|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| België | Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |||||
| Voor | Na | Voor | Na | Voor | Na | Voor | Na | |
| 1990 | 0,362 | 0,297 | 0,359 | 0,296 | 0,358 | 0,294 | 0,389 | 0,318 |
| 1995 | 0,365 | 0,297 | 0,362 | 0,296 | 0,362 | 0,294 | 0,387 | 0,312 |
| 1996 | 0,370 | 0,301 | 0,368 | 0,299 | 0,367 | 0,298 | 0,390 | 0,314 |
| 1997 | 0,373 | 0,304 | 0,371 | 0,304 | 0,369 | 0,300 | 0,395 | 0,319 |
| 1998 | 0,376 | 0,308 | 0,374 | 0,306 | 0,373 | 0,304 | 0,400 | 0,323 |
| 1999 | 0,383 | 0,312 | 0,380 | 0,311 | 0,382 | 0,310 | 0,404 | 0,326 |
| 2000 | 0,381 | 0,309 | 0,380 | 0,308 | 0,378 | 0,305 | 0,400 | 0,321 |
| 2001 | 0,392 | 0,319 | 0,390 | 0,318 | 0,387 | 0,315 | 0,412 | 0,333 |
| 2002 | 0,399 | 0,329 | 0,396 | 0,328 | 0,396 | 0,327 | 0,415 | 0,338 |
| 2003 | 0,407 | 0,340 | 0,409 | 0,343 | 0,399 | 0,333 | 0,418 | 0,343 |
| 2004 | 0,426 | 0,362 | 0,422 | 0,359 | 0,423 | 0,361 | 0,446 | 0,373 |
| 2005 | 0,427 | 0,364 | 0,424 | 0,361 | 0,425 | 0,363 | 0,449 | 0,376 |
bron: NIS, Financiële statistieken, geciteerd in: Deleeck (2001), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken (p. 309) (1990-1997) en berekeningen OASeS op basis van ADSEI, Levensstandaard (1998-2005) zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, Dierckx Danielle & Van Haarlem, An (red.) (2009), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009, Leuven: Acco, p. 330
In vergelijking met de andere Europese lidstaten
blijft de Belgische
ongelijkheid onder het
Europese gemiddelde. De Scandinavische landen
en enkele nieuwe
EU-lidstaten zoals Bulgarije, Slovenië en Tsjechië
scoren het best.
De Mediterrane
landen (voornamelijk Portugal),
Ierland, het Verenigd Koninkrijk en de nieuwe
EU-lidstaten Estland, Hongarije, Letland, Lithouwen, Polen en Roemenië
behalen de slechtste resultaten.
In vergelijking met het voorgaande jaar is de ongelijkheid in België in
2006 constant gebleven.
Tabel 2b: Inkomensongelijkheid gemeten door de Gini-coëfficiënt, België, Gewesten, EU-25 (in %), SILC 2004 (referentie inkomen 2003), SILC 2005 (inkomen 2004) en SILC 2006 (inkomen 2005)
|
* 0 = volledige gelijkheid, 100 = alle inkomen bij één persoon
Opmerking: Aangezien de
steekproef m.b.t. Brussel bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit
gewest niet betrouwbaar.
bron:
NAPincl
2008-2010:
indicatoren
Om een idee te krijgen over
hoe de welvaart gespreid is over de bevolking,
moeten we kijken naar de
inkomensquintielverhouding S80/S20.
Dit is de verhouding
van het totale inkomen
van de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste
quintiel) tot het
inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste
quintiel). In 2006
bedroeg de S80/S20 verhouding voor België 4,2,
een lichte stijging t.o.v. 2005. Dit
wil zeggen dat het totale inkomen dat verworven
wordt door de rijkste
20%
van de bevolking 4,2
keer groter
is dan
dat van de armste
20%.
De S80/S20 verhouding is dus enkel en alleen gevoelig
voor wijzigingen in de hoogste en laagste 20% van de inkomens.
In vergelijking met de Europese gemiddelden, behaalde
België een behoorlijk
resultaat. De Scandinavische landen en de nieuwe
EU-lidstaten Slovenië en Tsjechië scoorden
het best.
De Mediterrane
landen (vooral Portugal), Letland en
Lithouwen
behaalden
de slechtste resultaten.
Tabel 2c:
inkomensongelijkheid S80/S20-ratio, Belgie
en gewesten en EU-25,
SILC
2004
(inkomen 2003), SILC 2005 (inkomen 2004) en SILC
2006 (inkomen 2005)
|
Opmerking: Aangezien de steekproef m.b.t. Brussel
bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit gewest niet betrouwbaar.
bron:
NAPincl
2008-2010:
indicatoren
Een studie van
KBC Asset
Management toont aan dat de ongelijkheid tussen arm en rijk toeneemt. Volgens
deze studie is het gezamenlijk vermogen van de Belgische gezinnen in 2004
met maar liefst 6% gestegen, tot een recordbedrag van afgerond
1.300 miljard euro. Gemiddeld komt dat neer op een vermogen van zowat
130.000 euro aan vastgoed en spaargeld per Belg. Hierdoor behoren de
Belgen tot de rijkste inwoners van Europa. De stijging van het
gezinsvermogen is vooral toe te schrijven aan de gestegen vastgoedprijzen.
Het totale onroerende vermogen is in 2004 gestegen tot 674,5 miljard euro,
wat maar liefst 35% meer is dan in 2000. Het netto financiële
vermogen is goed voor 588,2 miljard euro.
Hoe de rijkdom verdeeld is over de Belgische bevolking werd in de studie
niet onderzocht, maar uit onderzoek in 1998 was al duidelijk geworden dat
30% van de Belgen 70% van het vermogen bezit.
Deze resultaten worden bevestigd door de
Investeringsbarometer (2007) van het onderzoeksbureau
GfK Worldwide. Bijna 1
op 3 Belgen heeft meer dan 50.000€ op de bank staan.
In Europa doen enkel de Zwitsers nipt beter.
Er is een
opmerkelijk verschil tussen Vlamingen en Walen: 37% van de Vlamingen heeft
minstens 50.000 €, tegenover
19% van de Walen.
Maar in vergelijking met het West-Europees gemiddelde
van 12% presteren zij meer dan behoorlijk. De zwakke broertjes zijn Spanje
met maar 5%, Duitsland met 6%, Oostenrijk met 10 % en Frankrijk en Italië
met elk 11 %. Hoewel de
drempel voor de nieuwe lidstaten van de Europese Unie en Rusland verlaagd
werd tot 25.000€,
wordt hij gemiddeld door
maar 2
% van de bevolking gehaald.
Eind 2007 is het
financiële vermogen van de Belgische gezinnen, de som van onze
bankrekeningen en beleggingen, aangedikt tot
ongeveer 851 miljard euro.
Dat is 29 miljard euro meer dan een jaar eerder. Dat blijkt uit cijfers van de
Nationale Bank.
Het overgrote deel van die spaarpot zit in
spaarboekjes, beleggingsfondsen en verzekeringsproducten. Om een vollediger beeld te hebben van het
gezinsvermogen moet je rekening houden met de uitstaande schulden. Zelfs
dan oogt het plaatje rooskleurig: het nettovermogen, vermogen min schulden,
komt uit op 686 miljard euro, 16 miljard euro meer dan eind 2006. Dat komt
neer op zowat 65.000 euro per Belg. Als daarbij
de waarde van onze vastgoedbezittingen
bijgeteld wordt, kom je uit
op 1.650 miljard euro.
Als je dat
bedrag verdeelt over de 10,5 miljoen inwoners, kom je uit op
ongeveer 154.000 euro
per Belg of bijna 355.000 euro per gezin (bron:
Belga, Gezinnen rijker dan ooit ondanks crisis, 26/04/2008).
Het
World
Wealth Report, dat jaarlijks gepubliceerd wordt door Merrill Lynch en
Capgemini, telde in 2007 72.000 miljonairs in ons land, dit wil zeggen personen die een vermogen van minstens 1 miljoen dollar
bezitten zonder daarbij rekening te houden met de waarde van hun
hoofdverblijfplaats.
Dit is een stijging met 5,2% ten opzichte van 2006. Op internationaal niveau is de stijging
nog belangrijker. In 2007 waren er op wereldvlak
10,1 miljoen miljonairs,
een stijging van 6% in vergelijking met 2006.
De toenemende ongelijkheid weerspiegelt zich ook in de
groeiende loonkloof tussen de hoogste en de laagste lonen. Volgens
consultancybureau
SD Worx stegen de hoogste lonen (+6,2%) in 2006 veel sneller dan de
laagste (+2,9%). Gemiddeld stegen de salarissen in België met 3,4%. (Bron: SD Worx,
Salarissen stegen met 3,40% in 2006. Topsalarissen stegen het sterkst!,
25/06/2007).
Laatste aanpassing: 08/02/10