|
|
Opleidingsniveau |
1991 |
2001 |
|
Hoger |
52.68 |
55.03 |
|
Hoger middelbaar |
50.59 |
52.52 |
|
Lager middelbaar |
49.66 |
51.33 |
|
Lager |
47.84 |
49.29 |
|
Geen diploma |
47.45 |
47.56 |
|
Totaal |
49.15 |
51.38 |
Bron: Federaal Wetenschapsbeleid (2010), Gezondheidskloof tussen sociale groepen neemt toe, Persbericht 4 mei 2010.
Ook in de te verwachten gezonde levensjaren is de
ongelijkheid toegenomen. Een vrouw die geen onderwijs genoot, heeft in 2004
ruim 18 minder gezonde levensjaren te verwachten dan de hoogst geschoolde
vrouwen; in 1997 was dit 11,5 jaar.
Tabel 9b: Levensverwachting in goede gezondheid op 25 jaar bij vrouwen volgens opleidingsniveau, 1997 en 2004
|
Opleidingsniveau |
1997 |
2004 |
|
Hoger |
44.73 |
47.10 |
|
Hoger middelbaar |
43.41 |
41.27 |
|
Lager middelbaar |
40.88 |
42.01 |
|
Lager |
34.70 |
36.27 |
|
Geen diploma |
33.31 |
28.92 |
|
Totaal |
38.91 |
40.42 |
Bron: Federaal Wetenschapsbeleid (2010), Gezondheidskloof tussen sociale groepen neemt toe, Persbericht 4 mei 2010.
Ongelijkheden met betrekking tot
gezondheid treffen kinderen reeds voor de
geboorte en zetten zich verder tijdens de volledige ontwikkeling. Kinderen
die in armoede moeten leven, groeien op in
omstandigheden die hun fysieke en mentale
ontwikkeling in gevaar brengen (bron:
Kinderrechtencoalitie Vlaanderen vzw (2010),
Alternatief Rapport van de NGO’s over de toepassing van het Internationaal
Verdrag inzake de Rechten van het Kind in België). In Brussel hebben kinderen
die geboren worden in een huishouden zonder inkomen uit
arbeid 2 keer meer kans om dood geboren te worden of te sterven in
de eerste levensmaand dan kinderen in een huishouden met 2 inkomens. Het
verschil in foeto-infantiele mortaliteit tussen de armste en de meeste
welstellende sociale klassen is tussen de periodes 1998-2002 en 2003-2007
groter geworden. Deze stijging is voornamelijk het gevolg van de toename
van de doodgeboorten bij kinderen uit de armste gezinnen (bron:
Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad (2010),
Welzijnsbarometer. Brussels Armoederapport 2010). Onderzoek in
Vlaanderen wijst op een duidelijke overmaat van multipariteit bij moeders
met een lager opleidingsniveau, meer malformaties en meer perinatale en
foeto-infantiele sterfte. De onderzoekers besluiten: 'De toename van de
foetale sterfte (mors in utero) toont duidelijk dat het niet alleen om een
“information gap“ gaat (gebrek aan skills, hygiëne bij de verzorging van
de neonaat) maar dat de generatie armen grondiger “ biologisch” zijn
benadeeld. Carentiële factoren in utero werken verder doorheen de
generaties. Ze zijn ook voorbeschikkend naar latere pathologie (diabetes,
vaatziekten) en hypothekeren de hele levensverwachting. Deze
transgenerationele carenties kunnen vóór en tijdens de zwangerschap ook
niet meer worden “ingehaald”, door voedings- en vitaminesupplementen
bijvoorbeeld.' (bron: Cammu H. et al. (red.) (2010), Perinatale
activiteiten in Vlaanderen 2009. Brussel, Studiecentrum voor Perinatale
Epidemiologie (SPE), p. 81).
Wat betreft tieners
toont een internationaal, longitudinaal onderzoek van
Health Behaviour in School-aged Children
(HBSC) aan dat tussen jongeren ongelijkheden bestaan met betrekking
tot gezondheid die in verband kunnen worden gebracht met hun sociale
afkomst. Jongeren uit minder gegoede gezinnen schatten hun gezondheid
slechter in dan meer gegoede gezinnen en hebben ook meer
gezondheidsklachten.
Volgens de Gezondheidsenquête, België, 2008 is er een duidelijke samenhang tussen opleidingsniveau en subjectieve gezondheid: lager opgeleiden geven vaker aan in slechte gezondheid te zijn dan hoger opgeleiden. Deze sociale ongelijkheid wijzigt niet doorheen de tijd (1997 tot 2008). Inzake chronische aandoeningen rapporteren lager geschoolden relatief meer chronische aandoeningen dan hoger geschoolden. Sociale ongelijkheden in de prevalentie van chronische aandoeningen werden al in de eerste gezondheidsenquête van 1997 vastgesteld en worden bevestigd in alle daaropvolgende enquêtes. Langdurige beperkingen komen meer voor bij lager dan bij hoger geschoolden en laag geschoolden worden ook meer door functionele beperkingen getroffen dan hoog geschoolden. Naarmate het opleidingsniveau daalt, stijgt de proportie mensen dat pijn lijdt. Het risico op het melden van pijn is twee maal zo groot bij de laagst opgeleiden in vergelijking met de hoogst opgeleiden. Het psychisch onwelbevinden is min of meer gelijk gespreid over de verschillende opleidingsgroepen. Bij de laagst opgeleiden wordt het hoogste percentage van mensen teruggevonden dat een psychisch onwelbevinden rapporteert (29,4%). Er is wel niet echt sprake van een sociale gradiënt bij de bevolking vermits het percentage mensen dat een psychisch onwelbevinden rapporteert, niet eenduiding varieert volgens opleidingsniveau. Het gaat meer om kleine verschillen tussen de laagst en de hoogst opgeleiden. Zwaarlijvigheid is duidelijk sociaal gekleurd. Het risico op zwaarlijvigheid is 2,3 maal groter bij de laagst opgeleiden dan bij de hoogst opgeleiden. Er is een duidelijke gradiënt: bij hoger opleidingsniveau, daalt het relatief aantal personen dat aan zwaarlijvigheid lijdt. Sociale ongelijkheden in zwaarlijvigheid zijn zeer stabiel doorheen de tijd (bron: Demarest S., Drieskens S., Gisle L. e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport V - Sociaal-Economische Ongelijkheden in Gezondheid. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid).
Tabel 9c: Gezondheidsstatus: overzicht van ongelijkheden in gezondheid. België, Gezondheidsenquête 2008
|
Opleidingsniveau |
Geen lager |
Lager secundair |
Hoger secundair | Hoger | Relative Index of Inequality(*) |
| % | % | % | % | ||
| slechte subjectieve gezondheid | 42,7 | 31,1 | 22,1 | 14,3 | 3,3 |
| chronische aandoeningen (algemeen) | 44,2 | 40,3 | 25,1 | 20,4 | 1,7 |
| hoge bloeddruk | 24,5 | 19,7 | 12,4 | 7,7 | 1,7 |
| artrose | 29,7 | 20,2 | 11,4 | 7,7 | 1,9 |
| diabetes | 9,9 | 5,4 | 3,0 | 1,6 | 4,7 |
| allergie | 9,3 | 12,3 | 10,8 | 15,9 | 0,6 |
| langdurige beperkingen | 34,2 | 28,0 | 15,4 | 11,4 | 2,5 |
| functionele beperkingen | 44,3 | 31,9 | 19,0 | 16,4 | 2,4 |
| pijn | 42,3 | 34,8 | 28,5 | 21,4 | 2,0 |
| psychisch onwelbevinden | 29,4 | 26,7 | 24,7 | 25,5 | 1,1 |
| overgewicht | 58,9 | 57,7 | 54,3 | 50,8 | 1,6 |
| zwaarlijvigheid | 19,2 | 19,9 | 14,5 | 9,1 | 3,7 |
(*) Gebaseerd op resultaten gecorrigeerd voor leeftijd
en geslacht. Een waarde lager dan 1 wijst op een gunstigere situatie bij
de laagst opgeleiden, een waarde boven 1 wijst op een gunstigere situatie
bij de hoogst opgeleiden. Voor meer uitleg over de Relative Index of
Inequality verwijzen we naar het rapport van Demarest.
Bron: Demarest S., Drieskens S., Gisle L. e.a. (2010),
Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport V - Sociaal-Economische
Ongelijkheden in Gezondheid. Brussel, Wetenschappelijk Instituut
Volksgezondheid, p. 11.
Er bestaat een verband tussen armoede en de incidentie van
tuberculose. De kans besmet te raken met TBC en actieve TBC te ontwikkelen
is effectief gelieerd met ondervoeding, met overbewoning, met gebrekkige
luchtverversing en met slechte sanitaire voorzieningen. Armoede kan ook
een efficiënte en effectieve behandeling van de ziekte in de weg staan
(gebrekkige toegang tot informatie en behandeling). Ruimtelijk is er ook
een correlatie met urbanisatie. De incidentie is geconcentreerd bij
specifieke risicogroepen, zoals asielzoekers en daklozen.
In 2009 werd
aangifte gedaan van 1.020 patiënten, wat overeenkomt met een
tuberculose-incidentie (aantal nieuwe
tuberculosepatiënten per 100.000 inwoners per jaar)
van 9,6. Minder dan de helft van de patiënten
(48,6%) was van niet-Belgische nationaliteit (n=496 van een totaal van
1020). De proportie niet-Belgen daalde sinds lang onder de 50%. De
grootsteden Brussel, Luik, Antwerpen en Charleroi kampten met de hoogste tuberculose-incidenties. In 2009 waren 15,2% van de gemelde gevallen
asielzoekers of mensen zonder papieren, 2,2% waren gedetineerden, 1,7% dak-of thuislozen. De co-infectie TBC met HIV bestaat in
4,2% van de
gevallen (5,3% in Brussel)
(bron:
VRGT (2010),
Tuberculoseregister België
2009).
Risicofactoren m.b.t.
leefstijl en voedingsgewoonten
vormen een gedeeltelijke verklaring voor de vastgestelde
gezondheidsverschillen.
Voornamelijk zwaarlijvigheid en roken zijn hierbij gedocumenteerd als meer
voorkomend bij laagopgeleiden: zwaarlijvigheid komt bij deze groep
voor in 19,4% versus 9,2% bij hoogopgeleiden.
Bij de minder hoog opgeleide bevolkingsgroepen blijft het gebruik van tabak populair. In deze bevolkingsgroep kunnen meer rokers, meer dagelijkse rokers en meer zware rokers (meer dan 20 sigaretten per dag) teruggevonden worden. De leeftijd waarop met roken wordt begonnen ligt lager dan bij de overige bevolkingsgroepen, het gemiddeld aantal gerookte sigaretten ligt er hoger en de tabaksafhankelijkheid is er een meer frequent probleem. Er zijn minder zware rokers bij personen met een diploma hoger onderwijs (4%) dan in de andere opleidingsniveaus (9%-13%).
Tabel 9d:
Percentage van de volwassen bevolking (18 jaar
en ouder) met obesitas (BMI>=30) naar
opleidingsniveau, België en
gewesten, 2008
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
13,8 |
11,9 |
13,7 |
14,6 |
|
lager/geen diploma |
19,4 |
23,2 |
17,2 |
22,0 |
|
lager secundair |
20,1 |
12,2 |
22,7 |
17,8 |
| hoger secundair | 14,5 | 13,7 | 14,3 | 15,2 |
|
hoger onderwijs |
9,2 |
7,4 |
8,9 |
10,5 |
Bron: Van der Heyden J., Gisle L., Demarest S. e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport I - Gezondheidstoestand. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.
Tabel 9e: Percentage zware
rokers (20 sigaretten of meer per dag) in de bevolking (15 jaar en ouder)
naar opleidingsniveau,
België en gewesten,
2008
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
7,4 |
7,4 |
6,6 |
9,2 |
|
lager/geen diploma |
9,4 |
10,3 |
8,0 |
12,2 |
|
lager secundair |
12,7 |
15,5 |
11,4 |
14,4 |
|
hoger secundair |
8,6 |
6,8 |
8,0 |
10,1 |
|
hoger onderwijs |
4,0 |
4,8 |
3,5 |
5,0 |
Bron: Gisle L., Hesse E., Drieskens S. e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport II - Leefstijl en Preventie. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.
Op het vlak van de toegang tot de gezondheidszorgen zijn grote socio-economische verschillen op te merken. Dit is bijvoorbeeld het geval in het laten uitvoeren van een baarmoederhalsuitstrijkje om vroegtijdig kanker op te sporen: 27,7% van de vrouwen met een lage opleiding zeggen dit in de voorbije drie jaar gedaan te hebben tegenover 69,5% in de hoge opleidingsgroep. Het is opvallend dat Vlaamse vrouwen minder vaak een uitstrijkje laten nemen dan Brusselse en Waalse vrouwen.
Tabel 9f: Percentage vrouwen
(15 jaar en ouder) dat aangeeft in de afgelopen drie jaar
een baarmoederhals-uitstrijkje
te hebben laten uitvoeren naar opleidingsniveau, België
en gewesten, 2008
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
|
totaal |
58,2 |
64,6 |
55,0 |
62,7 |
|
lager/geen diploma |
27,7 |
37,7 |
23,0 |
34,7 |
|
lager secundair |
52,2 |
49,1 |
46,6 |
62,6 |
|
hoger secundair |
56,4 |
57,8 |
54,5 |
59,9 |
|
hoger onderwijs |
69,5 |
77,9 |
66,3 |
73,7 |
Bron: Gisle L., Hesse E., Drieskens S. e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport II - Leefstijl en Preventie. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.
Ook het percentage vrouwen dat aan vroegtijdige opsporing van borstkanker doet varieert met het opleidingsniveau: 66,9% van de laagopgeleide vrouwen tussen 50 en 69 jaar zegden in de laatste twee jaar geen mammografie te hebben gehad versus tot 78,8% van de hoogopgeleide vrouwen.
Tabel 9g:
Percentage van vrouwen (van 50 tot en met 69 jaar oud) dat aangeeft
een mammografie te hebben laten uitvoeren in de afgelopen 2 jaar
naar opleidingsniveau, België en gewesten, 2008
|
|
België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
| totaal | 72,7 | 69,5 | 71,6 | 76,1 |
| lager/geen diploma | 66,9 | 52,3 | 70,0 | 63,9 |
| lager secundair | 66,6 | 57,4 | 64,9 | 72,6 |
| hoger secundair | 71,3 | 59,0 | 69,3 | 78,8 |
|
hoger onderwijs |
78,8 |
81,2 |
78,7 |
78,4 |
Bron: Gisle L., Hesse E., Drieskens S. e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport II - Leefstijl en Preventie. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid.
Socio-economische verschillen kunnen ook
vastgesteld worden met betrekking tot het gemiddeld aantal
contacten met de huisarts: laaggeschoolden
melden meer huisartscontacten dan hoger opgeleiden en het gaat ook vaker
om opvolgcontacten of periodieke controles. Dit heeft deels te maken
met hun slechtere gezondheidstoestand. Ook zijn er socio-economische
verschillen in de aard van de nieuwe klachten waarvoor huisartsen
gecontacteerd worden: klachten in verband met het spijsverteringsstelsel
zijn vaker een reden om de huisarts te raadplegen bij laag opgeleiden,
respiratoire klachten frequenter bij hoogopgeleiden. Tenslotte is ook het
aantal huisbezoeken veel groter bij laagopgeleiden.
Ook in verband met contacten met een specialist
worden socio-economische
verschillen onderkend:
hoogopgeleiden contacteren vaker de specialist, doen dit vaker op
verwijzing van een andere specialist en minder vaak op verwijzing van de
huisarts en raadplegen ook meer een specialist zonder dat er een
specifieke klacht of gezondheidsprobleem is. Hoogopgeleide vrouwen
consulteren vaker een gynaecoloog dan laagopgeleide vrouwen.
Inzake het beroep doen op een tandarts, geldt
ook dat hoe hoger opgeleid, hoe meer beroep gedaan wordt op een tandarts.
Personen uit de hoogste opleidingscategorie gaan bijna twee keer zo vaak
naar de tandarts als de laagst geschoolden (bron: Drieskens S., Van der
Heyden J., Hesse E. e.a. (2010),
Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport III - Medische consumptie.
Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid).
In België beschikt nagenoeg iedereen over een gezondheidszorgverzekering
(dekkingsgraad van meer dan 99%) en worden er bijzondere inspanningen
gedaan om de terugbetaling te verbeteren voor kwetsbare groepen.
Toch moet een aantal personen gezondheidszorgen
uitstellen omwille van financiële redenen. Zo blijkt uit de resultaten van
de Gezondheidsenquête 2008 dat bij huishoudens behorend tot de laagste
opleidingscategorie 18,1% medische consumptie heeft moeten uitstellen, bij
huishoudens behorend tot de opleidingscategorie 'lager secundair' gaat het
om 17,6%, bij huishoudens behorend tot de opleidingscategorie 'hoger
secundair' om 13,4% en bij de hoogst opgeleiden om 9,4% van de
huishoudens. Uitstel van medische consumptie komt meer dan drie maal vaker
voor bij de laagst opgeleide huishoudens dan bij de hoogst opgeleide
huishoudens. Personen behorend tot de laagste opleidingscategorie doen
negen maal vaker een beroep op de diensten van het OCMW dan de hoogst
opgeleiden (bron: Demarest S., Drieskens S., Gisle L. e.a. (2010),
Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport V - Sociaal-Economische
Ongelijkheden in Gezondheid. Brussel, Wetenschappelijk Instituut
Volksgezondheid).
Tabel 9h geeft de evolutie weer van de uitgaven voor gezondheidszorgen en
het percentage van de huishoudens die gezondheidszorgen moeten uitstellen.
Het percentage huishoudens dat medische zorgen moet uitstellen is in 2008
significant toegenomen in vergelijking met 2004.
Tabel 9h: Samenvattende tabel voor toegankelijkheid van gezondheidszorgen
|
|
1997 |
2001 |
2004 |
2008 |
|
gemiddelde uitgaven gezondheidszorgen |
120€ |
125€ |
127€ |
125€ |
|
gemiddelde relatieve uitgaven gezondheidszorgen |
7% |
7% |
7% |
7% |
|
Percentage van de huishoudens... |
|
|
|
|
|
dat de eigen bijdragen voor gezondheidszorgen te hoog vindt |
33% |
30% |
30% |
35% |
|
dat medische zorgen moet uitstellen |
9% |
10% |
10% |
14% |
Bron: Gezondheidsenquête, België, 1997, 2001, 2004, 2008 zoals opgenomen in: Demarest S., Hesse E., Drieskens S., e.a. (2010), Gezondheidsenquête België, 2008. Rapport IV - Gezondheid en Samenleving. Brussel, Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid, p. 8.