S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

  Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden?

Ja. Laagopgeleiden hebben het vaak moeilijker op de arbeidsmarkt en lopen bijgevolg een groter risico op sociale uitsluiting.

Toelichting:

Opleiding(sniveau) bepaalt in onze maatschappij steeds meer de positie die iemand kan innemen op de sociale ladder.
Laaggeschoolden dreigen in onze kennismaatschappij meer en meer uit de boot te vallen. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico (22,3% versus 6,5% voor hooggeschoolden) .


Tabel
10a
: Armoederisicopercentage  (<60% van het mediaan inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18+), België, SILC 2006 (inkomen 2005)

lage opleiding

gemiddelde opleiding

hoge opleiding

Totaal Vrouw* Man* Totaal Vrouw* Man* Totaal Vrouw* Man*
België

22,3

24 20

12,6

13 11

6,5

6 6
Vlaams Gewest 19,6

10,0

4,9

Waals Gewest 24,2 14,8 6,9

*afgeronde cijfers
bron:
NAPincl 2008-2010: indicatoren  en Eurostat

zie resultaten SILC 2004
 

Van de Belgische bevolking van 15 jaar en meer beschikte in 2006 21,4% over een diploma lager onderwijs, 21,6% over een diploma lager secundair onderwijs, 32,6% over een diploma hoger secundair onderwijs, 13,8% over een diploma hoger onderwijs van het korte type, 2,5% over een diploma hoger onderwijs van het lange type en 8,1% over een diploma van universitair onderwijs (bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten). In vergelijking met de andere Europese lidstaten, scoort België goed op het vlak van de scholingsgraad van jongeren (zie tabellen 10c en 10d). Het aandeel hooggeschoolden (minstens hoger secundair onderwijs) tussen 20 en 24 jaar is hoger dan de Europese gemiddelden, terwijl het aandeel laaggeschoolde (maximaal lager secundair onderwijs) jongeren tussen 18 en 24 jaar onder de Europese gemiddelden ligt.


Tabel 10
b:
Onderwijsniveau van de bevolking (15 jaar en meer) - in procenten, België (1999-2006)

Behaald diploma

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005

2006

Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
Lager onderwijs 27,0 26,3 26,1 25,6 24,5 24,1 22,9 21,4
Lager secundair onderwijs 24,2 23,2 22,7 22,1 22,5 21,4 21,1 21,6
Hoger secundair onderwijs 29,1 29,9 30,0 30,7 30,8 31,4 32,4 32,6
Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type 10,5 11,4 11,5 11,9 12,3 12,9 13,3 13,8
Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type 2,7 2,5 2,5 2,6 2,7 2,6 2,6 2,5
Universitair onderwijs 6,4 6,7 7,1 7,1 7,2 7,6 7,7 8,1

bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten

 

Tabel 10c: Laaggeschoolden: percentage van de 18-24-jarigen die maximaal een diploma lager secundair onderwijs behaald hebben, België, EU, 2006

België EU-15 EU-25 EU-27
12,6 17,0 15,1 15,3

bron: Eurostat


Tabel 10d: Hooggeschoolden: Percentage 20-24-jarigen dat minimaal hoger secundair onderwijs heeft voltooid, België, EU, 2006

België EU-15 EU-25 EU-27
82,4 74,8 77,7 77,8

bron: Eurostat


41,1% van de Belgische bevolking van 25 jaar en ouder heeft in 2007 maximum een diploma lager secundair onderwijs.  Uit de cijfers voor de gewesten blijkt dat het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest niet slecht scoort.  Lage scholing is sterk leeftijdsgebonden. Ouderen zijn meer laaggeschoold dan jongeren. Het is opvallend dat in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest het aandeel oudere laaggeschoolden onder het Belgische gemiddelde ligt.
België telt procentueel meer vrouwelijke laaggeschoolden dan mannelijke (nl. 43,6% versus 38,5%). Dit geldt voor alle gewesten.
In Vlaanderen is het aandeel laaggeschoolden van niet-EU nationaliteit hoger dan in de andere gewesten (nl. 57,2%). In Wallonië is het percentage Europese laaggeschoolden opvallend hoog (55,3%).
Veel laaggeschoolden blijken economisch inactief (63,3%) of werkzoekend (43,2%) te zijn.


Tabel 10e:
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 - lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25+) naar geslacht, België en de gewesten, 2007 (in %)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Vrouw 43,6 40,2 42,8 48,2
Man 38,5 36,0 38,2 39,7
Totaal 41,1 38,2 40,6 46,0

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 

Tabel 10f: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) naar leeftijd, België en de gewesten, 2007 (in %)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
25-34 jaar 18,4 24,8 15,2 21,4
35-44 jaar 24,7 30,3 22,2 27,5
45-54 jaar 37,5 37,0 36,4 39,5
55-64 jaar 49,7 41,4 50,9 49,5
>64 jaar 69,5 61,0 70,0 71,0

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Tabel 10g:
Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar nationaliteit, België en de gewesten, 2007 (in %)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Belg 40,5 37,1 40,4 41,7
andere EU-15/EU27 43,0 30,6 36,5 55,3
niet EU-15/EU27 56,0 56,6 57,2 52,6

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren

 

Tabel 10h: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2007 (in %)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Werkenden 23,0 21,8 22,9 23,7
Werkzoekenden 43,2 44,4 40,6 44,5
Niet-beroepsactieven 63,3 56,7 63,9 64,1

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Het ontstaan van een proces van achterstellingen van generatie op generatie wordt in de hand gewerkt door het verband tussen het vroegtijdig schoolverlaten (dit wil zeggen het niet behalen van een diploma hoger secundair onderwijs en geen enkele vorm van onderwijs meer volgen) en het onderwijsniveau van de ouders. Van de ouders die in 2000 lager of lager secundair onderwijs als hoogste onderwijsniveau bereikt hadden, is 26% van de kinderen vroegtijdige schoolverlater. Bij ouders die hoger onderwijs genoten hebben, bedraagt dit slecht 3%. Bovendien lopen kinderen van laaggeschoolde ouders en arbeiderskinderen een beduidend hoger risico op schoolvertraging.
 

Tabel 10i: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (18-24) naar het hoogst bereikte onderwijsniveau van de ouders, België, 2000

ISCED 1-2: lager en lager secundair onderwijs

 

ISCED 3-4: hoger secundair en post-secundair niet tertiair onderwijs ISCED 5-6: tertiair onderwijs
26 12 3

*Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt.
bron:
LFS - Eurostat zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 119
 


Het percentage vroegtijdige schoolverlaters, leerlingen die het onderwijs verlaten zonder diploma hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2007 12,3%. Gelet op de diverse definitiewijzigingen welke deze indicator heeft ondergaan is het moeilijk om een trend in te schatten. De beschikbare gegevens wijzen eerder in de richting van stabiliteit, dan op een trendmatige daling in de richting van de Europese doelstelling van 10%. Vooral personen met een niet Belgische nationaliteit lopen een sterk verhoogd risico op vroegtijdige uitstroom uit het onderwijs. Voor personen met een Belgische nationaliteit bedraagt dit in 2007 12,5%, voor andere EU-nationaliteiten 21,3% en voor andere nationaliteiten 39,8% (bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren, p. 180).
 

Tabel 10j: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht - toestand tijdens het tweede trimester van het jaar, België en EU-25, 1999-2007 (in %)

  EU-25*** België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
1999
Totaal - 15,2 21,6 13,8 15,8
Vrouw - 12,7 20,9 10,7 13,9
Man - 17,7 22,4 16,9 17,7
2000
Totaal 17,3 12,5 22,6 10,5 13,0
Vrouw 15,2 10,2 17,8 8,3 11,2
Man 19,5 14,8 27,5 12,6 14,9
2001
Totaal 17,0 13,6 18,0 11,1 16,8
Vrouw 14,8 12,3 15,2 11,2 13,2
Man 19,2 15,0 21,0 11,0 20,5
2002
Totaal 16,6 12,4 21,8 10,7 12,9
Vrouw 14,4 9,9 17,8 8,7 9,6
Man 18,9 14,9 26,3 12,6 15,9
2003
Totaal 16,1 12,8 18,9 11,3 13,5
Vrouw 14,1 10,8 15,1 8,9 12,9
Man 18,1 14,7 22,8 13,6 14,1
2004**
Totaal 15,4 11,9 13,8 10,1 14,5
Vrouw 12,9 8,3 10,7 7,6 20,1
Man 17,9 15,6 17,5 12,7 8,7
2005
Totaal 15,2 13,0 16,0 12,2 13,3
Vrouw 13,1 10,6 15,3 9,4 11,0
Man 17,3 15,3 16,8 14,9 15,5
2006***
Totaal 15,1 12,6      
Vrouw 12,8 10,2      
Man 17,4 14,9      
2007***
Totaal 14,5 12,3      
Vrouw 12,3 10,7      
Man 16,7 13,9      

De cijfers hebben steeds betrekking op het tweede kwartaal van het jaar. Het zijn deze cijfers die gebruikt worden door Eurostat in internationale vergelijkingen.
*Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt.
** Wegens een wijziging van de variabelen over onderwijs en opleiding in 2004, zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met de voorgaande jaren.
bron: FOD Economie - Algemene Directie Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten en ***Eurostat
 

Tabel 10k: Percentage vroegtijdige schoolverlaters (18-24 jaar oud) naar nationaliteit, België, 2007 (jaargemiddelde) (in %)

Belg andere EU-15/EU27 niet EU-15/EU27
12,5 21,3 39,8

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Tabel 10l: Percentage vroegtijdige schoolverlaters (bevolking 18-24 jaar oud) naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2007 (jaargemiddelde) (in %)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Werkenden (ILO) 15,8 28,0 13,6 17,8
Werkzoekenden (ILO) 30,6 48,7 20,9 31,8
Niet-beroepsactieven (ILO) 9,6 14,5 7,2 11,6

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Momenteel stromen nog vele jongeren uit een kansarm milieu door naar het
Buitengewoon Onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat het Buitengewoon Onderwijs een omkadering biedt die niet altijd aanwezig is in het Gewone Onderwijs: de kosten zijn lager, het vervoer wordt verzekerd, de toegankelijkheid is groter, er is meer individuele en gerichte aandacht, de logopedisten en kinesisten zijn aanwezig op school en dienen niet langer buitenschools ingeschakeld te worden. Het certificaat dat aan het einde wordt uitgereikt biedt niet dezelfde perspectieven dan dat binnen het Gewone Onderwijs en geeft problemen bij de inschakeling naar werk. In Vlaanderen zit 6,47% van de leerlingen uit het lager onderwijs in het Buitengewoon Onderwijs (schooljaar 2006-2007). In de Franse Gemeenschap is dit 4,77%. Voor het secundair onderwijs is dit percentage nagenoeg gelijk in beide gemeenschappen, met name 4%. Vooral jongens zitten in het Buitengewoon Onderwijs.
 

Tabel 10m: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau en geslacht, gemeenschappen, 2006-2007 (in %)

2006-2007

Franse Gemeenschap

Vlaamse Gemeenschap

  Totaal Meisjes Jongens Totaal Meisjes Jongens
Kleuteronderwijs 0,49 0,35 0,63 0,81 0,54 1,06
Lager onderwijs 4,77 3,64 5,85 6,47 4,96 7,93
Secundair onderwijs 3,94 2,83 5,00 3,98 3,05 4,86

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


In de Vlaamse Gemeenschap had, in het schooljaar 2006-2007, 1,51% van de leerlingen in het lager onderwijs een vertraging van 2 jaar of meer. In de Franse Gemeenschap bedraagt dit 2,73%. Voor Vlaanderen ligt dit percentage ongeveer 0,5 procentpunt hoger dan midden jaren ’90. Voor de Franse Gemeenschap is dit cijfer sinds midden jaren ’90 ongeveer stabiel. Voor het Secundair onderwijs zijn de cijfers resp. 6,8% voor het Vlaamse Gewest en 17,9% voor de Franse Gemeenschap. Voor de Franse Gemeenschap betekent dit een breuk van de duidelijk dalende trend sinds schooljaar 1995-1996 (van 22,1% in 1995-1996 naar 16,9% in 2003-2004). Er blijken grote verschillen te bestaan tussen Belgen en niet-Belgen, waarbij de laatste categorie in veel grotere mate een vertraging blijkt te vertonen (bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren, p. 179).
 

Tabel 10n: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Franse Gemeenschap, 1997-1998/2006-2007 (in %)

  1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005 2005-2006 2006-2007
lager onderwijs 2,68 2,48 2,48 2,47 2,54 2,55 2,58 2,66 2,69 2,73
secundair onderwijs 19,50 18,30 17,50 17,00 17,30 16,50 16,90 17,93 - -

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 

Tabel 10o: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse Gemeenschap, 1997-1998/2006-2007 (in %)

  1997-1998 1998-1999 1999-2000 2000-2001 2001-2002 2002-2003 2003-2004 2004-2005 2005-2006 2006-2007
lager onderwijs 1 1 1,2 1,3 1,4 1,4 1,56 1,52 1,49 1,51
secundair onderwijs 7,6 7,2 6,9 6,7 6,6 6,6 6,55 6,78 - -

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren

 

Tabel 10p: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar nationaliteit, Franse en Vlaamse Gemeenschap, 2004-2005 en 2006-2007 (in %)

 

Franse Gemeenschap

Vlaamse Gemeenschap
  Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit
2004-2005
meisjes 1,80 7,86 0,83 10,85
jongens 2,30 9,38 0,9 11,43
totaal 2,00 8,65 0,86 11,15
2006-2007
meisjes - - 0,89 9,74
jongens - - 0,96 10,8
totaal - - 0,93 10,27

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren


Het Pisa-project (Program for International Student Assessment) van de Oeso meet elke drie jaar de leerprestaties van 15-jarigen in België en de wereld inzake leesvaardigheid, en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid.  Tabel 10q toont de resultaten uit 2003 inzake leesvaardigheid in functie van de sociaal-economische status van het gezin waartoe de student behoort. Het behalen van een lage score betekent nog niet dat men ongeletterd is, maar impliceert dat men problemen heeft in het omgaan met schriftelijke informatie. Kinderen van ouders met een hoog socio-professioneel statuut (bovenste quartiel) scoren gemiddeld veel beter dan kinderen van ouders met een laag socio-professioneel statuut (onderste quartiel). Dit is kenmerkend in alle gemeenschappen.
 

Tabel 10q: Verschil tussen de gemiddelde score inzake leesvaardigheid van de 25% meest bevoorrechte leerlingen (4de quartiel) en deze van de 25% minst bevoorrechte leerlingen (1ste quartiel), België en de Gemeenschappen, 2003

  België Duitstalige Gemeenschap Franse Gemeenschap Vlaamse Gemeenschap
Score quartiel 4 562 555 536 581
Score quartiel 1 463 452 429 488
Verschil quartiel 4-quartiel 1 99 102 108 93

bron: Programme for International Student Assessment (PISA) - OESO / ULg zoals opgenomen in zoals opgenomen in NAPincl 2006-2008, Indicatoren, p. 129

 

In 2006 lag de focus van het Pisa-onderzoek op wetenschappen. België in zijn geheel zit in de middenmoot met een gemiddelde van 510 punten. Vlaanderen (529 punten) doet het beter dan de Duitstalige Gemeenschap (516 punten) en beduidend beter dan de Franse Gemeenschap (486 punten). Ook voor wiskunde en leesvaardigheid behaalt Vlaanderen veel betere resultaten dan de Duitse en vooral de Franse Gemeenschap. Vooral in de Vlaamse en Franse Gemeenschap (in de Duitse Gemeenschap in mindere mate) is de sociale ongelijkheid tussen leerlingen duidelijk afgetekend. De verschillen tussen sterke en zwakke leerlingen zijn in ons land zeer groot. Deze zijn grotendeels door socio-economische en culturele factoren bepaald.  De zwakst presterende scholen hebben vooral leerlingen met een lage sociale achtergrond. Terwijl de beste scholen vooral  leerlingen aantrekken met een socio-economische achtergrond die duidelijk boven het OESO-gemiddelde ligt.


Een internationaal onderzoek naar de prestaties voor begrijpend lezen aan het eind van het vierde leerjaar lager onderwijs ('Progress in international reading literacy study' (PIRLS) 2006) toont grote verschillen tussen Vlaamse en Waalse leerlingen. Qua leesvaardigheid behoort Vlaanderen tot de ruimere kopgroep (13de plaats in een totaal van 45 landen en regio's), terwijl Wallonië de 34ste plaats inneemt.
De leesvaardigheid vertoont een duidelijke samenhang met de socio-culturele achtergrond van de kinderen en hun gezinnen. Hiervoor wordt de ongelijkheid in leesscore onder andere geanalyseerd in functie van het hoogst behaalde diploma van de moeder. Voor alle onderzochte landen en regio's blijkt dat de leerlingen lager scoren wanneer hun moeder een lager diploma (dit is diploma lager secundair onderwijs of minder) heeft. In West-Europa is het verschil in leesscore in functie van het diploma van de moeder het kleinst in Nederland en het grootst in Oostenrijk. Slechts in vier van de West-Europese landen is het verschil kleiner dan in Vlaanderen. In Wallonië is het verschil relatief groot.

Tabel 10r: Gemiddelde leesscore en percentage van de leerlingen met laag opgeleide en hoog opgeleide moeder, Europa, 2006.

 

Moeder met laag diploma

Moeder met hoog diploma Verschil in leesscore tussen kinderen van laag en hoog opgeleide moeders
  Gemiddelde leesscore % Gemiddelde leesscore %
Oostenrijk 499,58 10,0 571,35 15,2 -71,77
Frankrijk 494,51 18,4 560,18 31,1 -65,67
Schotland 510,91 15,8 573,22 38,3 -62,32
Wallonië 474,60 26,2 536,71 37,8 -62,11
Duitsland 533,67 44,4 589,53 15,9 -55,86
Noorwegen 465,85 8,0 521,46 47,7 -55,61
Zweden 519,54 9,2 572,62 43,6 -53,07
Italië 537,79 43,2 587,70 12,0 -49,92
Vlaanderen 518,19 16,4 567,90 48,6 -49,72
Luxemburg 546,68 52,3 594,36 16,8 -47,68
Spanje 501,06 41,1 547,94 32,8 -46,88
Denemarken 516,37 13,1 562,33 63,4 -45,96
Nederland 538,79 25,6 579,18 30,8 -40,40

bron: Centrum voor Onderwijseffectiviteit en -Evaluatie, PIRLS 2006



Laatste aanpassing: 20/01/09