S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

 

Hoeveel bedraagt het leefloon en hoeveel mensen moeten ermee rondkomen?

Sinds 1 september 2011 bedraagt het leefloon voor een alleenstaande 770,18 netto per maand, 513,46 € netto per maand voor een samenwonende en 1.026,91 € netto per maand voor een persoon die samenwoont met een gezin te zijnen laste. In 2010 waren er 104.909 ontvangers van het Recht op Maatschappelijke Integratie, waarvan 95.093 een leefloon ontvingen.

Toelichting:

De overheid heeft de bedragen van het leefloon en sociale uitkeringen op volgende manier vastgelegd:


Tabel 4a: Evolutie van de
netto maandbedragen van het bestaansminimum per categorie van rechthebbenden volgens de Bestaansminimumwet, 1990-feb. 2002

Datum Cat. 1
samenwonend onder 1 dak
Cat. 2
persoon met niet-getrouwde
minderjarige of meerdere kinderen
waarvan minstens 1 niet-getrouwde
minderjarige
Cat. 3
alleenstaande
Cat. 4
alle anderen die met 1 of meerdere personen samenwonen
jan. 1990    22.618 BF 20.356 BF 16.963 BF 11.309 BF
dec. 1994    26.805 BF 26.805 BF 20.103 BF 13.402 BF
sept. 2000  29.015 BF 29.015 BF 21.761 BF 14.507 BF
juni 2001    29.595 BF 29.595 BF 22.196 BF 14.797 BF
jan.2002   762,96 762,96 572,22 381,48
feb. 2002   778,21 778,21 583,66 389,11



Tabel 4b:
Evolutie van de
netto maandbedragen van het bestaansminimum per categorie van rechthebbenden volgens de Bestaansminimumwet, okt. 2002-okt. 2004

Datum Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont
Cat. 2
Een alleenstaand persoon
Cat. 3
Een alleenstaand persoon die onderhoudsuitkeringen verschuldigd is tov zijn kinderen of een alleenstaand persoon die voor de helft van de tijd hetzij een ongehuwde minderjarige hetzij meerdere kinderen waaronder een ongehuwde minderjarige te zijner laste heeft
Cat. 4
Eénoudergezin met kinderlast
okt. 2002 389,11 € 583,66 € 680,94 € 778,21 €
juni 2003 396,88 € 595,32 € 694,54 € 793,76 €
okt. 2004 408,89 € 613,33 € 715,55 € 817,77 €

 

Tabel 4c: Netto maandbedragen van het leefloon vanaf 1 jan. 2005

Datum

Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont
 

Cat. 2
Een alleenstaand persoon
Cat. 3
Een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste
jan. 2005 408,89 € 613,33 € 817,77 €
aug. 2005 417,07 € 625,60 € 834,14 €
okt. 2006 429,66 644,48 859,31
april 2007 438,25 657,37 876,50
jan. 2008 455,96  683,95  911,93
mei 2008 465,07 697,61 930,14
sept. 2008 474,37 711,56 948,74
juni 2009 483,85 € 725,79 967,72 €
sept. 2010 493,54 € 740,32 € 987,09 €
mei 2011 503,39 € 755,08 € 1006,78 €
sept. 2011 513,46 € 770,18 € 1026,91 €

Bronnen: omzendbrieven van de POD Maatschappelijke Integratie: Wijzigingen met ingang van 1 januari 2005 inzake het recht op maatschappelijke integratie, omzendbriefbrief 2004-12-14; Verhoging van de bedragen van het leefloon bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Indexaanpassing op 1 oktober 2006 van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, omzendbrief 2006-10-01; Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1, van de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie. Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 januari 2008 - verwachte indexaanpassing, omzendbrief 2007-12-18; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 mei 2008, omzendbrief 2008-04-30; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 september 2008, omzendbrief 2008-09-01; Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1 van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie - 1 juni 2009, omzendbrief 2009-05-25; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijk welzijn behoren, op 1 september 2010, omzendbrief 2010-09-01; Aanpassing van de bedragen die tot de federale wetgeving met betrekking tot het maatschappelijke welzijn behoren, op 1 mei 2001, omzendbrief 2011-05-01; Verhoging van de basisbedragen bedoeld in artikel 14, § 1 van de Wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie -1 september 2011.
 


Uit deze bedragen blijkt dat het nettobedrag van het leefloon voor een alleenstaand persoon, nl. 770,18 €/per maand, lager is dan 60% van het mediaan netto inkomen, nl. 973 €/maand voor een alleenstaande (dit is de armoederisicodrempel op basis van de enquête EU-SILC 2010).

In de onderstaande grafieken worden de uitkeringen en het minimumloon vergeleken met de armoederisicogrens voor de periode 2004-2009. De cijfers worden weergegeven voor werknemers op 1 januari van elk jaar. 


Figuur 4a: Netto minimum- en maximumuitkering als percentage van de armoedegrens voor koppels met twee kinderen (inclusief gezinstoelagen), 2004-2009

Bronnen: 2003-2004-2005-2006: ADSEI (EU-SILC armoedegrens) en FOD Sociale Zekerheid (uitkeringen)_2008-2009:FOD Sociale Zekerheid, MIMOSIS, zoals opgenomen in FOD Sociale Zekerheid (2009), Indicatoren van sociale bescherming in  België, p. 16.

 

Figuur 4b: Netto minimum- en maximumuitkering als percentage van de armoedegrens voor alleenstaanden, 2004-2009

Bronnen: 2003-2004-2005-2006: ADSEI (EU-SILC armoedegrens) en FOD Sociale Zekerheid (uitkeringen)_2008-2009:FOD Sociale Zekerheid, MIMOSIS, zoals opgenomen in FOD Sociale Zekerheid (2009), Indicatoren van sociale bescherming in  België, p. 16.

Uit de bovenstaande grafieken blijkt dat het niveau van de sociale bijstandsuitkeringen en de minimale sociale zekerheidsuitkeringen rond (minimale invaliditeitsuitkering, pensioen) of onder de armoederisicogrens ligt (bron: FOD Sociale Zekerheid (2009), Indicatoren van sociale bescherming in  België, p. 17).
 

Sinds oktober 2002 is het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) van kracht, in de vorm van een uitkering (het leefloon) of tewerkstelling (activering). Het leefloon kwam in de plaats van het bestaansminimum (bron: Vranken Jan, De Boyser Katrien & Dierckx Danielle (red.) (2006), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2006, Leuven: Acco, p. 391-397). Met de invoering van het leefloon (in 2003) wijzigden de categorieën en de voorwaarden om in aanmerking te komen voor het recht op maatschappelijke integratie (bijvoorbeeld vreemdelingen ingeschreven in het bevolkingsregister komen nu ook in aanmerking voor het leefloon). Hierdoor is het moeilijk om vergelijkingen te maken.

Het absolute aantal ontvangers van het RMI steeg de afgelopen zeven jaar onafgebroken voor heel België, maar ook voor de gewesten (tabel 4d). Ook het aandeel in de nationale cijfers blijft voor het Waals Gewest de afgelopen jaren redelijk stabiel, maar hoog: 44,5% van het aantal ontvangers woont in het Waals Gewest.  In het Vlaams en Brussels Gewest is dit aandeel respectievelijk 28,1% en 27,4%. (bron: Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 458).

 

Tabel 4d: Aantal ontvangers van het RMI, absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC % AC % AC %
2003 81.228 7,8 25.896 31,9 36.918 45,4 18.415 22,7
2004 83.639 8,0 25.474 30,5 37.691 45,1 20.475 24,5
2005 84.385 8,0 24.779 29,4 38.121 45,2 21.485 25,5
2006 87.847 8,4 25.600 29,1 39.420 44,9 22.827 26,0
2007 89.900 8,5 25.555 28,4 40.369 44,9 24.066 26,7
2008 92.086 8,6 25.631 27,8 41.235 44,8 25.222 27,4
2009 99.768 9,3 28.317 28,4 44.600 44,7 26.851 26,9
2010 104.909 9,7 29.483 28,1 46.688 44,5 28.738 27,4

* Aandeel van de gewesten in het totaal aantal RMI-ontvangers.
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals vermeld op de website van OASeS (rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).


Tussen 2009 en 2010 stijgt het aantal RMI-ontvangers in Vlaanderen met 4%. In alle provincies stijgt dit aantal. Een groot deel van de RMI-ontvangers bevindt zich in de grootsteden. Het aantal RMI-ontvangers per 1000 inwoners is in 2010 het hoogst in de steden Gent (20,7%), Antwerpen (11,6%) en Oostende (10,9%). In de 19 Brusselse Gemeenten vinden we het hoogste aantal ontvangers per 1000 inwoners terug (26,3%). In het Waals Gewest stijgt het aantal RMI-ontvangers tussen 2009 en 2010. Het aantal RMI-ontvangers per 1000 inwoners ligt in de zwaarst belaste steden in het Waals Gewest een stuk hoger dan deze in het Vlaams Gewest. De verhouding ten opzichte van de bevolking is het hoogst in de steden Luik (40,0%), Verviers (36,6%), Hoei (28,2%), Charleroi (27,3), Bergen (25,3%) en Namen (21,0%). (bron: Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 458-460).


Tabel 4e: Aantal RMI-ontvangers in de voormalige SIF-plus gemeenten in verhouding tot het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie en per 1.000 inwoners, Vlaams Gewest en Brussels Hoofdstedelijk Gewest, 2009 en 2010 (absolute cijfers en percentages)

Gemeente/stad per provincie Aantal RMI-ontvangers Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie Aantal RMI-ontvangers per 1.000 inwoners

 

2009 2010 2009 2010 2009 2010
Vlaams Gewest 28.317 29.483 nvt nvt 4,6 4,7
             
Provincie Antwerpen: 9.408 9.625 100,0 100,0 5,4 5,5
Antwerpen 5.667 5.606 60,2 58,2 11,9 11,6
Lier 140 164 1,5 1,7 4,2 4,8
Mechelen 654 662 7,0 6,9 8,2 8,2
Turnhout 270 276 2,9 2,9 6,7 6,8
Willebroek 166 185 1,8 1,9 6,9 7,7
             
Provincie Vlaams-Brabant: 3.455 3.592 100,0 100,0 3,2 3,3
Diest 55 65 1,6 1,8 2,4 2,8
Leuven 860 856 24,9 23,8 9,1 9,1
Tienen 138 168 4,0 4,7 4,3 5,2
Vilvoorde 204 204 5,9 5,7 5,2 5,2
             
Provincie Limburg: 2.292 2.371 100,0 100,0 2,8 2,8
Genk 202 241 8,8 10,2 3,1 3,7
Ham 21 25 0,9 1,1 2,1 2,4
Maasmechelen 163 163 7,1 6,9 4,4 4,4
Tongeren 103 97 4,5 4,1 3,4 3,2
             
Provincie Oost-Vlaanderen: 8.681 9.278 100,0 100,0 6,1 6,5
Aalst 529 518 6,1 5,6 6,7 6,5
Dendermonde 146 157 1,7 1,7 3,3 3,6
Eeklo 156 148 1,8 1,6 7,8 7,4
Gent 4.448 4.984 51,2 53,7 18,6 20,7
Geraardsbergen 176 182 2,0 2,0 5,5 5,7
Ronse 189 179 2,2 1,9 7,6 7,1
Wetteren 105 121 1,2 1,3 4,5 5,1
Zelzate 85 75 1,0 0,8 6,9 6,1
             
Provincie West-Vlaanderen: 4.482 4.617 100,0 100,0 3,9 4,0
Blankenberge 175 162 3,9 3,5 9,4 8,7
Bredene 49 48 1,1 1,0 3,1 3,0
Brugge 557 595 12,4 12,9 4,8 5,1
De Panne 38 44 0,8 1,0 3,6 4,2
Kortrijk 673 680 15,0 14,7 9,1 9,2
Menen 209 206 4,7 4,5 6,4 6,3
Nieuwpoort 54 69 1,2 1,5 4,9 6,2
Oostende 722 757 16,1 16,4 10,5 10,9
Spiere-Helkijn 10 12 0,2 0,3 4,6 5,8
             
Brussels Hoofdstedelijk Gewest:            
Brussel (19 gemeenten) 26.851 28.738 nvt nvt 25,2 26,3

Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS; Studiedienst van de Vlaamse Regering. Tabel zoals opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 459.


Tabel 4f: Aantal RMI-ontvangers in een aantal grote steden in verhouding tot het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie en per 1.000 inwoners; Waals Gewest, 2009 en 2010 (absolute cijfers en percentages)

Gemeente/stad per provincie Aantal RMI-ontvangers Percentage t.o.v. het totaal aantal RMI-ontvangers in de provincie Aantal RMI-ontvangers per 1.000 inwoners
  2009 2010 2009 2010 2009 2010
Waals Gewest 44.600 46.688 nvt nvt 12,8 13,3
             
Provincie Waals Brabant: 2.099 2.208 100,0 100,0 5,6 5,8
Nijvel 210 233 10,0 10,6 8,2 8,9
Ottignies-Louvain-La-Neuve 355 357 16,9 16,2 11,8 11,6
Waver 129 150 6,1 6,8 4,0 4,6
             
Provincie Henegouwen: 18.087 19.004 100,0 100,0 13,9 14,5
Bergen 2.246 2.321 12,4 12,2 24,6 25,3
Charleroi 4.977 5.537 27,5 29,1 24,6 27,3
La Louvière 1.286 1.405 7,1 7,4 16,6 18,0
Moeskroen 697 695 3,9 3,7 12,8 12,7
             
Provincie Luik: 17.517 18.175 100,0 100,0 16,5 17,0
Herstal 544 555 3,1 3,1 14,3 14,5
Hoei 538 587 3,1 3,2 26,1 28,2
Luik 7.458 7.706 42,6 42,4 39,1 40,0
Seraing 1.284 1.366 7,3 7,5 20,6 21,8
Verviers 2.055 2.025 11,7 11,1 37,5 36,6
             
Provincie Luxemburg: 1.931 1.943 100,0 100,0 7,2 7,2
Aarlen 280 292 14,5 15,0 10,2 10,5
Marche-en-Famenne 171 165 8,9 8,5 9,9 9,6
             
Provincie Namen: 4.965 5.357 100,0 100,0 10,6 11,3
Andenne 257 269 5,2 5,0 10,3 10,7
Dinant 134 223 2,6 4,2 15,2 16,7
Namen 2.214 2.285 44,6 42,6 19,6 21,0
Sambreville 354 367 7,1 6,9 13,0 13,4

Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS; FOD Binnenlandse zaken, Algemene Directie Instellingen en Bevolking. Tabel zoals opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 460.

 

Indien we specifiek het leefloon bekijken binnen het RMI, dan zien we een vergelijkbare evolutie. In 2010 ontvingen 95.093 mensen het leefloon, een stijging van 5% ten opzichte van 2009. De verdeling tussen de verschillende gewesten loopt gelijk aan de verdeling van het totaal aantal ontvangers van het RMI (bron: OASeS ;rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
 

Tabel 4g: Aantal ontvangers van het leefloon, absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC Aandeel AC Aandeel AC Aandeel
2003 73.950 7,1 23.193 31,4 33.397 45,2 17.360 23,5
2004 75.383 7,3 22.469 29,8 33.779 44,8 19.135 25,4
2005 74.942 7,2 21.439 28,6 33.770 45,1 19.733 26,3
2006 78.812 7,5 22.259 28,5 35.389 45,3 20.964 26,2
2007 80.486 7,6 22.074 27,4 36.333 45,1 22.078 27,6
2008 82.846 7,8 22.358 27,0 37.328 45,1 23.160 28,0
2009 90.317 8,4 24.801 27,5 40.648 45,0 24.869 27,5
2010 95.093 8,8 25.825 27,2 42.651 44,9 26,617 28,0

* Aandeel van de gewesten in het totaal aantal leefloonontvangers
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals vermeld op de website van OASeS (rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
 

Als we de leefloonpopulatie gedetailleerder bekijken, dan blijkt dat bijna zes op tien van de Belgische leefloonontvangers in België vrouwen zijn. 43,4% is alleenstaand zonder kinderen. Meer dan een vierde (27,3%) van de leefloontrekkenden heeft minstens één minderjarig ongehuwd kind ten laste. De verdeling van de categorieën van het leefloon over de verschillende gewesten loopt vrij parallel.

Meer dan een vierde (29,4%) van de leefloontrekkenden is jonger dan 25 jaar. Wallonië telt een jongere leefloonpopulatie (33,1%) dan deze in de andere gewesten, terwijl in Vlaanderen een relatief groter aantal personen van 50 jaar of ouder een beroep doet op het leefloon (26,5%).

72,2% van de leefloontrekkenden in België heeft in 2009 de Belgische nationaliteit, 27,7% is van vreemde origine. Europeanen nemen hiervan 9,4% voor hun rekening. 18,3% heeft een niet-Europese nationaliteit. Vooral in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het aandeel niet-Belgische leefloontrekkenden opmerkelijk hoger dan in de andere gewesten (nl. 37,7% in vergelijking met 17,0% in Wallonië en 29,8% in Vlaanderen). Dit komt hoofdzakelijk door het hogere aandeel niet-EU gerechtigden (bron: OASeS (rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
 

Tabel 4h: Profiel van de ontvangers van het leefloon, België en gewesten, 2010 (percentages)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest

naar geslacht        

Mannen

42,2 42,5 40,7 43,7

Vrouwen

57,8 57,5 59,3 56,6
         
naar categorie        

1. samenwonende persoon

29,3 28,1 28,7 31,5
2. alleenstaande persoon 43,4 45,2 44,1 40,5
3. persoon die uitsluitend leeft met een gezin te zijnen laste 27,3 26,7 27,3 27,9
         
naar leeftijd        
jonger dan 25 jaar 29,7 27,8 33,1 26,9
25-39 jaar 29,4 29,7 27,5 31,3
40-49 jaar 16,8 16,0 17,4 17,1
50 jaar en ouder 24,4 26,5 21,9 24,7
         
naar nationaliteit        
Belgen 72,2 70,2 83,0 62,2
niet-Belgen - EU 9,4 9,3 7,9 11,3
niet-Belgen - niet-EU 18,3 20,5 9,1 26,4
totaal niet-Belgen 27,7 29,8 17,0 37,7

Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals vermeld in tabel RMI 5 opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 461.
 

De federale regering spoort de OCMW's aan om verder te gaan dan het louter uitkeren van de leeflonen. Ze moeten de steuntrekkers ook zoveel mogelijk activeren, naar de arbeidsmarkt leiden. In 2010 waren 12.456 gerechtigden op het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) of Maatschappelijke Hulp (RMH)  aan het werk via het OCMW.  RMI- en RMH-gerechtigden worden hier samengeteld omdat het aandeel RMH in verhouding zeer klein is. (bron: Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 462).
 

Tabel 4i:  Activeringsmaatregelen in het kader van het Recht op Maatschappelijke Integratie en het Recht op Maatschappelijke Hulp, absolute cijfers (AC) en percentages, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC % totaal RMI AC % AC % AC %
2003 8.817 10,9 3.255 36,9 3.835 43,5 1.727 19,6
2004 10.056 12,0 3.678 36,6 4.271 42,5 2.108 21,0
2005 10.819 14,5 4.014 37,1 4.486 41,5 2.320 21,4
2006 11.818 13,5 4.444 37,6 4.771 40,4 2.603 22,0
2007 11.973 13,3 4.520 37,8 4.687 39,1 2.766 23,1
2008 11.496 12,5 4.205 36,6 4.463 38,8 2.828 24,6
2009 11.736 11,8 4.437 37,8 4.535 38,6 2.764 23,6
2010 12.456 11,9 4.990 40,1 4.622 37,1 2.845 22,8

Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals vermeld in tabel RMI 7 opgenomen in Dierckx, Danielle et al. (red.) (2011), Armoede en sociale uitsluiting. Jaarboek 2011, Leuven: Acco, p. 463.
 

Mensen die niet in aanmerking komen voor het Recht op Maatschappelijke Integratie kunnen beroep doen op het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH). Het gaat dan in hoofdzaak om vreemdelingen die niet ingeschreven zijn in het bevolkingsregister, onder wie een grote groep kandidaat-vluchtelingen. Het RMH kan verschillende vormen aannemen: financiële steun (bedrag dat equivalent is aan dat van het leefloon), tewerkstelling, medische hulp.
Met de invoering van het RMI - en de ruimere toekenningsvoorwaarden - werd een daling ingezet in 2003. Sinds 2009 stijgt het aantal ontvangers echter weer. Het Vlaams Gewest blijft met 40,8% verantwoordelijk voor het totaal aantal ontvangers van het RMH. Het aandeel van het Waals Gewest bedraagt 22,8% en van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 36,3%. (bron: OASeS , rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).
 

Tabel 4j: Aantal ontvangers van het Recht op Maatschappelijke Hulp (RMH), absolute cijfers (AC), percentages* en per 1.000 inwoners, België en gewesten, 2003-2010 (jaargemiddelde)

  België

Vlaams Gewest

Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  AC Per 1.000 inwoners AC % AC % AC %
2003 47.318 4,6 24.373 51,5 12.804 27,1 10.140 21,4
2004 45.896 4,4 22.631 49,3 12.998 28,3 10.267 22,4
2005 41.099 4,0 19.787 46,7 12.436 30,2 8.876 23,0
2006 41.419 3,9 18.803 45,4 11.265 27,2 11.351 27,4
2007 36.633 3,5 16.062 43,8 9.466 25,8 11.105 30,3
2008 30.940 2,9 12.796 41,4 7.496 24,2 10.648 34,4
2009 32.547 3,0 13.134 40,4 7.228 22,2 12.185 37,4
2010 36.333 3,4 14.840 40,8 8.302 22,8 13.191 36,3

* Aandeel van de gewesten in het totaal aantal RMH-ontvangers.
Bron: POD Maatschappelijke Integratie en berekeningen OASeS zoals vermeld op de website van OASeS (rubriek Cijfers en statistieken/Bodemuitkeringen, oktober 2011).

 

 

Laatste aanpassing: 13/12/11