S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

  Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden?

Ja. Laagopgeleiden hebben het vaak moeilijker op de arbeidsmarkt en lopen bijgevolg een groter risico op sociale uitsluiting.

Toelichting:

Opleiding(sniveau) bepaalt in onze maatschappij steeds meer de positie die iemand kan innemen op de sociale ladder.
Laaggeschoolden dreigen in onze kennismaatschappij meer en meer uit de boot te vallen. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico (23,8% versus 6,5% voor hooggeschoolden).


Tabel
10a
: Armoederisicopercentage  (<60% van het mediaan netto-inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18+), België en gewesten, SILC 2009 (inkomen 2008)

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Lage opleiding 23,8%

18,0%

27,6%

-
Gemiddelde opleiding 11,2%

8,1%

14,4%

-
Hoge opleiding 6,5% 4,3% 8,6% -

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: EU-SILC 2009
 

Van de Belgische bevolking van 15 jaar en meer beschikte in 2010 19,2% over een diploma lager onderwijs, 20,2% over een diploma lager secundair onderwijs, 33,2% over een diploma hoger secundair onderwijs, 14,0% over een diploma hoger onderwijs van het korte type, 3,8% over een diploma hoger onderwijs van het lange type en 9,5% over een diploma van universitair onderwijs. In vergelijking met de andere Europese lidstaten, scoort België goed op het vlak van de scholingsgraad van jongeren (zie tabellen 10c en 10d). Het aandeel hooggeschoolden (minstens hoger secundair onderwijs) tussen 20 en 24 jaar is hoger dan de Europese gemiddelden, terwijl het aandeel laaggeschoolde (maximaal lager secundair onderwijs) jongeren tussen 18 en 24 jaar onder de Europese gemiddelden ligt.


Tabel 10
b:
Onderwijsniveau van de bevolking (15 jaar en meer) - in procenten, België (2000-2010)

Behaald diploma

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

2007

2008*

2009

2010
Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
Lager onderwijs 26,3 26,1 25,6 24,5 24,1 22,9 21,4 20,6 20,2 19,2 19,2
Lager secundair onderwijs 23,2 22,7 22,1 22,5 21,4 21,1 21,6 21,3 20,5 20,2 20,2
Hoger secundair onderwijs 29,9 30,0 30,7 30,8 31,4 32,4 32,6 33,4 34,2 34,6 33,2
Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type 11,4 11,5 11,9 12,3 12,9 13,3 13,8 13,9      
Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type / Professionele Bachelor                 12,3 12,5 14,0
Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type 2,5 2,5 2,6 2,7 2,6 2,6 2,5 2,5      
Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type / Academische Bachelor & Master aan een hogeschool*                 4,2 4,5 3,8
Universitair onderwijs 6,7 7,1 7,1 7,2 7,6 7,7 8,1 8,2      
Universitair onderwijs / Academische Bachelor & Master aan een universiteit*                 8,6 9,1 9,5

*Sinds 2008 wordt er in de Enquête naar de arbeidskrachten rekening gehouden met de BaMa-structuur van het hoger onderwijs. Afgestudeerden met een professionele bachelor komen in dezelfde categorie terecht als deze met een diploma van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type. Zowel de diploma's van academische bachelor als van master behaald aan een hogeschool worden bij het hoger niet-universitair onderwijs van het lange type opgenomen. Zo ook worden de diploma's van academische bachelor en van master behaald aan een universiteit bij het universitair onderwijs opgenomen. Dit heeft een breuk tot gevolg in de cijfers vanaf 2008. De BaMa-structuur werd ingevoerd vanaf 2004-2005 en de eerste bachelordiploma's werden dus uitgereikt in 2008.
b
ron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten
 

Tabel 10c: Laaggeschoolden: percentage van de 18-24-jarigen die maximaal een diploma lager secundair onderwijs behaald hebben naar geslacht, België en EU-27, 2009

  België EU-27
Vrouw 9,3 12,5
Man 12,8 16,3
Totaal 11,1 14,4

bron: Eurostat: Enquête naar de arbeidskrachten


Tabel 10d: Hooggeschoolden: Percentage 20-24-jarigen dat minimaal hoger secundair onderwijs heeft voltooid naar geslacht, België, EU-27, 2009

  België EU-27
Vrouw 85,8 81,4
Man 80,9 75,9
Totaal 83,3 78,6

bron: Eurostat: Enquête naar de arbeidskrachten


38,3% van de Belgische bevolking van 25 jaar en ouder heeft in 2009 maximum een diploma lager secundair onderwijs.  Lage scholing bij volwassenen (25 jaar en ouder) verschilt naar geslacht (hoger bij de vrouwen dan bij de mannen), leeftijd (ouderen zijn meer laaggeschoold dan jongeren) en nationaliteit (hoger bij de niet-Europeanen dan bij de Europeanen en Belgen). Uit de cijfers voor de gewesten, blijkt dat in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest het aandeel laaggeschoolde 55-plussers lager ligt dan in de rest van het land maar dat het aandeel jongeren hoger ligt. In Wallonië is het percentage Europese laaggeschoolden opvallend hoog.


Tabel 10e:
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 - lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25+) naar geslacht, EU-27, België en de gewesten, 2009

  EU-27 België Brussels Hoofdstedelijk Gewest

 

Vlaams Gewest Waals gewest
Vrouw 38,6 40,7 39,7 39,7 42,8
Man 31,6 35,7 33,4 35,0 37,9
Totaal 35,2 38,3 36,7 37,4 40,4

bron: Eurostat: Enquête naar de arbeidskrachten en Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 72.
 

Tabel 10f: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) naar leeftijd, België en de gewesten, 2009

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
25-34 jaar 16,9 24,1 13,5 19,8
35-44 jaar 22,3 31,1 18,5 26,3
45-54 jaar 33,4 34,5 31,5 36,7
55-64 jaar 46,3 38,8 46,9 47,1
65 jaar en meer 66,2 59,2 67,2 66,1

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 73.


Tabel 10g:
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar nationaliteit, België en de gewesten, 2009

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Belg 37,5 35,8 37,1 38,7
Andere EU-27 42,5 31,4 36,3 54,1
Niet EU-27 54,2 52,4 53,6 58,3

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 74.

 

Tabel 10h: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2009

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Werkenden 20,3 21,2 19,6 21,5
Werkzoekenden 38,7 41,1 35,3 40,3
Niet-beroepsactieven 60,6 55,0 61,1 61,2

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 75.


Het ontstaan van een proces van achterstellingen van generatie op generatie wordt in de hand gewerkt door het verband tussen het vroegtijdig schoolverlaten (dit wil zeggen het niet behalen van een diploma hoger secundair onderwijs en geen enkele vorm van onderwijs meer volgen) en het onderwijsniveau van de ouders. Van de ouders die in 2009 het diploma van ten hoogste lager secundair onderwijs hadden, is 28,6% van de kinderen laaggeschoold. Bij ouders die hoger onderwijs genoten hebben, bedraagt dit slecht 6,2%. Bovendien lopen kinderen van laaggeschoolde ouders en arbeiderskinderen een beduidend hoger risico op schoolvertraging.
 

Tabel 10i: Percentage laaggeschoolde personen (*)(15-34) naar het hoogst bereikte onderwijsniveau van de ouders, België, 2e kwartaal 2009

Laaggeschoold (a)  Middengeschoold (b) Hooggeschoold (c)
28,6 12,6 6,2

*Deze cijfers hebben betrekking op personen tussen 15 en 34 jaar met een diploma en die het regulier onderwijs voor het laatst verlaten hebben.
Het onderwijsniveau van de ouder met het hoogst behaalde diploma werd in aanmerking genomen.
(a) Laaggeschoold = diploma van ten hoogste lager secundair onderwijs.
(b) Middengeschoold = diploma van hoger secundair onderwijs.
(c) Hooggeschoold = diploma van het hoger onderwijs.

bron:
 FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten en eigen berekeningen.

 


Het percentage vroegtijdige schoolverlaters, leerlingen die het onderwijs verlaten zonder diploma hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2010 11,9%. Dit aandeel ligt veel hoger in het Brussels Gewest dan in de rest van het land, namelijk 18,4% versus 9,6 in het Vlaams en 13,7% in het Waals Gewest. Volgens de Europa 2020-stategie, moet het percentage voortijdige schoolverlaters onder de 10% komen te liggen (Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda).
Gelet op de diverse definitiewijzigingen welke deze indicator heeft ondergaan is het moeilijk om een trend in te schatten.

Tabel 10j: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht - jaargemiddelden, België en de gewesten, 2000-2010

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
2000
Totaal 13,8 20,7 11,6 15,5
Vrouw 11,0 16,1 9,2 12,6
Man 16,5 25,2 13,9 18,4
2001
Totaal 13,8 21,0 11,5 15,8
Vrouw 11,3 19,3 9,4 12,1
Man 16,2 22,9 13,5 19,3
2002
Totaal 14,1 22,4 11,7 16,1
Vrouw 11,0 18,7 8,8 12,6
Man 17,1 26,4 14,4 19,4
2003
Totaal 14,3 18,8 12,5 16,1
Vrouw 11,6 15,8 10,2 12,8
Man 16,9 21,9 14,8 19,2
2004*
Totaal 13,1 18,1 11,0 15,3
Vrouw 10,8 16,9 8,7 12,4
Man 15,4 19,4 13,3 18,1
2005*
Totaal 12,9 19,4 10,7 14,6
Vrouw 10,5 18,4 8,0 12,1
Man 15,2 20,4 13,2 17,0
2006
Totaal 12,6 19,3 10,0 14,8
Vrouw 10,0 16,7 8,1 11,0
Man 15,1 22,1 11,9 18,4
2007
Totaal 12,1 20,2 9,3 14,3
Vrouw 10,3 17,3 7,6 12,5
Man 13,9 23,4 10,9 16,1
2008
Totaal 12,0 19,9 8,6 15,2
Vrouw 10,6 17,9 7,5 13,3
Man 13,4 22,2 9,6 16,9
2009
Totaal 11,1 15,6 8,6 13,8
Vrouw 9,3 13,2 7,2 11,4
Man 12,8 18,2 9,9 16,2
2010        
Totaal 11,9 18,4 9,6 13,7
Vrouw 10,0 16,5 7,7 11,5
Man 13,8 20,4 11,4 15,9

De cijfers zijn steeds jaargemiddelden.
Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt. Personen in schoolvakantie worden niet als vroegtijdige schoolverlater beschouwd.
*Wegens een wijziging van de variabelen over onderwijs en opleiding in 2004, zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met de voorgaande jaren.
bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie, Enquête naar de arbeidskrachten
 

Figuur 10.1: Aandeel van de bevolking van 18-24 jaar met ten hoogste lager voortgezet onderwijs dat geen onderwijs of opleiding volgt (2009) en ontwikkeling 2000-2009, België en EU-27

Cijfers 2009

Ontwikkeling 2000-2009
(% relatieve verandering)

bron: Europese Commissie:Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda, p. 4


 

Momenteel stromen nog vele jongeren uit een kansarm milieu door naar het buitengewoon onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat het buitengewoon onderwijs een omkadering biedt die niet altijd aanwezig is in het gewoon onderwijs: de kosten zijn lager, het vervoer wordt verzekerd, de toegankelijkheid is groter, er is meer individuele en gerichte aandacht, de logopedisten en kinesisten zijn aanwezig op school en dienen niet langer buitenschools ingeschakeld te worden. Het certificaat dat aan het einde wordt uitgereikt biedt niet dezelfde perspectieven dan dat binnen het gewoon onderwijs en geeft problemen bij de inschakeling naar werk. In Vlaanderen zit 7% van de leerlingen uit het lager onderwijs in het buitengewoon onderwijs (schooljaar 2009-2010). In de Franse Gemeenschap is dit 5% (schooljaar 2008-2009). Voor het secundair onderwijs is dit percentage nagenoeg gelijk in beide gemeenschappen, met name 4%.
 

Tabel 10k: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs(*) naar onderwijsniveau , Vlaamse gemeenschap, 2009-2010

  2009-2010
Kleuteronderwijs 0,8
Lager onderwijs 6,8
Secundair onderwijs 4,2

(*) Leerlingen van het type 5 zijn niet opgenomen in de cijfers van het buitengewoon onderwijs.
bron: Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010

 

Tabel 10l: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau , Franse gemeenschap, 2008-2009

 

2008-2009

Kleuteronderwijs

0,7

Lager onderwijs

4,9

Secundair onderwijs

4,3

bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2010


In de Vlaamse Gemeenschap had in het schooljaar 2009-2010, 1,6% van de leerlingen in het lager onderwijs een vertraging van 2jaar  en meer jaar, in  het secundair onderwijs was dit 6,7 %.
 

Tabel 10m: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse Gemeenschap, 2009-2010

  2j achterstand meer dan 2j achterstand
Lager onderwijs 1,53 0,11
Secundair onderwijs 5,43 1,24

bron: Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010


In de Franse Gemeenschap had in het schooljaar 2008-2009 4% van de leerlingen 2jaar of meer schoolse vertraging opgelopen in het lager onderwijs (P4), in het secundair onderwijs (S4) was dit 23%.

Figuur 10.2: Individuele schoolloopbanen naar onderwijsniveau in het gewoon onderwijs, Franse Gemeenschap, 2008-2009

M=kleuteronderwijs; P=lager onderwijs; S=secundair onderwijs
legende:oranje: tijdig; grijs: 1j achterstand; paars: 2j of meer achterstand
bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2010, Fiche: Indicateurs 2010 - 11: retard scolaire dans l’enseignement ordinaire de plein exercice, p. 29
 

 

Niet-Belgen blijken in veel grotere mate een schoolse vertraging te vertonen dan Belgen.

Tabel 10n: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar nationaliteit, Vlaamse Gemeenschap, 2008-2009 en 2009-2010

Vlaamse Gemeenschap
  Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit
2008-2009
Meisjes 1,00 9,55
Jongens 1,09 9,93
Totaal 1,05 9,74
2009-2010
Meisjes 1,03 9,57
Jongens 1,14 9,92
Totaal 1,08 9,74

bron: Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming:Statistisch jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2008-2009 en Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010


Voor gegevens over schoolse vertraging naar nationaliteit in de Franse Gemeenschap voor het schooljaar 2008-2009: klik hier.
bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2010
 

 

Het Pisa-project (Program for International Student Assessment) van de Oeso meet elke drie jaar de leerprestaties van 15-jarigen in België en de wereld inzake leesvaardigheid, en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Uit de vorige PISA-cycli bleek telkens weer dat de sociaal-economische thuissituatie van leerlingen een invloed heeft op hun prestaties: leerlingen uit gezinnen met een hoge sociaal-economische status behalen hogere PISA-resultaten dan leerlingen uit gezinnen met een lage socio-economische status. België is het enige land dat een hoog gemiddelde leesprestatie combineert met een zeer sterke samenhang tussen prestatie en socio-economische achtergrond. Van de drie Belgische gemeenschappen is Vlaanderen de enige die een leerprestatie hoger dan het OESO-gemiddelde combineert met een groter dan gemiddelde impact van socio-economische achtergrond; in de Franse Gemeenschap is die hoge impact van SES op prestaties ook wel aanwezig, maar daar ligt de gemiddelde leesprestatie net onder het OESO-gemiddelde. Sinds 2000 is de relatie tussen SES en de prestaties voor leesvaardigheid in Vlaanderen niet significant veranderd. Het prestatieverschil tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een buitenlandse herkomst verkleint aanzienlijk wanneer de sociaal-economische situatie in rekening wordt gebracht.  (bron: PISA Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009).

Figuur 10.3: Indeling van de PISA 2009-landen volgens hun gemiddelde leesprestatie en hun mate van (on)gelijkheid

bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs & Vorming, PISA Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009, 2010, p. 94



Laatste aanpassing: 13/05/11