S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

  Neemt de inkomensongelijkheid toe?

ja

Toelichting:

Een vaak gehanteerde maatstaf voor inkomensongelijkheid is de Gini-coëfficiënt. Tabel 2a toont de evolutie van de inkomensongelijkheid in België vanaf 1990 tot 2004. Bij totaal gelijke inkomensverdeling krijgt deze de waarde 0: iedereen beschikt over een gelijk inkomen. Omgekeerd krijgt men bij totaal ongelijke inkomensverdeling - waarbij het gehele inkomen in handen is van één persoon - de waarde 1. De gegevens tonen aan dat er globaal genomen sinds 1990 een toename van de inkomensongelijkheid is op basis van de fiscale statistieken. Na belasting zijn de inkomens uiteraard gelijker verdeeld over de bevolking dan ervoor. In 2004 zien we een verschuiving: zowel in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest als in het Waalse Gewest zijn de inkomens ongelijker verdeeld dan in het Vlaamse Gewest. Die laatste kende in de jaren voordien een ongelijkere verdeling dan het Waalse Gewest. In 2005 zet deze trend zich verder, en neemt de inkomensongelijkheid in het algemeen toe. (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, Dierckx Danielle & Van Haarlem, An (red.) (2009), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009).
 

Tabel 2a: Evolutie van de inkomensongelijkheid voor en na belasting volgens de Gini-coëfficiënt, België en gewesten, 1990-2005

  België Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  Voor Na Voor Na Voor Na Voor Na
1990 0,362 0,297 0,359 0,296 0,358 0,294 0,389 0,318
1995 0,365 0,297 0,362 0,296 0,362 0,294 0,387 0,312
1996 0,370 0,301 0,368 0,299 0,367 0,298 0,390 0,314
1997 0,373 0,304 0,371 0,304 0,369 0,300 0,395 0,319
1998 0,376 0,308 0,374 0,306 0,373 0,304 0,400 0,323
1999 0,383 0,312 0,380 0,311 0,382 0,310 0,404 0,326
2000 0,381 0,309 0,380 0,308 0,378 0,305 0,400 0,321
2001 0,392 0,319 0,390 0,318 0,387 0,315 0,412 0,333
2002 0,399 0,329 0,396 0,328 0,396 0,327 0,415 0,338
2003 0,407 0,340 0,409 0,343 0,399 0,333 0,418 0,343
2004 0,426 0,362 0,422 0,359 0,423 0,361 0,446 0,373
2005 0,427 0,364 0,424 0,361 0,425 0,363 0,449 0,376

bron: NIS, Financiële statistieken, geciteerd in: Deleeck (2001), De architectuur van de welvaartsstaat opnieuw bekeken (p. 309) (1990-1997) en berekeningen OASeS op basis van ADSEI, Levensstandaard (1998-2005) zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, Dierckx Danielle & Van Haarlem, An (red.) (2009), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2009, Leuven: Acco, p. 330


In vergelijking met de andere Europese lidstaten blijft de Belgische ongelijkheid onder het Europese gemiddelde. De Scandinavische landen en enkele nieuwe EU-lidstaten zoals Bulgarije, Slovenië en Tsjechië scoren het best. De Mediterrane landen (voornamelijk Portugal), Ierland, het Verenigd Koninkrijk en de nieuwe EU-lidstaten Estland, Hongarije, Letland, Lithouwen, Polen en Roemenië  behalen de slechtste resultaten. In vergelijking met het voorgaande jaar is de ongelijkheid in België in 2006 constant gebleven.
 

Tabel 2b: Inkomensongelijkheid gemeten door de Gini-coëfficiënt, België, Gewesten, EU-25 (in %), SILC 2004 (referentie inkomen 2003), SILC 2005 (inkomen 2004) en SILC 2006 (inkomen 2005)

  2004 2005 2006
EU-25 30 30 30
België 26 28 28
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 36 - -
Waals Gewest 25 27 26
Vlaams Gewest 25 25 25
Bulgarije 26 25 24
Cyprus - 29 29
Denemarken 24 24 24
Duitsland - 26 27
Estland 37 34 33
Finland 25 26 26
Frankrijk 28 28 27
Griekenland 33 33 34
Hongarije - 28 33
Ierland 32 32 32
Ital 33 33 32
Letland - 36 39
Lithouwen - 36 35
Luxemburg 26 26 28
Malta - 28 28
Nederland - 27 26
Oostenrijk 26 26 25
Polen - 36 33
Portugal 38 38 38
Roemenië 31 31 33
Slovakije - 26 28
Slovenië - 24 24
Spanje 31 32 31
Tsjechië - 26 25
Verenigd Koninkrijk - 34 32
Zweden 23 23 24

* 0 = volledige gelijkheid, 100 = alle inkomen bij één persoon
Opmerking: Aangezien de steekproef m.b.t. Brussel bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit gewest niet betrouwbaar.
bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Om een idee te krijgen over hoe de welvaart gespreid is over de bevolking, moeten we kijken naar de inkomensquintielverhouding S80/S20. Dit is de verhouding van het totale inkomen van de 20% van de bevolking met het hoogste inkomen (hoogste quintiel) tot het inkomen ontvangen door de 20% van de bevolking met het laagste inkomen (laagste quintiel). In 2006 bedroeg de S80/S20 verhouding voor België 4,2, een lichte stijging t.o.v. 2005. Dit wil zeggen dat het totale inkomen dat verworven wordt door de rijkste 20% van de bevolking 4,2 keer groter is dan dat van de armste 20%. De S80/S20 verhouding is dus enkel en alleen gevoelig voor wijzigingen in de hoogste en laagste 20% van de inkomens.
In vergelijking met de Europese gemiddelden, behaalde België een behoorlijk resultaat. De Scandinavische landen en de nieuwe EU-lidstaten Slovenië en Tsjechië scoorden het best. De Mediterrane landen (vooral Portugal), Letland en Lithouwen behaalden de slechtste resultaten.


Tabel 2
c:
inkomensongelijkheid S80/S20-ratio, Belgie en gewesten en EU-25, SILC 2004 (inkomen 2003), SILC 2005 (inkomen 2004) en SILC 2006 (inkomen 2005)

  2004 2005 2006
EU-25 4,8 4,9 4,8
België 4,0 4,0 4,2
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 7,4 - -
Waals Gewest 3,7 3,9 3,7
Vlaams Gewest 3,6 3,5 3,6
Bulgarije 4,0 3,7 3,5
Cyprus - 4,3 4,3
Denemarken 3,4 3,5 3,4
Duitsland - 3,8 4,1
Estland 7,2 5,9 5,5
Finland 3,5 3,6 3,6
Frankrijk 4,2 4,0 4,0
Griekenland 5,9 5,8 6,1
Hongarije - 4,0 5,5
Ierland 5,0 5,0 4,9
Ital 5,7 5,6 5,5
Letland - 6,7 7,9
Lithouwen - 6,9 6,3
Luxemburg 3,9 3,8 4,2
Malta - 4,1 4,2
Nederland 4,0 4,0 3,8
Oostenrijk 3,8 3,8 3,7
Polen - 6,6 5,6
Portugal 6,9 6,9 6,8
Roemenië 4,8 4,9 5,3
Slovakije - 3,9 4,0
Slovenië - 3,4 3,4
Spanje 5,1 5,4 5,3
Tsjechië - 3,7 3,5
Verenigd Koninkrijk - 5,8 5,4
Zweden 3,3 3,3 3,5

Opmerking: Aangezien de steekproef m.b.t. Brussel bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit gewest niet betrouwbaar.
bron:
NAPincl 2008-2010: indicatoren


Een studie van KBC Asset Management toont aan dat de ongelijkheid tussen arm en rijk toeneemt. Volgens deze studie is het gezamenlijk vermogen van de Belgische gezinnen in 2004 met maar liefst 6% gestegen, tot een recordbedrag van afgerond 1.300 miljard euro. Gemiddeld komt dat neer op een vermogen van zowat 130.000 euro aan vastgoed en spaargeld per Belg. Hierdoor behoren de Belgen tot de rijkste inwoners van Europa. De stijging van het gezinsvermogen is vooral toe te schrijven aan de gestegen vastgoedprijzen. Het totale onroerende vermogen is in 2004 gestegen tot 674,5 miljard euro, wat maar liefst 35% meer is dan in 2000. Het netto financiële vermogen is goed voor 588,2 miljard euro.
Hoe de rijkdom verdeeld is over de Belgische bevolking werd in de studie niet onderzocht, maar uit onderzoek in 1998 was al duidelijk geworden dat 30% van de Belgen 70% van het vermogen bezit.


Deze resultaten worden bevestigd door de Investeringsbarometer (2007) van het onderzoeksbureau GfK Worldwide. Bijna 1 op 3 Belgen heeft meer dan 50.000€ op de bank staan. In Europa doen enkel de Zwitsers nipt beter. Er is een opmerkelijk verschil tussen Vlamingen en Walen: 37% van de Vlamingen heeft minstens 50.000 €, tegenover 19% van de Walen. Maar in vergelijking met het West-Europees gemiddelde van 12% presteren zij meer dan behoorlijk. De zwakke broertjes zijn Spanje met maar 5%, Duitsland met 6%, Oostenrijk met 10 % en Frankrijk en Italië met elk 11 %. Hoewel de drempel voor de nieuwe lidstaten van de Europese Unie en Rusland verlaagd werd tot 25.000, wordt hij gemiddeld door maar 2 % van de bevolking gehaald.

 

Eind 2007 is het financiële vermogen van de Belgische gezinnen, de som van onze bankrekeningen en beleggingen, aangedikt tot ongeveer 851 miljard euro. Dat is 29 miljard euro meer dan een jaar eerder. Dat blijkt uit cijfers van de Nationale Bank. Het overgrote deel van die spaarpot zit in spaarboekjes, beleggingsfondsen en verzekeringsproducten. Om een vollediger beeld te hebben van het gezinsvermogen moet je rekening houden met de uitstaande schulden. Zelfs dan oogt het plaatje rooskleurig: het nettovermogen, vermogen min schulden, komt uit op 686 miljard euro, 16 miljard euro meer dan eind 2006. Dat komt neer op zowat 65.000 euro per Belg. Als daarbij de waarde van onze vastgoedbezittingen bijgeteld wordt, kom je uit op 1.650 miljard euro. Als je dat bedrag verdeelt over de 10,5 miljoen inwoners, kom je uit op ongeveer 154.000 euro per Belg of bijna 355.000 euro per gezin (bron: Belga, Gezinnen rijker dan ooit ondanks crisis, 26/04/2008).

 

Het World Wealth Report, dat jaarlijks gepubliceerd wordt door Merrill Lynch en Capgemini, telde in 2007 72.000 miljonairs in ons land, dit wil zeggen personen die een vermogen van minstens 1 miljoen dollar bezitten zonder daarbij rekening te houden met de waarde van hun hoofdverblijfplaats. Dit is een stijging met 5,2% ten opzichte van 2006. Op internationaal niveau is de stijging nog belangrijker. In 2007 waren er op wereldvlak 10,1 miljoen miljonairs, een stijging van 6% in vergelijking met 2006.
 


De toenemende ongelijkheid weerspiegelt zich ook in de groeiende loonkloof tussen de hoogste en de laagste lonen. Volgens consultancybureau SD Worx stegen de hoogste lonen (+6,2%) in 2006 veel sneller dan de laagste (+2,9%). Gemiddeld stegen de salarissen in België met 3,4%. (Bron: SD Worx, Salarissen stegen met 3,40% in 2006. Topsalarissen stegen het sterkst!, 25/06/2007).
 

Laatste aanpassing: 08/02/10