S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Hoeveel bedragen de minimumuitkeringen en het minimumloon?


In deze rubriek beperken we ons tot
het minimumloon en de inkomensvervangende uitkeringen. Aanvullende uitkeringen, zoals bijvoorbeeld de kinderbijslag, integratietegemoetkoming, tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden enz. worden bijgevolg niet behandeld.

Hierna volgt een beknopt overzicht van de bedragen die van kracht zijn. Alle bedragen zijn indexgebonden. Voor uitgebreide informatie rond de regelgeving verwijzen we naar relevante websites.

 

minimumloon  minimum werkloosheidsuitkering leefloon minimumpensioen inkomensgarantie voor ouderen ziekte- en invaliditeitsverzekering tegemoetkomingen aan personen met een handicap  armoederisicogrens


Minimumloon:


Het gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen (GGMMI) - zoals dat officieel heet - is het minimumloon uit arbeid dat de werkgever in de privé-sector, sinds 1975, voor een gemiddelde maand aan een voltijdse werknemer die 21 jaar of ouder is moet garanderen. Minder dan het minimumloon betalen mag niet.

Dit nationaal minimumloon wordt in België niet door de wet vastgelegd maar wordt sinds 1975 bepaald tijdens onderhandelingen tussen de sociale partners. Het geldt voor alle werkgevers en alle werknemers uit de privésector.
Per bedrijfstak kunnen vakbonden en werkgevers bovendien overeenkomen om hogere minimumlonen vast te leggen.

Voor deeltijds werk geldt het minimumloon ook, maar wel in verhouding tot het aantal gewerkte uren (bijv.: wie 20 uren werkt in een bedrijf waar 38 uren als voltijds geldt, heeft recht op minimaal 20/38sten van het minimumloon)
.


In 1988 hebben de sociale partners twee verhoogde minimumlonen geïntroduceerd voor de werknemers boven 21 jaar, namelijk één voor de werknemers die minstens 21,5 jaar oud zijn en tenminste een half jaar anciënniteit hebben, en één voor de werknemers die minstens 22 jaar oud zijn en tenminste een jaar anciënniteit hebben
(bron: mijn loon).
 

Tabel 15a: brutobedragen gewaarborgd gemiddeld minimummaandinkomen voor het verrichten van normale voltijdse arbeidsprestaties van kracht op 1 oktober 2008

leeftijd bruto maandbedrag
vanaf 21 jaar 1.387,49 €
vanaf 21,5 jaar + 6 maanden anciënniteit 1.424,31 €
vanaf 22 jaar + 12 maanden anciënniteit 1.440,67 €

bron: Nationale Arbeidsraad: Cao bedragen


In 1991 hebben de sociale partners beslist om het minimumloon uit te breiden tot werknemers jonger dan 21 jaar. Voor deze werknemers vertegenwoordigt het minimumloon slechts een percentage van het nationale of sectorale minimumloon, variërend tussen 70% voor de werknemers van 16 jaar of jonger en 94% voor de werknemers die 20 jaar oud zijn. Elk jaar komt er 6% bij.


Tabel 15b: Gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen (GGMMI) in functie van de leeftijd

Leeftijd % van het GGMMI bruto maandbedrag
20 jaar 94% 1.304,24
19 jaar 88% 1.220,99
18 jaar 82% 1.137,74
17 jaar 76% 1.054,50
16 jaar 70% 971,24

bron: vacature
 

Om het nettobedrag te kennen moet een bepaalde formule worden toegepast:

  Brutosalaris (verkregen in het kader van een arbeidsovereenkomst)

-

Sociale bijdragen van de werknemer (13,07 % van het brutosalaris voor de arbeiders van de privé-sector)
 
= Belastbaar brutosalaris
- Bedrijfsvoorheffing
 
= Nettosalaris

bron: FOD Financiën: Administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit

 

Meer info: Nationale Arbeidsraad

 


Minimum werkloosheidsuitkering:
 

bullet

Werkloosheidsuitkeringen

Tabel 15c: Werkloosheidsuitkeringen zonder anciënniteitstoeslag van kracht op 1 mei 2009

bron: Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling

 

Tabel 15d: Werkloosheidsuitkeringen met anciënniteitstoeslag van kracht op 1 mei 2009

bron: Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling

 

bullet

Wachtuitkeringen

De jongeren die toegelaten worden tot de werkloosheid op basis van hun studies of een leertijd, ontvangen, na een wachttijd, forfaitaire wachtuitkeringen waarvan de bedragen variëren naargelang hun leeftijd en gezinstoestand (bron: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg).

Tabel 15e: Wachtuitkeringen geldig vanaf 1 mei 2009

bron: Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling
 


Meer info: Rijksdienst voor Arbeidsbemiddeling

 


Leefloon:

Sinds oktober 2002 is het Recht op Maatschappelijke Integratie (RMI) van kracht, in de vorm van een uitkering (het leefloon) of tewerkstelling (activering). Het leefloon kwam in de plaats van het bestaansminimum.


Tabel 15f:
L
eefloonbedragen van kracht op 1 juni 2009

 

per maand

per jaar

Cat. 1
Elke persoon die met één of meerdere personen samenwoont
483,86 5.806,30 €
Cat. 2
Een alleenstaand persoon
725,79 8.709,45
Cat. 3
Een persoon die uitsluitend samenwoont met een gezin te zijnen laste
967,72 11.612,61

bron: POD Maatschappelijke Integratie: Omzendbrief 2009-05-25: Aanpassing van de basisbedragen van het leefloon vanaf 1 juni 2009

Meer info: POD Maatschappelijke Integratie: leefloon

 


Minimumpensioen:


Het bedrag van het rustpensioen voor een volledige loopbaan mag niet lager zijn dan een bepaald minimum.

Werknemers:

Tabel 15g: Gewaarborgd minimumpensioen van werknemers voor een volledige loopbaan vanaf 1 juni 2009

  per maand per jaar
Rustpensioen* gezinsbedrag 1.255,69 € 15.068,27 €
Rustpensioen* bedrag alleenstaande  1004,87 € 12.058,41 €
Overlevingspensioen**    989,07 € 11.868,82 €

* Rustpensioen: pensioen dat wordt toegekend op basis van een persoonlijke beroepsloopbaan als werknemer, zelfstandige of personeelslid van de openbare sector (bron: Rijksdienst voor pensioenen)
** Overlevingspensioen: een uitkering die u ontvangt voor een vroegere arbeidsperiode van uw overleden echtgeno(o)t(e) (bron: FOD Sociale Zekerheid)
bron: Rijksdienst voor pensioenen

 

Zelfstandigen:

Tabel 15h: Gewaarborgd minimumpensioen voor zelfstandigen bij volledige loopbaan vanaf 1 augustus 2009

  per maand per jaar
gezinspensioen 1.213,44 € 14.561,24 €
pensioen alleenstaande of overlevingspensioen   920,62 € 11.047,46 €

bron: RSVZ
 

Meer informatie:

bullet

Rijksdienst voor pensioenen : specifieke uitkeringen en veelgestelde vragen

bullet

Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen (RSVZ) : pensioenen

 


Inkomensgarantie voor ouderen (IGO)


Het IGO vervangt sinds 1 juni 2001 het Gewaarborgd Inkomen voor Bejaarden (GIB). Het is een bijstandsregeling die de overheid verstrekt aan ouderen die de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar bereikt hebben en die door omstandigheden geen of geen voldoende loopbaan hebben kunnen opbouwen.
 

Tabel 15i: Basisbedragen inkomensgarantie voor ouderen vanaf 1 juni 2009

  per maand per jaar
gehuwde of samenwonende 595,33 €  7.143,91
alleenstaande 892,99 € 10.715,87

bron: Rijksdienst voor pensioenen


Meer info: Rijksdienst voor pensioenen: IGO

 


Ziekte- en invaliditeitsverzekering


Indien de periode van arbeidsongeschiktheid minder dan 1 jaar duurt, spreken we van primaire ongeschiktheid
.
Indien arbeidsongeschiktheid voortduurt na de periode van primaire ongeschiktheid, dus langer dan 1 jaar, spreken we van invaliditeit (bron: RIZIV).


Werknemers:

De uitkeringen worden begrensd door maximum- en minimumbedragen.

D
e bedragen hangen af van het tijdsstip waarop iemand arbeidsongeschikt is geworden. Ter illustratie geven we de bedragen die gelden voor een persoon die recent arbeidsongeschikt is geworden. De gedetailleerde tabellen met bedragen vindt u hier.


Tabel
15j:
Maximum- en minimumbedragen uitkeringen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit voor werknemers volgens periode van arbeidsongeschiktheid van kracht op 1 september 2009

Primaire arbeidsongeschiktheid

Maximum
Gerechtigden Met gezinslast  Zonder gezinslast  
    Alleenstaanden Samenwonenden
Arbeidsongeschiktheid vanaf 1/1/2009 71,02 €/dag 71,02 €/dag 71,02 €/dag
1.846,52 €/maand 1.846,52 €/maand 1.846,52 €/maand
22.158,24 €/jaar 22.158,24 €/jaar 22.158,24 €/jaar
Minimum (vanaf de 1ste dag van de 7e maand van de arbeidsongeschiktheid)
Gerechtigden Met gezinslast  Zonder gezinslast
    Alleenstaanden Samenwonenden
regelmatig werknemer   48,30 €/dag 38,65 €/dag 32,49 €/dag
1.255,80 €/maand 1004,90 €/maand 844,74 €/maand
15.069,60 €/jaar 12.058,80 €/jaar 10.136,88 €/jaar
niet-regelmatig werknemer 37,22 €/dag

27,91 €/dag  

967,72 €/maand 725,66 €/maand
11.612,64 €/jaar 8.707,92 €/jaar
Invaliditeit*
Maximum
Gerechtigden
Invalide vanaf 1/01/2009
Met gezinslast Alleenstaanden Samenwonenden


arbeidsongeschikt vóór 1/01/2008 (**)

 

77,55 €/dag   65,62 €/dag 47,73 €/dag  
2.016,30 €/maand  1.706,12 €/maand  1.240,98 €/maand
 24.195,60 €/jaar  20.473,44 €/jaar  14.891,76 €/jaar

arbeidsongeschikt vanaf 1/01/2008

 

76,94 €/dag   65,10 €/dag 47,35 €/dag  
2.000,44 €/maand 1.692,60 €/maand 1.231,10 €/maand
24.005,28 €/jaar 20.311,20 €/jaar 14.773,20 €/jaar
 
Minimum
Gerechtigden                                  Met gezinslast  Zonder gezinslast
    Alleenstaanden Samenwonenden
regelmatig werknemer 48,30 €/dag 38,65 €/dag 32,49 €/dag
1.255,80 €/maand 1004,90 €/maand 844,74 €/maand
15.069,60 €/jaar 12.058,80 €/jaar 10.136,88 €/jaar
niet-regelmatig werknemer 37,22 €/dag

27,91 €/dag  

967,72 €/maand 725,66 €/maand
11.612,64 €/jaar 8.707,92 €/jaar

opmerking: maand = dag x 26; jaar = dag x 312
*Bedragen voor de invaliden die arbeidsongeschikt geworden zijn vanaf 01/01/2003
**Deze categorie omvat de gerechtigden die arbeidsongeschikt werden voor 01/01/2008 en die pas na 31/12/2008 in invaliditeit treden omwille van een schorsing van de primaire periode wegens zwangerschapsverlof.
bron: RIZIV


Zelfstandigen:


Tabel 15k:
 Bedragen uitkeringen arbeidsongeschiktheid en invaliditeit van kracht op 1 september 2009

Primaire arbeidsongeschiktheid

Gerechtigde Met gezinslast Alleenstaande Samenwonende
  46,67 €/dag   35,41 €/dag 29,64 €/dag  
1.213,42 €/maand 920,66 €/maand 770,64 €/maand
14.561,04€/jaar 11.047,92 €/jaar 9247,68 €/jaar

Invaliditeit

Gerechtigde                                  Met gezinslast Alleenstaande Samenwonende
Zonder stopzetting van zijn bedrijf 46,67 €/dag   35,41 €/dag 29,64 €/dag  
1.213,42 €/maand 920,66 €/maand 770,64 €/maand
14.561,04 €/jaar 11.047,92 €/jaar 9.247,68 €/jaar
Met stopzetting van zijn bedrijf 48,30 €/dag 38,65 €/dag 32,49 €/dag
1.255,80 €/maand 1004,90 €/maand 844,74 €/maand
15.069,60 €/jaar 12.058,80 €/jaar 10.136,88 €/jaar

opmerking: maand = dag x 26; jaar = dag x 312
bron: RIZIV


Meer info: RIZIV: uitkeringsbedragen vanaf 1 september 2009

 



Tegemoetkomingen aan personen met een handicap:


Deze tegemoetkomingen bestaan uit: inkomensvervangende tegemoetkoming, integratietegemoetkoming en tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden.
Ze kunnen gelijktijdig of afzonderlijk toegekend worden. Aangezien enkel de inkomensvervangende tegemoetkoming het loon vervangt, wordt deze besproken. Informatie over de integratietegemoetkoming en de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden vindt u op de website van de Directie-generaal Personen met een handicap.

bullet

Inkomensvervangende tegemoetkoming

Deze tegemoetkoming wordt toegekend aan de persoon die, wegens zijn handicap, niet in staat is meer dan een derde te verdienen van wat een gezond persoon door uitoefening van een beroep op de algemene arbeidsmarkt kan verdienen.
Bij de berekening van de tegemoetkoming wordt er rekening gehouden met de inkomsten van de persoon met een handicap, alsook van de persoon met wie de persoon met een handicap een huishouden vormt.


Tabel 15l: Maximale bedragen inkomensvervangende tegemoetkoming van kracht op 1 juni 2009

per maand per jaar
categorie A*** 484,10 € 5.809,22
categorie B** 726,15 € 8.713,83
categorie C* 968,20 € 11.618,44 €

* Behoren tot categorie C: de persoon met een handicap die:
- een huishouden vormt;
- of één of meerdere kinderen ten laste heeft.
**Behoren tot categorie B: de persoon met een handicap
- die alleen leeft;
- of die zelf niet behoort tot categorie C en die gedurende 3 maanden dag en nacht in een instelling verblijft
*** Behoren tot categorie A: de persoon met een handicap die niet behoort tot de categorie B, noch tot de categorie C.
bron: FOD Sociale Zekerheid: Directie-generaal Personen met een handicap


Meer info: Directie-generaal Personen met een handicap

 


Armoederisicogrens:


Aangezien armoede niet éénduidig kan gedefinieerd worden, is het niet mogelijk om één geldige en exacte armoedegrens te bepalen. Elke grens is uiteraard een conventie. De standaarddefinitie die gebruikt wordt door de Europese Commissie is gerelateerd aan de verdeling van de inkomsten en is vastgelegd op 60% van het mediaan nationaal equivalent inkomen. Mensen met een inkomen dat zich beneden deze inkomensgrens situeert, worden geconfronteerd met een armoederisico (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2006), Persbericht EU-SILC 2004 en Nationaal Actieplan Sociale Insluiting 2001-2003).

Tabel 15m geeft een overzicht van de armoederisicopercentages gemeten met verschillende grenzen.


Tabel 15m: Spreiding rond de armoederisicogrens (armoederisicopercentage gemeten met verschillende
grenzen- % van het mediaan nationaal equivalent inkomen), België, 2007 (inkomen 2006).

  40% 50% 60% 70%
België 3,7 % 8 % 15,2 % 23,4 %

bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2007


Het beschikbaar inkomen op individueel niveau wordt afgeleid van het beschikbaar gezinsinkomen dat daartoe gecorrigeerd wordt voor de grootte van het gezin. De mediaan wordt berekend omdat deze in tegenstelling tot het gemiddelde niet beïnvloed wordt door extreme waarden, dus door uitzonderlijk hoge of lage inkomens.

De cijfers die op nationaal en Europees niveau gebruikt worden om armoede en sociale uitsluiting in kaart te brengen, zijn afkomstig van de EU-SILC enquête ("European Union – Statistics on Income and Living Conditions" of "Statistiek naar Inkomens en Levensomstandigheden").

Voor de Belgische EU-SILC gegevens bedroeg het mediane beschikbaar inkomen ‘per hoofd’ (en dus gecorrigeerd voor de gezinsgrootte) in 2007 17.563 per jaar of 1.463,58 € per maand. De armoededrempel is vervolgens gemakkelijk te berekenen: 60% van die 17.563 per jaar, maakt 10.538 per jaar of 878 per maand. Personen die leven in een gezin waarvan het inkomen per hoofd lager ligt dan dit bedrag, hebben een verhoogd armoederisico (bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2007)


Tabel 15n:
Absolute waarde van de armoederisicogrenzen op basis van EU-SILC 2007 (inkomens 2006)

  per maand per jaar
alleenstaande 878 10.540
huishouden bestaande uit twee volwassenen en twee kinderen 1.845 22.134

bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2007


In dit verband is het interessant het minimumloon en de minimumuitkeringen (nl. minimum invaliditeits- en werkloosheidsuitkeringen, minimumpensioen en bestaansminimum) te vergelijken met de armoederisicogrens. Hierbij valt op dat het niveau van de meeste minimumuitkeringen zich beneden de armoederisicodrempel situeert. Onderstaande cijfers zijn gebaseerd op de bedragen die in 2005 van kracht waren.


Tabel
15o: Netto minimumloon en minimumuitkeringen (rustpensioen, werkloosheid, invaliditeitsuitkering, bestaansminimum) in procent van de amoederisicogrens (60% van het mediaaninkomen), België, 2003 (EU-SILC 2004) en 2005 (EU-SILC 2006)  (in %)

  minimum pensioen werknemers* min. invaliditeitsuitkering werknemers** minimum werkloosheidsuitkering
***
sociale bijstand**** minimumloon
*****
  2003 2005 2003 2005 2003 2005 2003 2005 2003 2005
alleenstaande 107 104 100 94 91 86 75 71 131 122
koppel 89 86 83 78 72 68 67 63 98 95
koppel met 2 kinderen     82 78 73 64 69 65 84 86
éénoudergezin met 2 kinderen     105 99 91 80 91 86 106 99

Opmerking: de bedragen voor gezinnen met kinderen zijn inclusief kinderbijslag
*Pensioen: alleenstaande man, minimum rustpensioen, jaar van ingang pensioen=2003, volledige loopbaan
** Invaliditeit: loonniveau=100% van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, arbeidsduur=100%
**
* Werkloosheid: minimumuitkering, na 6 maand werkloosheid
****sociale bijstand = leefloon
***** minimumloon: loonniveau=100% van het gewaarborgd gemiddeld minimum maandinkomen, arbeidsduur=100%

bron: E
U-SILC / STASIM / CSB zoals opgenomen in NAPincl 2008-2010: indicatoren

 

Uit de studie 'Postremus inter pares' van het Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck (CSB) blijkt dat België in het groepje Europese koplanden (nl. Nederland, Frankrijk, Duitsland, Oostenrijk en de Scandinavische landen) steeds meer terrein prijsgeeft op het vlak van sociale bescherming. Vooral bij de laagste uitkeringen is dat te merken en neemt de armoede snel toe. De kloof tussen werkenden en uitkeringstrekkers groeit, omdat de uitkeringen achterop hinken op de stijgende welvaart (bron: Cantillon B., Marx I., Rottiers S., Van Rie T. (2007), Een vergelijking van België met de Europese kopgroep: Postremus inter pares).
 

Laatste aanpassing: 09/09/09