S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

Hoeveel procent van de bevolking leeft in een niet-kwalitatieve woning?

In België leeft een vijfde van de bevolking (22,6%) en bijna een derde van de populatie met een armoederisico op basis van het inkomen (30,6%) in een woning met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren of heeft geen bad/douche of geen toilet met waterspoeling of leeft in een donkere woning. (bron:Eurostat, EU-SILC 2011)


Toelichting:

Hieronder geven we een toelichting aan de hand van de volgende items: (1) Bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen, (2) woonkwaliteit in de gewesten en (3) financiële problemen inzake verwarming van de woning

1. Bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen

Tabel 14a:  Percentage van de bevolking dat leeft in een woning met één of meerdere problemen, België, SILC 2010-2011 (inkomens 2009-2010)

Percentage personen die deel uitmaken van een huishouden met volgende probleem

Totale bevolking

Bevolking die risico loopt op armoede

  SILC 2010
(inkomen 2009)
SILC 2011
(inkomen 2010)
SILC 2010
(inkomen 2009)
SILC 2011
(inkomen 2010)

overbezetting*

4,2

2,2

13,7

8,4

vochtproblemen**

19,0

21,2

30,2

30,9

woning is somber, donker***

8,8

7,8

15,1

14,7

geen toilet met waterspoeling in de woning

0,3

1,4

1,0

3,9

geen bad of douche

0,3

0,9

1,1

3,2

zware woning deprivatie ****

1,9

1,0

5,9

4,6

* Eurostat definieert 'overbezetting' als het aandeel van de personen die leven in een woning waarbij het huishouden niet kan beschikken over een minimum aantal kamers als volgt bepaald: een kamer voor het huishouden; een kamer voor ieder koppel in het huishouden; een kamer voor iedere persoon van 18 jaar of ouder; een kamer voor iedere persoon tussen 12 en 17 jaar oud en die niet inbegrepen zijn in een van bovenstaande groepen; een kamer voor elke twee kinderen onder de 12 jaar. Op te merken valt dat door selectieve uitval van personen in een zwakke sociaal-economische situatie, we hier ook waarschijnlijk met een onderschatting te maken hebben.
** Personen die in een woning leven en die menen een probleem te hebben met een lekkend dak, vochtige muur of vloer (schimmel, huiszwam) of rottend raamwerk.
*** Personen die menen dat hun woning te donker is, dat er niet voldoende daglicht is.
**** Eurostat definieert 'zware woning deprivatie' als het aandeel van de personen die leven in een overbezette woning met tegelijk ten minste één van de volgende problemen: lekkend dak, geen bad of douche, geen toilet, sombere woning.
bron: Eurostat


We zien een duidelijke samenhang met armoede: 8,4% van de personen die risico lopen op armoede zijn van mening dat zij te weinig ruimte hebben in hun woning; in de totale bevolking zijn er dat 2,2%. Inzake vochtproblemen: bijna een derde (30,9%) zegt problemen te hebben met een lekkend dak, vochtige muur of vloer (schimmel, huiszwam) of rottend raamwerk. Bij mensen boven de armoedegrens is dat 21,2%.

 

Tussen huurders en eigenaars zijn er grote verschillen op het gebied van kwaliteit van wonen. Bij huurders, vooral op de privémarkt, ligt de woning deprivatie hoger en zij leven ook meer dan eigenaars in overbezette woningen: zie tabel 14b. 

Tabel 14b: Zware woning deprivatie* en overbezetting naar eigenaar/huurder status, België, SILC-2011 (inkomen 2010)

 

zware  woning deprivatie

overbezetting

eigenaar, met hypotheek of lening

0,3

0,9

eigenaar, zonder hypotheek of lening

0,2

0,8

huurder, op de privémarkt

3,3

6,7

huurder, sociale huisvesting of gratis bewoning

2,1

3,8

*Eurostat definieert 'zware woning deprivatie' als het aandeel van de personen die leven in een overbezette woning met tegelijk ten minste één van de volgende problemen: lekkend dak, geen bad of douche, geen toilet, sombere woning.
bron: Eurostat

Volgens de laatste gegevens van de speciale EU-SILC module over wonen, gebaseerd op EU_SILC 2007 resultaten, is 20% van de huurders ontevreden of zeer ontevreden over zijn woning. Bij eigenaars is dat 9%. 23,3% van de huurders klaagt over te weinig plaats in de woning, tegen 5,6% van de eigenaars. 15% van de huurders heeft het door een slecht verwarmingstoestel of onvoldoende isolatie van het huis in de winter niet warm genoeg. Bij eigenaars is dat 3%. Huurders hebben ook vijf keer meer kans dan eigenaars om in hun woning problemen te hebben met een gebrekkige elektrische installatie of een waterleiding in slechte staat. Ten slotte beschikt 4% van de huurders niet eens over elementair comfort. Dat betekent dat een van de volgende dingen niet voorhanden is in hun woning: stromend warm water, een douche of een bad en een toilet binnen. (bron:
FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Persbericht 3 april 2009 'Armoede en gebrek aan wooncomfort gaan samen')


Het armoederisico ligt bij huurders
ongeveer driemaal zo hoog is als dat bij eigenaars, nl. 33,1% versus 8,8%. Er zijn grote regionale verschillen.

Tabel 14c: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar eigenaar/huurder status, België en gewesten, SILC 2011 (inkomen 2010)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

eigenaar of zonder huur

8,8

6,8

11,3

huurder

33,1

20,6

42,3

De steekproef is te klein om betrouwbare cijfers te geven voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.   
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2011
zie resultaten België en gewesten : SILC 2010, SILC 2009, SILC 2008, SILC 2007, SILC 2006, SILC 2005 en SILC 2004

 

2. Woonkwaliteit in de gewesten

Wat de woonkwaliteit in de gewesten betreft: in het Vlaamse Gewest leefde in 2010 goed een vijfde van de bevolking (23%) in een huis met structurele gebreken aan het dak, de ramen, deuren en muren, zonder adequate verwarming, met een gebrek aan elementair comfort of met een gebrek aan ruimte. Dat komt overeen met ongeveer 1,4 miljoen personen.  Na een duidelijke daling van de cijfers in 2008 en 2009, is er in 2010 weer sprake van een stijging. Het aandeel personen met huisvestingsproblemen neemt af met de leeftijd. Daarnaast zijn er meer problemen bij de eenoudergezinnen en grote gezinnen, de werklozen en niet-actieven, de gezinnen met kinderen waar niet of slechts beperkt wordt gewerkt, de laaggeschoolden, de huurders, de laagste inkomensgroepen en de niet EU-burgers. (bron: Studiedienst van de Vlaamse Regering (april 2012), Vlaamse armoedemonitor, p. 15, 84 en 85)

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gegevens over huisvesting schaars, maar het is echter geweten dat het Gewest met een huisvestingsprobleem kampt. De hoge huur- en aankoopprijzen van woningen hebben als gevolg dat een niet verwaarloosbaar deel van de bevolking in te dichtbevolkte woningen of in huisvesting van slechte kwaliteit woont of moet verhuizen naar buiten het Gewest. In het Brussels Gewest betrekt ongeveer 17,0 % van de bevolking een woning met minder dan één vertrek per persoon en volgens de gegevens van EU-SILC 2009 heeft 3,3 % geen bad/douche, toilet of warm water. Uit een enquête in 2010 bij huurders op de private huurmarkt in het Brussels Gewest blijkt dat het comfortpeil van de woningen weliswaar voortdurend verbetert. Terwijl in 2008, 91 % van de woningen een individuele badkamer had, steeg dit aantal tot 97 % in 2010. Van de huurwoningen heeft 72 % een toilet binnen, een individuele badkamer en een centrale verwarmingsinstallatie (+3 % ten opzichte van 2008).Toch verbeteren de subjectieve beoordelingen over de algemene staat van de woningen niet doorheen de jaren en blijft slechts de helft van de huurders tevreden over hun woning. Volgens 22 % van de huurders heeft de woning nieuwe ramen nodig, 21 % vinden hun woning slecht geïsoleerd tegen koude of lawaai en voor 14 % van de huurders moet de loodgieterij vernieuwd worden. (bron: Observatorium voor Gezondheid en Welzijn van Brussel-Hoofdstad (2011), Welzijnsbarometer 2011, p. 57 en 60)

In het Waalse Gewest is de woonkwaliteit er slechter aan toe dan in de rest van het land. Dit heeft te maken hebben met een ouder woningbestand, maar ook met andere factoren, zoals een verschil in levensstandaard. Volgens de resultaten van een enquête over de woonkwaliteit in het Waalse Gewest in 2006-2007, zijn 55% van de woningen 'goed' of 'zeer goed'. Het merendeel (56%) van de woningen die 'zeer slecht', 'slecht' of 'middelmatig' zijn, zijn gelegen in stedelijke gebieden. De woonkwaliteit is slechter bij huurders: vochtproblemen (31% tegenover 18% bij eigenaars); slechte geluidsakoestiek (29% tegenover 10% bij eigenaars); geen centrale verwarming (29% tegenover 17% bij eigenaars). Bijna 14% van de huurders zegt gezondheidsproblemen te hebben ten gevolge van een slechte huisvesting: allergieën, problemen van de luchtwegen, gasintoxicaties of andere gezondheidsproblemen. (bron: IWEPS (décembre 2010), Les chiffres-clés de la Wallonie. N°11, p. 49-53).

 

3. Financiële problemen inzake verwarming van de woning

Naar huisvestingskosten toe: personen die een risico lopen op armoede hebben een drie keer hogere kans om geconfronteerd te worden met financiële problemen om hun woning genoeg te verwarmen.

Tabel 14d:  Percentage van de bevolking dat de woning onvoldoende kan verwarmen, België, SILC 2010-2011 (inkomens 2009-2010)

 

SILC 2010
(inkomen 2009)

SILC 2011
(inkomen 2010)

totale bevolking

5,6

7,1

bevolking die risico loopt op armoede

16,2

20,9

bron: Eurostat

 

Voor zowel de federale overheid als voor de gewesten vormt het een uitdaging het garanderen van de toegang tot betaalbare en degelijke woningen. Het werk van het Steunpunt hieromtrent kan men vinden op de thematische webpagina huisvesting.

Laatste aanpassing: 30/10/12