S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Hoeveel bedraagt het leefloon en hoeveel mensen moeten ermee rondkomen?

Sinds september 2008 bedraagt het leefloon voor een alleenstaande 711,56 €/maand, 474,37 €/maand voor een samenwonende en 948,74 €/maand voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste. In 2006 waren er ongeveer 88.000 ontvangers van het Recht op Maatschappelijke Integratie, waarvan ongeveer 78.000 een leefloon ontvingen.

Toelichting:

De overheid heeft de bedragen van het leefloon en sociale uitkeringen op volgende manier vastgelegd:


Tabel 4a: Evolutie van de maandbedragen van het bestaansminimum per categorie van rechthebbenden volgens de Bestaansminimumwet, 1990-feb. 2002

Datum Cat. 1
samenwonend onder 1 dak
Cat. 2
persoon met niet-getrouwde
minderjarige of meerdere kinderen
waarvan minstens 1 niet-getrouwde
minderjarige
Cat. 3
alleenstaande
Cat. 4
alle anderen die met 1 of meerdere personen samenwonen
jan. 1990    22.618 BF 20.356 BF 16.963 BF 11.309 BF
dec. 1994    26.805 BF 26.805 BF 20.103 BF 13.402 BF
sept. 2000  29.015 BF 29.015 BF 21.761 BF 14.507 BF
juni 2001    29.595 BF 29.595 BF 22.196 BF 14.797 BF
jan.2002   762,96 762,96 572,22 381,48
feb. 2002   778,21 778,21 583,66 389,11



Tabel 4b:
Evolutie van de maandbedragen van het bestaansminimum per categorie van rechthebbenden volgens de Bestaansminimumwet, okt. 2002-okt. 2004

Datum Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont
Cat. 2
Een alleenstaand persoon
Cat. 3
Een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is tov zijn kinderen of een alleenstaand persoon die voor de helft van hetzij een ongehuwde minderjarige hetzij meerdere kinderen waaronder een ongehuwde minderjarige te zijner laste heeft
Cat. 4
Eénoudergezin met kinderlast
okt. 2002 389,11 € 583,66 € 680,94 € 778,21 €
juni 2003 396,88 € 595,32 € 694,54 € 793,76 €
okt. 2004 408,89 € 613,33 € 715,55 € 817,77 €

 

Tabel 4c: Maandelijkse leefloonbedragen vanaf 1 jan. 2005

Datum

Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont
 

Cat. 2
Een alleenstaand persoon
Cat. 3
Een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste
jan. 2005 408,89 € 613,33 € 817,77 €
aug. 2005 417,07 € 625,60 € 834,14 €
okt. 2006 429,66 644,48 859,31
april 2007 438,25 657,37 876,50
jan. 2008 455,96  683,95  911,93
mei 2008 465,07 697,61 930,14
sept. 2008 474,37 711,56 948,74

bron: POD Maatschappelijke Integratie: Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 augustus 2005, Bestaansminimum en Leefloon reële bedragen, Verhoging van de bedragen van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Indexaanpassing op 1 oktober 2006 van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren en verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, omzendbrief 2007-12-18: Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie; en de aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 januari 2008 – verwachte indexaanpassing, omzendbrief 2008-04-30: Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 mei 2008 en omzendbrief 2008-09-01: Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 september 2008.
 


Uit deze bedragen blijkt dat het bedrag van het leefloon voor een alleenstaand persoon, nl. 711,56 €/maand, lager is dan 60% van het mediaan inkomen, nl. 860 €/maand voor een alleenstaande (dit is de armoederisicodrempel op basis van de EU-SILC-enquête 2006).


In dit verband is het interessant het minimumloon en de minimumuitkeringen (nl. minimum invaliditeits- en werkloosheidsuitkeringen, minimumpensioen en bestaansminimum) te vergelijken met de armoederisicogrens. Hierbij valt op dat het niveau van de meeste minimumuitkeringen en het minimumloon zich beneden de armoederisicodrempel situeert. In vergelijking met 2003 is de situatie in 2005 duidelijk verslechterd. (Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op de bedragen die in 2003 en 2005 van kracht waren.)


Tabel
14d: Netto minimumloon en minimumuitkeringen (rustpensioen, werkloosheid, invaliditeitsuitkering, bestaansminimum) in procent van de amoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen), België, 2003 (EU-SILC 2004) en 2005 (EU-SILC 2006)  (in %)

  minimum pensioen werknemers* min. invaliditeitsuitkering werknemers** minimum werkloosheidsuitkering
***
sociale bijstand**** minimumloon
*****
  2003 2005 2003 2005 2003 2005 2003 2005 2003 2005
alleenstaande 107 104 100 94 91 86 75 71 131 122
koppel 89 86 83 78 72 68 67 63 98 95
koppel met 2 kinderen     82 78 73 64 69 65 84 86
éénoudergezin met 2 kinderen     105 99 91 80 91 86 106 99

Opmerking: de bedragen voor gezinnen met kinderen zijn inclusief kinderbijslag
*Pensioen: alleenstaande man, minimum rustpensioen, jaar van ingang pensioen=2003, volledige loopbaan
** Invaliditeit: loonniveau=100% van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, arbeidsduur=100%
**
* Werkloosheid: minimumuitkering, na 6 maand werkloosheid
****sociale bijstand = leefloon
***** minimumloon: loonniveau=100% van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, arbeidsduur=100%

bron: E
U-SILC / STASIM / CSB zoals opgenomen in NAPincl 2008-2010: indicatoren

 

Sinds oktober 2002 is het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) van kracht, in de vorm van een uitkering (het leefloon) of tewerkstelling (activering). Het leefloon kwam in de plaats van het bestaansminimum (bron: Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2006), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006, Leuven: Acco, p. 391-397). Met de invoering van het leefloon (in 2003) wijzigden de categorieën en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het recht op maatschappelijke integratie (bijvoorbeeld vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking voor het leefloon). Hierdoor is het moeilijk om vergelijkingen te maken.

Sinds '75 steeg het aantal bestaansminimumtrekkenden constant. In de jaren '90 liep hun aantal op tot bijna 84.000 gerechtigden in 1998. Sindsdien liep hun aantal terug tot ongeveer 70.000 in 2002. In 2003 waren er - gelet op de gewijzigde voorwaarden en categoriën - 81.228 ontvangers. Vier jaar later zijn dit er 89.990, wat een stijging is van ongeveer 10% sinds 2003. In het Waals Gewest neemt het aantal ontvangers stelselmatig toe. Het aandeel in de nationale cijfers blijkt voor dit gewest wel stabiel: het schommelt rond de 45% van de totale RMI-populatie. In het Vlaams Gewest blijft het aantal ontvangers rond de 25.000 schommelen, maar het aandeel in het totaal voor België daalt gestaag. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vinden we iets meer dan een kwart (26,7%) van de RMI-populatie terug, een stijging met 32% in vergelijking met 2002 (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 337).

 

Tabel 4e: Aantal ontvangers van het RMI, absolute cijfers, percentages en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 1999-2007

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC % AC % AC %
1999 81.325 7,9 28.148 34,6 39.196 48,2 13,981 17,2
2000 76.514 7,5 25.584 33,4 37.216 48,6 13.714 17,9
2001 69.497 6,7 22.622 32,6 33.980 48,9 12.896 18,6
2002* 70.150 6,8 22.297 31,8 34.452 49,1 13.401 19,1
2002** 78.766 7,6 24.906 31,6 36.631 46,5 17.229 21,9
2003 81.228 7,8 25.896 31,9 36.918 45,4 18.415 22,7
2004 83.639 8,0 25.474 30,5 37.691 45,1 20.475 24,5
2005 84.385 8,0 24.779 29,4 38.121 45,2 21.485 25,5
2006 87.847 8,2 25.600 29,1 39.420 44,9 22.827 26,0
2007 89.990 8,5 25.555 28,4 40.369 44,9 24.066 26,7

* Regeling bestaansminimum, voor 2002 gemiddelde op basis van de maanden januari tot en met september
** Regeling leefloon, voor 2002 gemiddelde op basis van de maanden oktober tot en met december
bron: NIS, POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in
Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 337.


Tussen 2006 en 2007 bleef het aantal RMI-ontvangers in Vlaanderen ongeveer gelijk. Deze status quo vinden we terug in alle provincies.  In Vlaanderen zijn de "top"steden Gent, Antwerpen, Mechelen, Oostende en Blankenberge. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kende men de grootste stijging (+5%) met 1.239 personen. De 19 Brusselse gemeenten telden in 2007 23,0 RMI-ontvangers per 1.000 inwoners. In het Waals Gewest bleef het aantal RMI-ontvangers tussen 2006 en 2007 bijna gelijk. De zwaarst belaste steden zijn: Luik, Verviers, Hoei, Bergen en Namen (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 337-339).


Tabel 4f: Aantal RMI-ontvangers in de voormalige SIF-plus gemeenten in verhouding tot het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie en per 1.000 inwoners, Vlaams Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2006 en 2007 (absolute cijfers en percentages)

Gemeente/stad per provincie Aantal RMI-ontvangers Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie Aantal RMI-ontvangers per 1.000 inwoners
  2007 2006 2007 2006 2007 2006
Vlaams Gewest 25.555 25.600 nvt nvt 4,2 4,2
             
Provincie Antwerpen: 8.848 8.920 100,0 100,0 5,2 5,3
Antwerpen 5.285 5.265 59,7 59,0 11,2 11,4
Lier 116 106 1,3 1,1 3,4 3,2
Mechelen 778 826 8,8 9,3 9,8 10,6
Turnhout 235 236 2,7 2,6 5,9 6,1
Willebroek 157 158 1,8 1,8 6,6 7,2
             
Provincie Vlaams-Brabant: 3.145 3.075 100,0 100,0 3,0 2,9
Diest 57 61 1,8 2,0 2,5 2,8
Leuven 755 755 24,0 25,0 8,1 8,4
Tienen 123 130 3,9 4,2 3,8 4,2
Vilvoorde 189 181 6,0 5,9 4,9 4,9
             
Provincie Limburg: 2.009 2.040 100,0 100,0 2,4 2,5
Genk 167 170 8,3 8,3 2,6 2,7
Ham 21 17 1,0 0,8 2,1 1,9
Maasmechelen 138 137 6,9 6,7 3,8 3,8
Tongeren 101 122 5,0 6,0 3,4 4,2
             
Provincie Oost-Vlaanderen: 7.575 7.452 100,0 100,0 5,4 5,4
Aalst 375 378 5,0 5,0 4,8 4,9
Dendermonde 137 151 1,8 2,0 3,1 3,5
Eeklo 124 118 1,6 1,6 6,3 6,2
Gent 3.855 3.740 51,0 50,2 16,2 16,1
Geraardsbergen 129 122 1,7 1,6 4,1 3,9
Ronse 192 181 2,5 2,4 7,8 7,5
Wetteren 77 79 1,0 1,1 3,3 3,4
Zelzate 86 100 1,1 1,3 7,0 8,3
             
Provincie West-Vlaanderen: 3.980 4.114 100,0 100,0 3,5 3,6
Blankenberge 173 161 4,3 3,9 9,4 8,9
Bredene 48 48 1,2 1,7 3,1 3,2
Brugge 509 525 12,8 12,8 4,3 4,5
De Panne 43 42 1,1 1,0 4,2 4,2
Kortrijk 510 529 12,8 12,9 6,9 7,2
Menen 208 212 5,2 5,2 6,4 6,6
Nieuwpoort 57 59 1,4 1,4 5,2 5,9
Oostende 650 685 16,3 16,7 9,4 10,1
Spiere-Helkijn 12 14 0,3 0,3 5,9 7
             
Brussels Hoofdstedelijk Gewest:            
Brussel (19 gemeenten) 24.066 22.827 nvt nvt 23,0 22,4

bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 338.

 

Tabel 4g: Aantal RMI-ontvangers in een aantal grote steden in verhouding tot het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie en per 1.000 inwoners, Waals Gewest, 2006 en 2007 (absolute cijfers en percentages)

Gemeente/stad per provincie Aantal RMI-ontvangers Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie Aantal RMI-ontvangers per 1.000 inwoners
  2007 2006 2007 2006 2007 2006
Waals Gewest 40.368 39.420 nvt nvt 11,7 11,6
             
Provincie Waals Brabant: 2.010 2.067 100,0 100,0 5,4 5,7
Nijvel 178 172 8,6 8,3 7,1 7,2
Ottignies-Louvain-La-Neuve 417 442 20,8 21,4 13,8 15,2
Waver 164 181 8,2 8,8 5,0 5,7
             
Provincie Henegouwen: 15.338 14.642 100,0 100,0 11,8 11,4
Bergen 2.072 2.041 13,5 13,9 22,7 22,4
Charleroi 3.778 3.424 24,6 23,4 18,5 17,0
La Louvière 1.130 1.093 7,4 7,5 14,5 14,2
Moeskroen 583 548 3,8 3,7 10,8 10,5
             
Provincie Luik: 16.334 16.038 100,0 100,0 15,5 15,4
Herstal 525 487 3,2 3,0 13,9 13,2
Hoei 499 527 3,1 3,3 24,6 26,4
Luik 7.084 6.932 43,4 43,2 37,3 37,1
Seraing 1.136 1.136 7,0 7,1 18,4 18,9
Verviers 1.939 1.867 12,0 11,6 35,6 35,2
             
Provincie Luxemburg: 1.910 1.895 100,0 100,0 7,2 7,3
Aarlen 272 258 14,2 13,6 10,1 9,9
Marche-en-Famenne 186 182 9,7 9,6 10,9 11,4
             
Provincie Namen: 4.775 4.779 100,0 100,0 10,3 9,9
Andenne 261 274 5,5 5,7 10,5 11,4
Dinant 188 181 4,0 3,8 14,3 13,9
Namen 2.017 2.017 42,2 42,2 18,7 18,9
Sambreville 343 338 7,2 7,1 12,6 13

bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 339.

 

Indien we specifiek het leefloon bekijken binnen het RMI, dan zien we een vergelijkbare evolutie. In 2007 ontvingen 80.486 mensen het leefloon, een stijging van bijna 7% ten opzichte van 2006. De verdeling tussen de verschillende gewesten loopt gelijk aan de verdeling van het totaal aantal ontvangers van het RMI (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p. 339).
 

Tabel 4h: Aantal ontvangers van bestaansminimum/leefloon, absolute cijfers, percentages en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 1999-2007

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC % AC % AC %
1999 76.386 7,5 25.735 33,7 37.200 48,7 13.451 17,6
2000 71.397 7,0 23.335 32,7 34.977 49,0 13.085 18,3
2001 63.949 6,2 20.453 32,0 31.382 49,1 12.114 18,9
2002* 63.987 6,2 19.976 31,2 31.441 49,1 12.569 19,6
2002** 72.119 7,0 22.424 31,1 33.416 46,3 16.279 22,6
2003 73.950 7,1 23.193 31,4 33.397 45,2 17.360 23,5
2004 75.383 7,2 22.469 29,8 33.779 44,8 19.135 25,4
2005 74.942 7,1 21.439 28,6 33.770 45,1 19.733 26,3
2006 78.812 7,4 22.459 28,5 35.389 44,9 20.964 26,6
2007 80.486 7,5 22.074 27,4 36.333 45,1 22.078 27,4

* Regeling bestaansminimum, voor 2002 gemiddelde op basis van de maanden januari tot en met september
** Regeling leefloon, voor 2002 gemiddelde op basis van de maanden oktober tot en met december
bron: NIS, POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan,
Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.340.
 

Als we de bestaansminimum-/leefloonpopulatie gedetailleerder bekijken, dan blijkt dat de voorbije jaren het overwicht van vrouwen sterker geworden is. In 2007 waren bijna 6 op 10 leefloontrekkenden vrouwen. In de tweede helft van de jaren '90 was de verhouding nog iets evenwichtiger: 55 % vrouwen tegenover 45 % mannen.

Bijna de helft van de leefloongerechtigden is alleenstaand zonder kinderen (46,6%). In de totale Belgische bevolking maken alleenstaanden slechts een derde van de huishoudens uit. Een vierde (26,2%) van de leefloontrekkenden heeft minstens 1 minderjarig ongehuwd kind ten laste. De verdeling van de categorieën van het leefloon over de verschillende gewesten loopt vrij parallel.

Meer dan een vierde (29%) van de leefloontrekkenden is jonger dan 25 jaar. Vooral Wallonië telt een jonge leefloonpopulatie (33%). In Vlaanderen doet een relatief groter aantal personen van 50 jaar of ouder een beroep op het leefloon (31%).

72% van de leefloongerechtigden heeft de Belgische nationaliteit, 28% is van vreemde origine. Europeanen nemen hiervan 7% voor hun rekening. 19% heeft een niet-Europese nationaliteit. Vooral in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het aandeel niet-Belgische leefloontrekkenden opmerkelijk hoger dan in de andere gewesten (nl. 37,5% in vergelijking met 19,4% in Wallonië en 25,7% in Vlaanderen). Dit komt hoofdzakelijk door het hogere aandeel niet-EU gerechtigden (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.340-341).
 

Tabel 4i: Profiel van de ontvangers van het leefloon, België en gewesten, 2007 (in %)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

naar geslacht        

Mannen

40,4 39,0 39,9 42,8

Vrouwen

59,6 61,0 60,1 57,2
         
naar categorie        

1. samenwonende persoon

27,4 26,1 28,3 27,2
2. alleenstaande persoon 46,4 47,6 46,1 45,6
3. persoon die uitsluitend leeft met een gezin te zijnen laste 26,2 26,3 25,6 27,2
         
naar leeftijd        
jonger dan 25 jaar 29 26 33 25
25-39 jaar 27 27 25 33
40-49 jaar 17 16 18 17
50 jaar en ouder 26 31 25 25
         
naar nationaliteit        
Belgen 72 74,3 80,7 62,5
niet-Belgen - EU 6,8 5,3 7,1 7,9
niet-Belgen - niet-EU 19,3 20,4 12,3 29,6
totaal niet-Belgen 28,1 25,7 19,4 36,5

bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.341.
 

De federale regering spoort de OCMW's aan om verder te gaan dan het louter uitkeren van de leeflonen. Ze moeten de steuntrekkers ook zoveel mogelijk activeren, naar de arbeidsmarkt leiden. In 2007 waren gemiddeld 9.620 RMI-gerechtigden aan het werk via het OCMW. Dit betekent een stijging van 1,5% in vergelijking met 2006 en een stijging van 9% ten opzichte van 2005. Zowel in Vlaanderen als in Brussel stijgt het aantal activeringen binnen het RMI licht. Momenteel is ongeveer 10% van alle RMI-ontvangers tewerkgesteld. In 1999 bedroeg dit nog maar 6%. In de overgrote meerderheid van de gevallen gaat het om een tewerkstelling in het kader van artikel 60§7, waarlangs het OCMW mensen de mogelijkheid biedt zich terug in te schakelen in het arbeidsproces en aan de vereisten van de werkloosheidsverzekering te voldoen (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.341).
 

Tabel 4j:  Activeringsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie, België en gewesten, 1999-2007 (jaargemiddelde)

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC % totaal RMI AC % AC % AC %
1999 4.959 6,1 2.428 49,0 2.002 40,4 529 10,7
2000 5.197 6,8 2.290 44,1 2.272 43,7 635 12,2
2001 5.640 8,1 2.218 39,3 2.631 46,6 791 14,0
2002 6.354 9,1 2.390 37,6 3.090 48,6 874 13,8
2003 7.380 9,4 2.765 37,5 3.554 48,2 1.061 14,4
2004 8.365 10,3 3.072 36,7 3.948 47,2 1.345 16,1
2005 8.837 10,1 3.192 36,1 4.123 46,7 1.522 17,2
2006 9.474 10,8 3.431 36,2 4.186 44,2 1.857 19,6
2007 9.620 11,0 3.527 36,6 4.101 42,6 1.992 20,7

bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.342.
 

Mensen die niet in aanmerking komen voor het Recht op Maatschappelijke Integratie kunnen beroep doen op het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het gaat dan in hoofdzaak om vreemdelingen die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, onder wie een grote groep kandidaat-vluchtelingen. Het RMH kan verschillende vormen aannemen: financiële steun (bedrag dat equivalent is aan dat van het leefloon), tewerkstelling, medische hulp.
Het aantal dossiers Maatschappelijke Hulp steeg tussen 1999 en 2002 met 61% tot 51.202 dossiers. Met de invoering van het RMI - en de ruimere toekenningsvoorwaarden - werd een daling ingezet: sinds 2003 is er een terugval tot 38.676 dossiers in 2007. Deze daling situeert zich voornamelijk in het Vlaams Gewest: tussen 2002 en 2007 verminderde het aantal dossiers Maatschappelijke Hulp met 9.847 (-36,5%). Het Vlaams Gewest blijft met 44,2% wel verantwoordelijk voor bijna de helft van het totaal aantal ontvangers van het RMH. Het aandeel van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (30%) neemt de laatste jaren onafgebroken toe. In het Waals Gewest lijkt een daling ingezet (bron: Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.342-343).
 

Tabel 4k: Aantal ontvangers van het Recht op Maatschappelijke Hulp, absolute cijfers, percentages en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 1999-2007

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC % AC % AC %
1999 31.862 3,1 17.129 53,8 8.197 25,7 6.536 20,5
2000 43.253 4,2 24.528 56,7 11.542 26,7 7.183 16,6
2001 50.872 4,9 28.698 56,4 13.717 27,0 8.458 16,6
2002 51.202 4,9 26.942 52,6 13.580 26,5 10.680 20,9
2003 47.317 4,6 24.373 51,5 12.804 27,1 10.140 21,4
2004 45.896 4,4 22.631 49,3 12.998 28,3 10.267 22,4
2005 41.099 3,9 19.787 48,1 12.436 30,3 8.876 21,6
2006 38.654 3,6 17.919 46,4 10.869 28,1 9.866 25,5
2007 38.676 3,6 17.095 44,2 9.968 25,8 11.613 30,0

bron: NIS, POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals opgenomen in Vranken Jan, Campaert Geert, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2008), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2008, Leuven: Acco, p.343.

 

Laatste aanpassing: 20/01/09