtelijk is er ook
een correlatie met urbanisatie. De incidentie is geconcentreerd bij
specifieke risicogroepen, zoals asielzoekers en daklozen. In 2005
werden
voor België 11
gevallen van TBC vastgesteld per 100.000 inwoners
(in 2004 11,8/100.000). Bij
de Belgen is dit 5,9
per 100.000, bij de niet-Belgen
66,7
per 100.000. De
incidentie daalt heel sterk bij deze laatste groep (45,4/100.000) wanneer
de asielzoekers buiten
beschouwing worden gelaten.
In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest ligt het aantal
nieuwe TBC-gevallen (34,1/100.000)
veel hoger dan in Vlaanderen
(8,3/100.000)
en Wallonië (8,8/100.000). De incidentie concentreert
zich vooral in de grote steden zoals Brussel
(34,1/100.000), Antwerpen
(23,4/100.000), Luik
(21,6/100.000) en Charleroi
(17,4/100.000) (bron: Fonds
des Affections Respiratoires (FARES) (2007),
Registre belge de la tuberculose 2005,
p. 12-24.)
Tabel 9j: Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners, België en gewesten, 1995-2005
|
|
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
|
België |
13,6 |
13,3 |
12,7 |
11,8 |
12,4 |
12,8 |
12,9 |
12,7 |
10,9 |
11,8 |
11 |
|
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
34,9 |
37,4 |
36,5 |
32,5 |
32,0 |
38,2 |
36,7 |
42,6 |
36,1 |
34,2 |
34,1 |
|
Vlaams Gewest |
10,7 |
10,4 |
9,4 |
9,2 |
9,2 |
9,6 |
10,2 |
9,4 |
7,6 |
9,4 |
8,3 |
|
Waals Gewest |
12,6 |
11,6 |
11,7 |
10,5 |
12,6 |
11,3 |
12,8 |
9,8 |
9,4 |
9,4 |
8,8 |
bron: Administratieve data - VRGT/FARES zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 108 en Fonds des Affections Respiratoires (FARES) (2007), Registre belge de la tuberculose 2005, p. 12
Tabel 9k: Nieuwe gevallen van TBC per 100.000 inwoners naar nationaliteit, België, 1995-2005
|
|
1995 |
1996 |
1997 |
1998 |
1999 |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
|
Totaal |
13,6 |
13,3 |
12,7 |
11,8 |
12,4 |
12,8 |
12,9 |
12,7 |
10,9 |
11,8 |
11 |
|
Belgen |
10 |
9,7 |
9,4 |
8,3 |
8,7 |
8,1 |
7,6 |
6,8 |
5,5 |
6,1 |
5,9 |
|
Niet Belgen |
50 |
47,4 |
46,1 |
47,3 |
51,7 |
61,9 |
70,7 |
78,1 |
71,5 |
75,4 |
66,7 |
|
Niet Belgen uit hoge incidentie landen |
110,3 |
113,9 |
105,3 |
111,1 |
135,1 |
162,2 |
190,2 |
234,4 |
216,3 |
227,7 |
205 |
bron: Administratieve data - VRGT/FARES zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 108 en Fonds des Affections Respiratoires (FARES) (2007), Registre belge de la tuberculose 2005, p. 23
Risicofactoren m.b.t. leefstijl en voedingsgewoonten
vormen een gedeeltelijke verklaring voor de vastgestelde
gezondheidsverschillen. Voornamelijk zwaarlijvigheid en roken zijn hierbij
gedocumenteerd als meer voorkomend bij laagopgeleiden: zwaarlijvigheid
komt bij deze groep voor
in 19,7% versus
6,4% bij hoogopgeleiden.
Als we het inkomensniveau bekijken, dan valt
op dat bijna dubbel zoveel mensen uit de laagste inkomensklasse
zwaarlijvig zijn dan mensen uit de hoogste inkomensklasse (16,6% versus
8,5%).
Bij de minder hoog opgeleide bevolkingsgroepen blijft het gebruik van tabak populair. In deze bevolkingsgroep kunnen meer rokers, meer dagelijkse rokers en meer zware rokers (meer dan 20 sigaretten per dag) teruggevonden worden. De leeftijd waarop met roken wordt begonnen ligt lager dan bij de overige bevolkingsgroepen, het gemiddeld aantal gerookte sigaretten ligt er hoger en de tabaksafhankelijkheid is er een meer frequent probleem. Meer dan 13% van de mensen met een lage opleiding zijn zware rokers versus bijna 6% bij de hoogopgeleiden. Zware rokers komen dubbel zovaak voor in de laagste inkomenscategorie in vergelijking met de hoogste inkomens.
Tabel 9l: Prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI 30+) bij de volwassen
bevolking (18 jaar en ouder) naar opleidingsniveau, België
en gewesten, 2004
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
12,6 |
11,8 |
11,1 |
15,3 |
|
Laag |
19,7 |
17,5 |
16,4 |
22,8 |
|
Midden |
10,6 |
9,6 |
9,4 |
13,3 |
|
Hoog |
6,4 |
6,9 |
5,7 |
8,6 |
bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 94
Tabel 9m: Prevalentie van zwaarlijvigheid (BMI 30+) onder de volwassen bevolking (18 jaar en ouder) naar inkomensniveau, België, 2004
|
Eerste quintiel |
Tweede quintiel |
Derde quintiel |
Vierde quintiel |
Vijfde quintiel |
|
16,6 |
16,2 |
14,2 |
12,7 |
8,5 |
bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 94
Tabel 9n: Percentage zware rokers (20 sigaretten of
meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder) naar opleidingsniveau
en inkomensniveau,
België en gewesten, 2004
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
10,2 |
9,5 |
8,4 |
12 |
|
|
|
|
|
|
|
opleidingsniveau |
|
|
|
|
|
laag |
13,4 |
12,9 |
8,7 |
16,4 |
|
midden |
11,2 |
9,4 |
10,8 |
13,1 |
|
hoog |
5,8 |
6,9 |
5,3 |
5,9 |
|
|
|
|
|
|
|
inkomensniveau |
|
|
|
|
|
eerste quintiel |
15,8 |
13,8 |
8 |
23,3 |
|
tweede quintiel |
11,8 |
9,7 |
8,7 |
16,1 |
|
derde quintiel |
10,5 |
9,1 |
10,2 |
9,4 |
|
vierde quintiel |
10,6 |
9,3 |
9,6 |
10,5 |
|
vijfde quintiel |
7,6 |
6,5 |
6,4 |
10,8 |
bron: Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 95
Op het vlak van de toegang tot de gezondheidszorgen zijn grote socio-economische verschillen op te merken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het laten uitvoeren van een baarmoederhalsuitstrijkje om vroegtijdig kanker op te sporen: 55,7% van de vrouwen met een lage opleiding hadden dit in de voorbije drie jaar niet laten doen tegenover 28,1% in de hoge opleidingsgroep. Bijna 63% van de vrouwen uit de laagste inkomenscategorie had geen uitstrijkje laten uitvoeren tegenover 27,4% uit de hoogste inkomenscategorie. Het is opvallend dat Vlaamse vrouwen minder vaak een uitstrijkje laten nemen dan Brusselse en Waalse vrouwen.
Tabel 9o: Percentage vrouwen (15 jaar en ouder) dat
in de afgelopen drie jaar geen baarmoederhals-uitstrijkje liet uitvoeren
naar opleidingsniveau en inkomensniveau, België
en gewesten,
2004
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal* |
41,4 |
|
|
|
|
opleidingsniveau |
|
|
|
|
|
laag |
55,7 |
57,6 |
62,1 |
50 |
|
midden |
39,3 |
40,8 |
39,9 |
37,3 |
|
hoog |
28,1 |
23 |
30,6 |
30 |
|
|
|
|
|
|
|
inkomensniveau |
|
|
|
|
|
eerste quintiel |
62,9 |
61,7 |
67,1 |
63,4 |
|
tweede quintiel |
54,1 |
48,1 |
58,9 |
46,5 |
|
derde quintiel |
47,4 |
43,8 |
50,8 |
48,1 |
|
vierde quintiel |
38,1 |
31,3 |
39,9 |
39,4 |
|
vijfde quintiel |
27,4 |
20,2 |
32,2 |
26 |
bron: *Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 311 en Gezondheidsenquête 2004 - WIV zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008: Indicatoren, p. 111-112.
Ook op het vlak van borstkankerscreening vallen grote verschillen op: 40,5% van de laagopgeleide vrouwen tussen de 50 en 69 jaar had de laatste twee jaar geen mammografie laten uitvoeren versus 22,5% van de hoogopgeleide vrouwen.
Tabel 9p: Percentage van vrouwen (van 50 tot en
met 69 jaar oud) dat aangeeft geen mammografie te hebben laten uitvoeren
in de afgelopen 2 jaar naar
opleidingsniveau, België, 2004
|
|
geen of lager onderwijs |
lager middelbaar |
hoger middelbaar |
hoger onderwijs |
totaal |
|
2004 |
40,5 |
29,5 |
28,8 |
22,5 |
29,0 |
bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 251.
Socio-economische verschillen kunnen ook
vastgesteld worden met betrekking tot het gemiddeld aantal
contacten met de huisarts: er kan duidelijk vastgesteld worden dat
hoe lager het opleidingsniveau is, hoe hoger het
gemiddeld aantal contacten met de huisarts is. Ook met betrekking tot het
soort contact met de huisarts (huisbezoek versus
bezoek aan de praktijk) valt op dat, naarmate het opleidingsniveau lager
is, het aandeel van huisbezoeken stijgt: bij
personen met enkel een diploma lager onderwijs of geen diploma is 52%
van de contacten een huisbezoek, bij personen met een opleiding lager
secundair gaat het om 38% van de contacten, bij
diegenen met een diploma hoger secundair om 24% en bij de hoogst
opgeleiden om 18% van de contacten. Tenslotte
kan ook worden opgemerkt dat het percentage
contacten op initiatief van de huisarts stijgt
naarmate het opleidingsniveau daalt. Bij de hoogst opgeleiden gaat het om
10% van de contacten, bij de personen met enkel
een diploma lager onderwijs of geen diploma om 33% van de
contacten.
Ook in verband met contacten met een specialist
worden socio-economische
verschillen onderkend: het percentage
contacten op initiatief van de patiënt zelf is
het hoogst bij de hoogst opgeleiden (64%), lager bij personen die
hoogstens een diploma hoger secundair (50%) of
lager secundair (52%) hebben, en het laagst bij personen die geen
diploma hebben of hoogstens een diploma lager onderwijs (39%)
(bron:
Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid,
Afdeling Epidemiologie (2006),
Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004,
p. 71).
In België beschikt nagenoeg iedereen over een gezondheidszorgverzekering
(dekkingsgraad van meer dan 99%) en worden er bijzondere inspanningen
gedaan om de terugbetaling te verbeteren voor kwetsbare groepen. Toch
leefde in 2004 ongeveer
10% van de bevolking in huishoudens waar een of
meerdere personen in de loop van het afgelopen jaar gezondheidszorgen
heeft moeten uitstellen of schrappen om financiële redenen. Men vindt
hierbij grote verschillen naargelang het opleidingsniveau en het inkomen. Bijzonder
problematisch is de situatie van eenoudergezinnen, waarvan meer dan 28%
aangeeft gezondheidszorgen te hebben uit- of afgesteld. Er zijn ook grote
regionale verschillen, waarbij voornamelijk het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest slecht scoort (bron:
Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid,
Afdeling Epidemiologie (2006),
Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004).
Tabel 9q: Percentage mensen dat leeft in huishoudens waar de
referentiepersoon en/of enig ander lid van het huishouden in het voorbije
jaar gezondheidszorgen heeft moeten uit- of afstellen om financiële
redenen,
volgens geslacht,
leeftijd,
opleidingsniveau, equivalent inkomen, huishoudtype en urbanisatiegraad,
België en gewesten, 2004
|
België |
Vlaams Gewest |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Waals Gewest |
|
|
totaal |
10,1 |
5,3 |
17,5 |
15,6 |
|
geslacht |
||||
|
man |
8,8 |
4,6 |
17,4 |
14,3 |
|
vrouw |
14,1 |
8,1 |
17,8 |
19,3 |
|
Leeftijdsgroep |
||||
|
15-24 jaar |
8,5 |
3,0 |
18,3 |
3,7 |
|
25-34 jaar |
11,3 |
5,7 |
13,8 |
18,6 |
|
35-44 jaar |
13,1 |
7,7 |
21,4 |
20,6 |
|
45-54 jaar |
10,5 |
4,1 |
23,5 |
16,2 |
|
55-64 jaar |
9,3 |
4,4 |
19,2 |
14,6 |
|
65-74 jaar |
7,4 |
4,4 |
12,0 |
11,5 |
|
75 jaar en + |
3,9 |
1,9 |
9,2 |
5,6 |
|
opleidingsniveau |
||||
|
Lager of geen diploma |
16,5 |
12,8 |
28,6 |
19,4 |
|
Lager middelbaar |
10,8 |
6,1 |
20,5 |
14,9 |
|
Hoger middelbaar |
9,7 |
4,5 |
19,5 |
16,3 |
|
Hoger onderwijs |
6,8 |
2,4 |
11,4 |
12,8 |
|
equivalent inkomen |
||||
|
<750 € |
18,7 |
8,4 |
31,6 |
24,2 |
|
750 - 1.000 € |
19,7 |
9,6 |
25,4 |
29,0 |
|
1.000 - 1.500 € |
11,5 |
7,9 |
17,9 |
14,7 |
|
1.500 - 2.500 € |
11,3 |
6,7 |
13,9 |
17,8 |
|
>2.500 € |
2,5 |
0,6 |
8,7 |
4,9 |
|
huishoudtype |
||||
|
Alleenstaande |
11,0 |
6,1 |
15,6 |
15,0 |
|
Eenoudergezin |
28,6 |
26,0 |
30,0 |
30,8 |
|
Koppel zonder kinderen |
6,0 |
3,3 |
12,6 |
10,3 |
|
Koppel met kinderen |
10,7 |
5,2 |
22,7 |
18,8 |
|
Ander huishouden |
7,6 |
0,5 |
16,5 |
12,8 |
|
urbanisatiegraad |
||||
|
Stedelijk gebied |
13,8 |
8,1 |
- |
17,8 |
|
Halfstedelijk gebied |
9,1 |
4,2 |
- |
20,2 |
|
Landelijk gebied |
6,8 |
4,6 |
- |
9,6 |
bron: Wetenschappelijk Instituut voor Volksgezondheid, Afdeling Epidemiologie (2006), Gezondheidsenquête door middel van Interview, België, 2004, p. 32, 35, 38 en 41
In dit verband is het interessant de analyses van het Observatoire du Crédit et de l'Endettement te bekijken. Dit Observatorium analyseert sinds zijn oprichting zowel de aard en het niveau van de overmatige schuldenlast als de sociaal-economische kenmerken van een steekproef van personen met financiële moeilijkheden die zich wenden tot schuldbemiddelingsdiensten die erkend zijn door het Waalse Gewest. Uit de gegevens van de laatste 10 jaar (van 1995 tot 2003) blijkt dat de frequentie van de gezondheidszorgschulden sinds 1994 sterk gestegen is, nl. van 25% in 1994 tot 51% in 2003. Het verschuldigd bedrag is eveneens sterk gestegen: gemiddeld 836,22€ in 1994 tegenover 1.045,39€ in 2003 (+25%). Behalve deze cijfers kan men ook aannemen dat een groeiend aantal personen zich wegens een gebrek aan financiële middelen niet meer verzorgt (bron: Observatoire du Crédit et de l'Endettement (2004), Krediet en schuldenlast van gezinnen. Het Observatoire bestaat 10 jaar, p. 13).
Een recente studie van de Christelijke Mutualiteit bewijst dat er uitgesproken ongelijkheden bestaan op het vlak van gezondheid. Uit de resultaten blijkt onder meer dat mensen uit de zwakste sociale klasse (in vergelijking met mensen uit de hoogste klasse):
|
|
45 procent meer kans hebben om binnen het jaar te overlijden; |
|
|
55 procent meer risico lopen om minstens dertig dagen arbeidsongeschikt te zijn en zelfs 66 procent meer risico lopen om invalide te worden; |
|
|
tweemaal meer risico lopen om in een psychiatrische instelling of in de (neuro)psychiatrische dienst van een algemeen ziekenhuis te worden opgenomen; |
|
|
36 procent minder gebruik maken van preventieve tandzorg (voor minderjarigen); |
|
|
64 procent meer risico lopen om een forfait aangerekend te krijgen voor verzorging in een spoeddienst; |
|
|
15 procent meer kans hebben op een chronische longaandoening; |
|
|
16 procent meer kans hebben op een hartaandoening. |