|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Datum | Cat. 1
samenwonend onder 1 dak |
Cat. 2 persoon met niet-getrouwde minderjarige of meerdere kinderen waarvan minstens 1 niet-getrouwde minderjarige |
Cat. 3 alleenstaande |
Cat. 4 alle anderen die met 1 of meerdere personen samenwonen |
| jan. 1990 | 22.618 BF | 20.356 BF | 16.963 BF | 11.309 BF |
| dec. 1994 | 26.805 BF | 26.805 BF | 20.103 BF | 13.402 BF |
| sept. 2000 | 29.015 BF | 29.015 BF | 21.761 BF | 14.507 BF |
| juni 2001 | 29.595 BF | 29.595 BF | 22.196 BF | 14.797 BF |
| jan.2002 | 762,96 € | 762,96 € | 572,22 € | 381,48 € |
| feb. 2002 | 778,21 € | 778,21 € | 583,66 € | 389,11 € |
Tabel 4b: Evolutie van de netto
maandbedragen van het bestaansminimum per
categorie van rechthebbenden volgens de Bestaansminimumwet, okt. 2002-okt.
2004
| Datum |
Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont |
Cat. 2
Een alleenstaand persoon |
Cat. 3 Een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is tov zijn kinderen of een alleenstaand persoon die voor de helft van de tijd hetzij een ongehuwde minderjarige hetzij meerdere kinderen waaronder een ongehuwde minderjarige te zijner laste heeft |
Cat. 4 Eénoudergezin met kinderlast |
| okt. 2002 | 389,11 € | 583,66 € | 680,94 € | 778,21 € |
| juni 2003 | 396,88 € | 595,32 € | 694,54 € | 793,76 € |
| okt. 2004 | 408,89 € | 613,33 € | 715,55 € | 817,77 € |
Tabel 4c: Netto maandbedragen van het leefloon vanaf 1 jan. 2005
| Datum |
Cat. 1 |
Cat. 2 Een alleenstaand persoon |
Cat. 3 Een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste |
| jan. 2005 | 408,89 € | 613,33 € | 817,77 € |
| aug. 2005 | 417,07 € | 625,60 € | 834,14 € |
| okt. 2006 | 429,66 € | 644,48 € | 859,31 € |
| april 2007 | 438,25 € | 657,37 € | 876,50 € |
| jan. 2008 | 455,96 € | 683,95 € | 911,93 € |
| mei 2008 | 465,07 € | 697,61 € | 930,14 € |
| sept. 2008 | 474,37 € | 711,56 € | 948,74 € |
| juni 2009 | 483,85 € | 725,79 € | 967,72 € |
| sept. 2010 | 493,54 € | 740,32 € | 987,09 € |
| mei 2011 | 503,39 € | 755,08 € | 1006,78 € |
| sept. 2011 | 513,46 € | 770,18 € | 1026,91 € |
Bronnen:
omzendbrieven van de
POD Maatschappelijke Integratie:
Wijzigingen met ingang van 1 januari 2005 inzake het
recht op maatschappelijke integratie, omzendbriefbrief 2004-12-14; Verhoging van de
bedragen van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26
mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Indexaanpassing op 1 oktober 2006 van de bedragen die tot de federale
wetgeving met betrekking tot het
maatschappelijk welzijn behoren, omzendbrief
2006-10-01; Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van
26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.
Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking
tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 januari 2008 - verwachte
indexaanpassing, omzendbrief 2007-12-18;
Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking
tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 mei 2008,
omzendbrief 2008-04-30; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking
tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 september 2008,
omzendbrief 2008-09-01; Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel
14, § 1 van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op
maatschappelijke integratie - 1 juni 2009, omzendbrief 2009-05-25;
Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking
tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 september 2010, omzendbrief
2010-09-01; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking
tot het maatschappelijke welzijn behoren, op 1 mei 2001, omzendbrief
2011-05-01;
Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1 van de Wet van
26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie -1
september 2011.
Uit deze bedragen blijkt dat het nettobedrag van het
leefloon voor een alleenstaand persoon, nl. 770,18 €/per maand, lager is
dan 60% van het mediaan netto inkomen, nl. 973 €/maand voor een alleenstaande
(dit is de armoederisicodrempel op basis van de enquête
EU-SILC 2010).
In de onderstaande grafieken worden de uitkeringen en het minimumloon vergeleken met de armoederisicogrens voor de periode 2004-2009. De cijfers worden weergegeven voor werknemers op 1 januari van elk jaar.
Figuur 4a:
Netto
minimum- en maximumuitkering als percentage van de
armoedegrens voor koppels met twee kinderen (inclusief gezinstoelagen),
2004-2009
Bronnen: 2003-2004-2005-2006: ADSEI (EU-SILC armoedegrens) en FOD Sociale Zekerheid (uitkeringen)_2008-2009:FOD Sociale Zekerheid, MIMOSIS, zoals opgenomen in FOD Sociale Zekerheid (2009), Indicatoren van sociale bescherming in België, p. 16.
Figuur 4b: Netto minimum- en maximumuitkering als percentage van de armoedegrens voor alleenstaanden, 2004-2009
Bronnen: 2003-2004-2005-2006: ADSEI (EU-SILC armoedegrens) en FOD Sociale Zekerheid (uitkeringen)_2008-2009:FOD Sociale Zekerheid, MIMOSIS, zoals opgenomen in FOD Sociale Zekerheid (2009), Indicatoren van sociale bescherming in België, p. 16.
Uit de bovenstaande grafieken blijkt
dat het niveau van de sociale bijstandsuitkeringen en de minimale sociale
zekerheidsuitkeringen rond (minimale invaliditeitsuitkering, pensioen) of
onder de armoederisicogrens ligt (bron: FOD Sociale Zekerheid (2009),
Indicatoren van sociale bescherming in België, p. 17).
Sinds oktober 2002 is het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) van kracht, in de vorm van een uitkering (het leefloon) of tewerkstelling (activering). Het leefloon kwam in de plaats van het bestaansminimum (bron: Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2006), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006, Leuven: Acco, p. 391-397). Met de invoering van het leefloon (in 2003) wijzigden de categorieën en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het recht op maatschappelijke integratie (bijvoorbeeld vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking voor het leefloon). Hierdoor is het moeilijk om vergelijkingen te maken.
Het absolute aantal ontvangers van het RMI steeg de afgelopen zeven jaar onafgebroken voor heel België, maar ook voor de gewesten (tabel 4d). Ook het aandeel in de nationale cijfers blijft voor het Waals Gewest de afgelopen jaren redelijk stabiel, maar hoog: 44,5% van het aantal ontvangers woont in het Waals Gewest. In het Vlaams en Brussels Gewest is dit aandeel respectievelijk 28,1% en 27,4%. (bron: Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 458).
Tabel 4d: Aantal ontvangers van het RMI, absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010
| België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |||||
| AC | Per 1.000 inwoners | AC | % | AC | % | AC | % | |
| 2003 | 81.228 | 7,8 | 25.896 | 31,9 | 36.918 | 45,4 | 18.415 | 22,7 |
| 2004 | 83.639 | 8,0 | 25.474 | 30,5 | 37.691 | 45,1 | 20.475 | 24,5 |
| 2005 | 84.385 | 8,0 | 24.779 | 29,4 | 38.121 | 45,2 | 21.485 | 25,5 |
| 2006 | 87.847 | 8,4 | 25.600 | 29,1 | 39.420 | 44,9 | 22.827 | 26,0 |
| 2007 | 89.900 | 8,5 | 25.555 | 28,4 | 40.369 | 44,9 | 24.066 | 26,7 |
| 2008 | 92.086 | 8,6 | 25.631 | 27,8 | 41.235 | 44,8 | 25.222 | 27,4 |
| 2009 | 99.768 | 9,3 | 28.317 | 28,4 | 44.600 | 44,7 | 26.851 | 26,9 |
| 2010 | 104.909 | 9,7 | 29.483 | 28,1 | 46.688 | 44,5 | 28.738 | 27,4 |
* Aandeel van de
gewesten in het totaal aantal RMI-ontvangers.
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals
vermeld op de website van
OASeS
(rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
Tussen 2009 en 2010 stijgt het aantal RMI-ontvangers in
Vlaanderen met 4%. In alle provincies stijgt dit aantal. Een groot deel
van de RMI-ontvangers bevindt zich in de grootsteden. Het aantal RMI-ontvangers
per 1000 inwoners is in 2010 het hoogst in de steden Gent
(20,7%), Antwerpen (11,6%) en Oostende (10,9%). In de 19 Brusselse Gemeenten vinden we het hoogste aantal
ontvangers per 1000 inwoners terug (26,3%). In het Waals Gewest stijgt het
aantal RMI-ontvangers tussen 2009 en 2010. Het aantal RMI-ontvangers per 1000 inwoners ligt in de zwaarst belaste steden in het
Waals Gewest een stuk hoger dan deze in het Vlaams Gewest. De verhouding
ten opzichte van de bevolking is het hoogst in de steden Luik (40,0%), Verviers (36,6%), Hoei (28,2%),
Charleroi (27,3), Bergen (25,3%) en Namen (21,0%). (bron:
Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011,
Leuven: Acco, p. 458-460).
Tabel 4e: Aantal
RMI-ontvangers in de
voormalige SIF-plus gemeenten in verhouding tot het totaal aantal
RMI-ontvangers in de provincie en per 1.000 inwoners, Vlaams Gewest en
Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2009 en
2010 (absolute cijfers en percentages)
| Gemeente/stad per provincie | Aantal RMI-ontvangers | Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie |
Aantal RMI-ontvangers
per 1.000 inwoners
|
|||
| 2009 | 2010 | 2009 | 2010 | 2009 | 2010 | |
| Vlaams Gewest | 28.317 | 29.483 | nvt | nvt | 4,6 | 4,7 |
| Provincie Antwerpen: | 9.408 | 9.625 | 100,0 | 100,0 | 5,4 | 5,5 |
| Antwerpen | 5.667 | 5.606 | 60,2 | 58,2 | 11,9 | 11,6 |
| Lier | 140 | 164 | 1,5 | 1,7 | 4,2 | 4,8 |
| Mechelen | 654 | 662 | 7,0 | 6,9 | 8,2 | 8,2 |
| Turnhout | 270 | 276 | 2,9 | 2,9 | 6,7 | 6,8 |
| Willebroek | 166 | 185 | 1,8 | 1,9 | 6,9 | 7,7 |
| Provincie Vlaams-Brabant: | 3.455 | 3.592 | 100,0 | 100,0 | 3,2 | 3,3 |
| Diest | 55 | 65 | 1,6 | 1,8 | 2,4 | 2,8 |
| Leuven | 860 | 856 | 24,9 | 23,8 | 9,1 | 9,1 |
| Tienen | 138 | 168 | 4,0 | 4,7 | 4,3 | 5,2 |
| Vilvoorde | 204 | 204 | 5,9 | 5,7 | 5,2 | 5,2 |
| Provincie Limburg: | 2.292 | 2.371 | 100,0 | 100,0 | 2,8 | 2,8 |
| Genk | 202 | 241 | 8,8 | 10,2 | 3,1 | 3,7 |
| Ham | 21 | 25 | 0,9 | 1,1 | 2,1 | 2,4 |
| Maasmechelen | 163 | 163 | 7,1 | 6,9 | 4,4 | 4,4 |
| Tongeren | 103 | 97 | 4,5 | 4,1 | 3,4 | 3,2 |
| Provincie Oost-Vlaanderen: | 8.681 | 9.278 | 100,0 | 100,0 | 6,1 | 6,5 |
| Aalst | 529 | 518 | 6,1 | 5,6 | 6,7 | 6,5 |
| Dendermonde | 146 | 157 | 1,7 | 1,7 | 3,3 | 3,6 |
| Eeklo | 156 | 148 | 1,8 | 1,6 | 7,8 | 7,4 |
| Gent | 4.448 | 4.984 | 51,2 | 53,7 | 18,6 | 20,7 |
| Geraardsbergen | 176 | 182 | 2,0 | 2,0 | 5,5 | 5,7 |
| Ronse | 189 | 179 | 2,2 | 1,9 | 7,6 | 7,1 |
| Wetteren | 105 | 121 | 1,2 | 1,3 | 4,5 | 5,1 |
| Zelzate | 85 | 75 | 1,0 | 0,8 | 6,9 | 6,1 |
| Provincie West-Vlaanderen: | 4.482 | 4.617 | 100,0 | 100,0 | 3,9 | 4,0 |
| Blankenberge | 175 | 162 | 3,9 | 3,5 | 9,4 | 8,7 |
| Bredene | 49 | 48 | 1,1 | 1,0 | 3,1 | 3,0 |
| Brugge | 557 | 595 | 12,4 | 12,9 | 4,8 | 5,1 |
| De Panne | 38 | 44 | 0,8 | 1,0 | 3,6 | 4,2 |
| Kortrijk | 673 | 680 | 15,0 | 14,7 | 9,1 | 9,2 |
| Menen | 209 | 206 | 4,7 | 4,5 | 6,4 | 6,3 |
| Nieuwpoort | 54 | 69 | 1,2 | 1,5 | 4,9 | 6,2 |
| Oostende | 722 | 757 | 16,1 | 16,4 | 10,5 | 10,9 |
| Spiere-Helkijn | 10 | 12 | 0,2 | 0,3 | 4,6 | 5,8 |
| Brussels Hoofdstedelijk Gewest: | ||||||
| Brussel (19 gemeenten) | 26.851 | 28.738 | nvt | nvt | 25,2 | 26,3 |
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen
OASeS; Studiedienst van de Vlaamse Regering. Tabel zoals
opgenomen in
Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011,
Leuven: Acco, p. 459.
Tabel 4f: Aantal
RMI-ontvangers in een aantal grote steden in
verhouding tot het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie en per
1.000 inwoners; Waals Gewest, 2009 en 2010 (absolute cijfers en
percentages)
| Gemeente/stad per provincie | Aantal RMI-ontvangers | Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie | Aantal RMI-ontvangers per 1.000 inwoners | |||
| 2009 | 2010 | 2009 | 2010 | 2009 | 2010 | |
| Waals Gewest | 44.600 | 46.688 | nvt | nvt | 12,8 | 13,3 |
| Provincie Waals Brabant: | 2.099 | 2.208 | 100,0 | 100,0 | 5,6 | 5,8 |
| Nijvel | 210 | 233 | 10,0 | 10,6 | 8,2 | 8,9 |
| Ottignies-Louvain-La-Neuve | 355 | 357 | 16,9 | 16,2 | 11,8 | 11,6 |
| Waver | 129 | 150 | 6,1 | 6,8 | 4,0 | 4,6 |
| Provincie Henegouwen: | 18.087 | 19.004 | 100,0 | 100,0 | 13,9 | 14,5 |
| Bergen | 2.246 | 2.321 | 12,4 | 12,2 | 24,6 | 25,3 |
| Charleroi | 4.977 | 5.537 | 27,5 | 29,1 | 24,6 | 27,3 |
| La Louvière | 1.286 | 1.405 | 7,1 | 7,4 | 16,6 | 18,0 |
| Moeskroen | 697 | 695 | 3,9 | 3,7 | 12,8 | 12,7 |
| Provincie Luik: | 17.517 | 18.175 | 100,0 | 100,0 | 16,5 | 17,0 |
| Herstal | 544 | 555 | 3,1 | 3,1 | 14,3 | 14,5 |
| Hoei | 538 | 587 | 3,1 | 3,2 | 26,1 | 28,2 |
| Luik | 7.458 | 7.706 | 42,6 | 42,4 | 39,1 | 40,0 |
| Seraing | 1.284 | 1.366 | 7,3 | 7,5 | 20,6 | 21,8 |
| Verviers | 2.055 | 2.025 | 11,7 | 11,1 | 37,5 | 36,6 |
| Provincie Luxemburg: | 1.931 | 1.943 | 100,0 | 100,0 | 7,2 | 7,2 |
| Aarlen | 280 | 292 | 14,5 | 15,0 | 10,2 | 10,5 |
| Marche-en-Famenne | 171 | 165 | 8,9 | 8,5 | 9,9 | 9,6 |
| Provincie Namen: | 4.965 | 5.357 | 100,0 | 100,0 | 10,6 | 11,3 |
| Andenne | 257 | 269 | 5,2 | 5,0 | 10,3 | 10,7 |
| Dinant | 134 | 223 | 2,6 | 4,2 | 15,2 | 16,7 |
| Namen | 2.214 | 2.285 | 44,6 | 42,6 | 19,6 | 21,0 |
| Sambreville | 354 | 367 | 7,1 | 6,9 | 13,0 | 13,4 |
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS; FOD Binnenlandse zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking. Tabel zoals opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 460.
Indien we specifiek het leefloon
bekijken binnen het RMI, dan zien we een vergelijkbare evolutie. In 2010
ontvingen 95.093
mensen het leefloon, een stijging van 5% ten opzichte van 2009.
De verdeling tussen de verschillende gewesten loopt gelijk aan de
verdeling van het totaal aantal ontvangers van het RMI (bron:
OASeS
;rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
Tabel 4g: Aantal ontvangers van het leefloon, absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)
| België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |||||
| AC | Per 1.000 inwoners | AC | Aandeel | AC | Aandeel | AC | Aandeel | |
| 2003 | 73.950 | 7,1 | 23.193 | 31,4 | 33.397 | 45,2 | 17.360 | 23,5 |
| 2004 | 75.383 | 7,3 | 22.469 | 29,8 | 33.779 | 44,8 | 19.135 | 25,4 |
| 2005 | 74.942 | 7,2 | 21.439 | 28,6 | 33.770 | 45,1 | 19.733 | 26,3 |
| 2006 | 78.812 | 7,5 | 22.259 | 28,5 | 35.389 | 45,3 | 20.964 | 26,2 |
| 2007 | 80.486 | 7,6 | 22.074 | 27,4 | 36.333 | 45,1 | 22.078 | 27,6 |
| 2008 | 82.846 | 7,8 | 22.358 | 27,0 | 37.328 | 45,1 | 23.160 | 28,0 |
| 2009 | 90.317 | 8,4 | 24.801 | 27,5 | 40.648 | 45,0 | 24.869 | 27,5 |
| 2010 | 95.093 | 8,8 | 25.825 | 27,2 | 42.651 | 44,9 | 26,617 | 28,0 |
* Aandeel van de gewesten in het
totaal aantal leefloonontvangers
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals
vermeld op de website van
OASeS
(rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
Als we de leefloonpopulatie gedetailleerder bekijken, dan blijkt dat bijna zes op tien van de Belgische leefloonontvangers in België vrouwen zijn. 43,4% is alleenstaand zonder kinderen. Meer dan een vierde (27,3%) van de leefloontrekkenden heeft minstens één minderjarig ongehuwd kind ten laste. De verdeling van de categorieën van het leefloon over de verschillende gewesten loopt vrij parallel.
Meer dan een vierde (29,4%) van de leefloontrekkenden is jonger dan 25 jaar. Wallonië telt een jongere leefloonpopulatie (33,1%) dan deze in de andere gewesten, terwijl in Vlaanderen een relatief groter aantal personen van 50 jaar of ouder een beroep doet op het leefloon (26,5%).
72,2% van de
leefloontrekkenden in België
heeft in 2009 de
Belgische nationaliteit, 27,7%
is van vreemde origine. Europeanen nemen
hiervan 9,4% voor hun rekening. 18,3%
heeft een niet-Europese nationaliteit.
Vooral in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het aandeel
niet-Belgische leefloontrekkenden opmerkelijk hoger dan in de andere
gewesten (nl. 37,7% in
vergelijking met 17,0% in Wallonië en 29,8% in Vlaanderen).
Dit komt hoofdzakelijk door het hogere aandeel
niet-EU gerechtigden (bron:
OASeS
(rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
Tabel 4h: Profiel van de ontvangers van het leefloon, België en gewesten, 2010 (percentages)
|
|
België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest |
| naar geslacht | ||||
|
Mannen |
42,2 | 42,5 | 40,7 | 43,7 |
|
Vrouwen |
57,8 | 57,5 | 59,3 | 56,6 |
| naar categorie | ||||
|
1. samenwonende persoon |
29,3 | 28,1 | 28,7 | 31,5 |
| 2. alleenstaande persoon | 43,4 | 45,2 | 44,1 | 40,5 |
| 3. persoon die uitsluitend leeft met een gezin te zijnen laste | 27,3 | 26,7 | 27,3 | 27,9 |
| naar leeftijd | ||||
| jonger dan 25 jaar | 29,7 | 27,8 | 33,1 | 26,9 |
| 25-39 jaar | 29,4 | 29,7 | 27,5 | 31,3 |
| 40-49 jaar | 16,8 | 16,0 | 17,4 | 17,1 |
| 50 jaar en ouder | 24,4 | 26,5 | 21,9 | 24,7 |
| naar nationaliteit | ||||
| Belgen | 72,2 | 70,2 | 83,0 | 62,2 |
| niet-Belgen - EU | 9,4 | 9,3 | 7,9 | 11,3 |
| niet-Belgen - niet-EU | 18,3 | 20,5 | 9,1 | 26,4 |
| totaal niet-Belgen | 27,7 | 29,8 | 17,0 | 37,7 |
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals
vermeld in tabel RMI 5 opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011,
Leuven: Acco, p. 461.
De federale
regering spoort de OCMW's aan om verder te gaan dan het louter uitkeren
van de leeflonen. Ze moeten de steuntrekkers ook zoveel mogelijk
activeren, naar de arbeidsmarkt leiden. In
2010 waren
12.456 gerechtigden
op het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) of Maatschappelijke Hulp
(RMH) aan het werk via het OCMW.
RMI- en RMH-gerechtigden worden hier samengeteld omdat het aandeel RMH in
verhouding zeer klein is.
(bron: Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011,
Leuven: Acco, p. 462).
Tabel 4i: Activeringsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie en het Recht op Maatschappelijke Hulp, absolute cijfers (AC) en percentages, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)
| België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |||||
| AC | % totaal RMI | AC | % | AC | % | AC | % | |
| 2003 | 8.817 | 10,9 | 3.255 | 36,9 | 3.835 | 43,5 | 1.727 | 19,6 |
| 2004 | 10.056 | 12,0 | 3.678 | 36,6 | 4.271 | 42,5 | 2.108 | 21,0 |
| 2005 | 10.819 | 14,5 | 4.014 | 37,1 | 4.486 | 41,5 | 2.320 | 21,4 |
| 2006 | 11.818 | 13,5 | 4.444 | 37,6 | 4.771 | 40,4 | 2.603 | 22,0 |
| 2007 | 11.973 | 13,3 | 4.520 | 37,8 | 4.687 | 39,1 | 2.766 | 23,1 |
| 2008 | 11.496 | 12,5 | 4.205 | 36,6 | 4.463 | 38,8 | 2.828 | 24,6 |
| 2009 | 11.736 | 11,8 | 4.437 | 37,8 | 4.535 | 38,6 | 2.764 | 23,6 |
| 2010 | 12.456 | 11,9 | 4.990 | 40,1 | 4.622 | 37,1 | 2.845 | 22,8 |
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals
vermeld in tabel RMI 7 opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011),
Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011,
Leuven: Acco, p. 463.
Mensen die niet in
aanmerking komen voor het Recht op Maatschappelijke Integratie kunnen
beroep doen op het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het gaat
dan in hoofdzaak om vreemdelingen die niet ingeschreven zijn in het
bevolkingsregister, onder wie een grote groep kandidaat-vluchtelingen.
Het RMH kan verschillende vormen aannemen: financiële
steun (bedrag dat equivalent is aan dat van het leefloon), tewerkstelling, medische hulp.
Met de invoering van het RMI - en de ruimere
toekenningsvoorwaarden - werd een daling ingezet in 2003. Sinds 2009
stijgt het aantal ontvangers echter weer.
Het Vlaams Gewest blijft
met 40,8% verantwoordelijk voor het totaal
aantal ontvangers van het RMH. Het aandeel van het Waals Gewest
bedraagt 22,8% en
van het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest 36,3%.
(bron:
OASeS
, rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen,
oktober
2011).
Tabel 4j: Aantal ontvangers van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH), absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)
| België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |||||
| AC | Per 1.000 inwoners | AC | % | AC | % | AC | % | |
| 2003 | 47.318 | 4,6 | 24.373 | 51,5 | 12.804 | 27,1 | 10.140 | 21,4 |
| 2004 | 45.896 | 4,4 | 22.631 | 49,3 | 12.998 | 28,3 | 10.267 | 22,4 |
| 2005 | 41.099 | 4,0 | 19.787 | 46,7 | 12.436 | 30,2 | 8.876 | 23,0 |
| 2006 | 41.419 | 3,9 | 18.803 | 45,4 | 11.265 | 27,2 | 11.351 | 27,4 |
| 2007 | 36.633 | 3,5 | 16.062 | 43,8 | 9.466 | 25,8 | 11.105 | 30,3 |
| 2008 | 30.940 | 2,9 | 12.796 | 41,4 | 7.496 | 24,2 | 10.648 | 34,4 |
| 2009 | 32.547 | 3,0 | 13.134 | 40,4 | 7.228 | 22,2 | 12.185 | 37,4 |
| 2010 | 36.333 | 3,4 | 14.840 | 40,8 | 8.302 | 22,8 | 13.191 | 36,3 |
* Aandeel van de gewesten in het
totaal aantal RMH-ontvangers.
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals
vermeld op de website van
OASeS
(rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
Laatste aanpassing: 13/12/11