|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
België |
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest | |
| Lage opleiding | 23,8% |
18,0% |
27,6% |
- |
| Gemiddelde opleiding | 11,2% |
8,1% |
14,4% |
- |
| Hoge opleiding | 6,5% | 4,3% | 8,6% | - |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische
Informatie:
EU-SILC 2009
Van de Belgische
bevolking van 15 jaar en meer beschikte in 2010 19,2% over een diploma
lager onderwijs, 20,2% over een diploma lager secundair onderwijs, 33,2% over een diploma hoger secundair onderwijs, 14,0% over een diploma hoger
onderwijs van het korte type,
3,8% over een diploma hoger onderwijs van
het lange type en 9,5% over een diploma van universitair onderwijs.
In vergelijking met de andere Europese lidstaten,
scoort België goed op het vlak van de scholingsgraad van jongeren (zie
tabellen 10c en 10d). Het aandeel hooggeschoolden (minstens hoger
secundair onderwijs) tussen 20 en 24 jaar is hoger dan de Europese
gemiddelden, terwijl het aandeel laaggeschoolde (maximaal lager secundair
onderwijs) jongeren tussen 18 en 24 jaar onder de Europese gemiddelden
ligt.
Tabel 10b: Onderwijsniveau van de bevolking
(15 jaar en meer)
- in
procenten, België
(2000-2010)
|
Behaald diploma |
2000 |
2001 |
2002 |
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008* |
2009 |
2010 |
| Totaal | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 |
| Lager onderwijs | 26,3 | 26,1 | 25,6 | 24,5 | 24,1 | 22,9 | 21,4 | 20,6 | 20,2 | 19,2 | 19,2 |
| Lager secundair onderwijs | 23,2 | 22,7 | 22,1 | 22,5 | 21,4 | 21,1 | 21,6 | 21,3 | 20,5 | 20,2 | 20,2 |
| Hoger secundair onderwijs | 29,9 | 30,0 | 30,7 | 30,8 | 31,4 | 32,4 | 32,6 | 33,4 | 34,2 | 34,6 | 33,2 |
| Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type | 11,4 | 11,5 | 11,9 | 12,3 | 12,9 | 13,3 | 13,8 | 13,9 | |||
| Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type / Professionele Bachelor | 12,3 | 12,5 | 14,0 | ||||||||
| Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type | 2,5 | 2,5 | 2,6 | 2,7 | 2,6 | 2,6 | 2,5 | 2,5 | |||
| Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type / Academische Bachelor & Master aan een hogeschool* | 4,2 | 4,5 | 3,8 | ||||||||
| Universitair onderwijs | 6,7 | 7,1 | 7,1 | 7,2 | 7,6 | 7,7 | 8,1 | 8,2 | |||
| Universitair onderwijs / Academische Bachelor & Master aan een universiteit* | 8,6 | 9,1 | 9,5 |
*Sinds 2008 wordt
er in de Enquête naar de arbeidskrachten rekening gehouden met de
BaMa-structuur van het hoger onderwijs. Afgestudeerden met een
professionele bachelor komen in dezelfde categorie terecht als deze met
een diploma van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type.
Zowel de diploma's van academische bachelor als van master behaald aan een
hogeschool worden bij het hoger niet-universitair onderwijs van het lange
type opgenomen. Zo ook worden de diploma's van academische bachelor en van
master behaald aan een universiteit bij het universitair onderwijs
opgenomen. Dit heeft een breuk tot gevolg in de cijfers vanaf 2008. De
BaMa-structuur werd ingevoerd vanaf 2004-2005 en de eerste
bachelordiploma's werden dus uitgereikt in 2008.
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische
Informatie:
Enquête naar de arbeidskrachten
Tabel 10c: Laaggeschoolden: percentage van de 18-24-jarigen die maximaal een diploma lager secundair onderwijs behaald hebben naar geslacht, België en EU-27, 2009
| België | EU-27 | |
| Vrouw | 9,3 | 12,5 |
| Man | 12,8 | 16,3 |
| Totaal | 11,1 | 14,4 |
bron: Eurostat: Enquête naar de arbeidskrachten
Tabel 10d: Hooggeschoolden: Percentage 20-24-jarigen dat
minimaal hoger secundair onderwijs heeft voltooid naar geslacht, België, EU-27, 2009
| België | EU-27 | |
| Vrouw | 85,8 | 81,4 |
| Man | 80,9 | 75,9 |
| Totaal | 83,3 | 78,6 |
bron: Eurostat: Enquête naar de arbeidskrachten
38,3% van de Belgische bevolking van 25 jaar
en ouder heeft in 2009 maximum een diploma lager secundair onderwijs. Lage
scholing bij volwassenen (25 jaar en ouder) verschilt naar geslacht (hoger
bij de vrouwen dan bij de mannen), leeftijd (ouderen zijn meer laaggeschoold dan
jongeren) en nationaliteit (hoger bij de
niet-Europeanen dan bij de Europeanen en Belgen).
Uit de cijfers voor de gewesten, blijkt dat in het
Brussels Hoofdstedelijk Gewest het aandeel laaggeschoolde 55-plussers
lager ligt dan in de rest van het land maar dat het aandeel jongeren hoger
ligt. In Wallonië is het percentage Europese laaggeschoolden opvallend
hoog.
Tabel 10e: Percentage personen met een laag
opleidingsniveau (ISCED 2 - lager secundair onderwijs of lager) in de
volwassen bevolking (25+) naar geslacht, EU-27, België en de gewesten, 2009
| EU-27 | België |
Brussels Hoofdstedelijk Gewest
|
Vlaams Gewest | Waals gewest | |
| Vrouw | 38,6 | 40,7 | 39,7 | 39,7 | 42,8 |
| Man | 31,6 | 35,7 | 33,4 | 35,0 | 37,9 |
| Totaal | 35,2 | 38,3 | 36,7 | 37,4 | 40,4 |
bron:
Eurostat:
Enquête naar de arbeidskrachten en
Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 72.
Tabel 10f: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) naar leeftijd, België en de gewesten, 2009
| België | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | Vlaams Gewest | Waals Gewest | |
| 25-34 jaar | 16,9 | 24,1 | 13,5 | 19,8 |
| 35-44 jaar | 22,3 | 31,1 | 18,5 | 26,3 |
| 45-54 jaar | 33,4 | 34,5 | 31,5 | 36,7 |
| 55-64 jaar | 46,3 | 38,8 | 46,9 | 47,1 |
| 65 jaar en meer | 66,2 | 59,2 | 67,2 | 66,1 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 73.
Tabel 10g: Percentage
personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair
onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar
nationaliteit, België en de gewesten,
2009
| België | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | Vlaams Gewest | Waals Gewest | |
| Belg | 37,5 | 35,8 | 37,1 | 38,7 |
| Andere EU-27 | 42,5 | 31,4 | 36,3 | 54,1 |
| Niet EU-27 | 54,2 | 52,4 | 53,6 | 58,3 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 74.
Tabel 10h: Percentage personen met een laag opleidingsniveau (ISCED 2 – lager secundair onderwijs of lager) in de volwassen bevolking (25-64) naar activiteitsstatus, België en de gewesten, 2009
| België | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | Vlaams Gewest | Waals Gewest | |
| Werkenden | 20,3 | 21,2 | 19,6 | 21,5 |
| Werkzoekenden | 38,7 | 41,1 | 35,3 | 40,3 |
| Niet-beroepsactieven | 60,6 | 55,0 | 61,1 | 61,2 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie: Enquête naar de arbeidskrachten, zoals opgenomen in Welzijnsbarometer, Brussels armoederapport 2010, p. 75.
Het ontstaan van een proces van achterstellingen van generatie op
generatie wordt in de hand gewerkt door het verband tussen het vroegtijdig
schoolverlaten
(dit wil zeggen het niet behalen van een diploma
hoger secundair onderwijs en geen enkele vorm van onderwijs
meer volgen) en het onderwijsniveau van de ouders. Van de ouders die in
2009 het diploma van ten
hoogste lager secundair onderwijs hadden, is 28,6% van de kinderen
laaggeschoold. Bij
ouders die hoger onderwijs genoten hebben, bedraagt dit slecht
6,2%.
Bovendien lopen kinderen van laaggeschoolde ouders en arbeiderskinderen
een beduidend hoger risico op schoolvertraging.
Tabel 10i: Percentage laaggeschoolde personen (*)(15-34) naar het hoogst bereikte onderwijsniveau van de ouders, België, 2e kwartaal 2009
| Laaggeschoold (a) | Middengeschoold (b) | Hooggeschoold (c) |
| 28,6 | 12,6 | 6,2 |
*Deze cijfers hebben betrekking op personen tussen 15
en 34 jaar met een diploma en die het regulier onderwijs voor het
laatst verlaten hebben.
Het onderwijsniveau van de ouder met het hoogst behaalde diploma werd in
aanmerking genomen.
(a) Laaggeschoold = diploma van ten hoogste lager secundair onderwijs.
(b) Middengeschoold = diploma van hoger secundair onderwijs.
(c) Hooggeschoold = diploma van het hoger onderwijs.
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische
Informatie:
Enquête naar de arbeidskrachten en eigen berekeningen.
Het percentage vroegtijdige schoolverlaters, leerlingen die het onderwijs
verlaten zonder diploma hoger secundair
onderwijs, bedraagt in 2010 11,9%.
Dit aandeel ligt veel hoger in het Brussels Gewest dan
in de rest van het land, namelijk 18,4% versus 9,6 in het Vlaams en 13,7%
in het Waals Gewest. Volgens de Europa 2020-stategie, moet het percentage
voortijdige schoolverlaters onder de 10% komen te liggen (Voortijdig
schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda).
Gelet op de diverse
definitiewijzigingen welke deze indicator heeft ondergaan is het
moeilijk om een trend in te schatten.
Tabel 10j: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht - jaargemiddelden, België en de gewesten, 2000-2010
| België | Brussels Hoofdstedelijk Gewest | Vlaams Gewest | Waals Gewest | |
| 2000 | ||||
| Totaal | 13,8 | 20,7 | 11,6 | 15,5 |
| Vrouw | 11,0 | 16,1 | 9,2 | 12,6 |
| Man | 16,5 | 25,2 | 13,9 | 18,4 |
| 2001 | ||||
| Totaal | 13,8 | 21,0 | 11,5 | 15,8 |
| Vrouw | 11,3 | 19,3 | 9,4 | 12,1 |
| Man | 16,2 | 22,9 | 13,5 | 19,3 |
| 2002 | ||||
| Totaal | 14,1 | 22,4 | 11,7 | 16,1 |
| Vrouw | 11,0 | 18,7 | 8,8 | 12,6 |
| Man | 17,1 | 26,4 | 14,4 | 19,4 |
| 2003 | ||||
| Totaal | 14,3 | 18,8 | 12,5 | 16,1 |
| Vrouw | 11,6 | 15,8 | 10,2 | 12,8 |
| Man | 16,9 | 21,9 | 14,8 | 19,2 |
| 2004* | ||||
| Totaal | 13,1 | 18,1 | 11,0 | 15,3 |
| Vrouw | 10,8 | 16,9 | 8,7 | 12,4 |
| Man | 15,4 | 19,4 | 13,3 | 18,1 |
| 2005* | ||||
| Totaal | 12,9 | 19,4 | 10,7 | 14,6 |
| Vrouw | 10,5 | 18,4 | 8,0 | 12,1 |
| Man | 15,2 | 20,4 | 13,2 | 17,0 |
| 2006 | ||||
| Totaal | 12,6 | 19,3 | 10,0 | 14,8 |
| Vrouw | 10,0 | 16,7 | 8,1 | 11,0 |
| Man | 15,1 | 22,1 | 11,9 | 18,4 |
| 2007 | ||||
| Totaal | 12,1 | 20,2 | 9,3 | 14,3 |
| Vrouw | 10,3 | 17,3 | 7,6 | 12,5 |
| Man | 13,9 | 23,4 | 10,9 | 16,1 |
| 2008 | ||||
| Totaal | 12,0 | 19,9 | 8,6 | 15,2 |
| Vrouw | 10,6 | 17,9 | 7,5 | 13,3 |
| Man | 13,4 | 22,2 | 9,6 | 16,9 |
| 2009 | ||||
| Totaal | 11,1 | 15,6 | 8,6 | 13,8 |
| Vrouw | 9,3 | 13,2 | 7,2 | 11,4 |
| Man | 12,8 | 18,2 | 9,9 | 16,2 |
| 2010 | ||||
| Totaal | 11,9 | 18,4 | 9,6 | 13,7 |
| Vrouw | 10,0 | 16,5 | 7,7 | 11,5 |
| Man | 13,8 | 20,4 | 11,4 | 15,9 |
De cijfers zijn steeds jaargemiddelden.
Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een
leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs
heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt.
Personen in schoolvakantie worden niet als vroegtijdige schoolverlater
beschouwd.
*Wegens een wijziging van de variabelen over onderwijs en opleiding in
2004, zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met de voorgaande
jaren.
bron:
FOD Economie - Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie,
Enquête naar de arbeidskrachten
Figuur 10.1: Aandeel van de bevolking van 18-24 jaar met ten hoogste lager voortgezet onderwijs dat geen onderwijs of opleiding volgt (2009) en ontwikkeling 2000-2009, België en EU-27
|
Cijfers 2009 |
Ontwikkeling 2000-2009 |

bron: Europese Commissie:Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda, p. 4
Momenteel stromen nog vele jongeren uit een kansarm milieu door naar het
buitengewoon onderwijs.
Een mogelijke verklaring is dat het buitengewoon
onderwijs
een omkadering biedt die niet altijd aanwezig is in het
gewoon onderwijs: de kosten zijn lager, het vervoer
wordt verzekerd,
de toegankelijkheid is groter, er is meer individuele en gerichte
aandacht, de logopedisten en kinesisten zijn aanwezig op school en dienen
niet langer buitenschools ingeschakeld te worden. Het certificaat dat aan
het einde wordt uitgereikt biedt niet dezelfde
perspectieven dan dat binnen het
gewoon
onderwijs en geeft problemen bij
de inschakeling naar werk.
In Vlaanderen zit 7%
van de leerlingen uit het lager onderwijs in het buitengewoon
onderwijs
(schooljaar 2009-2010). In de Franse Gemeenschap is dit
5% (schooljaar 2008-2009).
Voor het secundair onderwijs is dit percentage nagenoeg gelijk in beide
gemeenschappen, met name 4%.
Tabel 10k: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs(*) naar onderwijsniveau , Vlaamse gemeenschap, 2009-2010
| 2009-2010 | |
| Kleuteronderwijs | 0,8 |
| Lager onderwijs | 6,8 |
| Secundair onderwijs | 4,2 |
(*) Leerlingen van het type 5 zijn niet opgenomen in de
cijfers van het buitengewoon onderwijs.
bron:
Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming:
Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010
Tabel 10l: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau , Franse gemeenschap, 2008-2009
|
|
2008-2009 |
|
Kleuteronderwijs |
0,7 |
|
Lager onderwijs |
4,9 |
|
Secundair onderwijs |
4,3 |
bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2010
In de Vlaamse Gemeenschap had in het schooljaar 2009-2010, 1,6% van
de leerlingen in het lager onderwijs een
vertraging van 2jaar en
meer jaar, in het
secundair
onderwijs
was dit 6,7 %.
Tabel 10m: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse Gemeenschap, 2009-2010
| 2j achterstand | meer dan 2j achterstand | |
| Lager onderwijs | 1,53 | 0,11 |
| Secundair onderwijs | 5,43 | 1,24 |
bron: Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010
In de Franse Gemeenschap had in het schooljaar
2008-2009 4% van de leerlingen 2jaar of meer schoolse vertraging opgelopen
in het lager onderwijs (P4), in het secundair onderwijs (S4) was dit 23%.
Figuur 10.2: Individuele schoolloopbanen naar onderwijsniveau in het gewoon onderwijs, Franse Gemeenschap, 2008-2009

M=kleuteronderwijs; P=lager onderwijs; S=secundair
onderwijs
legende:oranje: tijdig; grijs: 1j achterstand; paars: 2j of meer
achterstand
bron: Communauté française/ETNIC:
Les indicateurs de l'enseignement 2010,
Fiche: Indicateurs 2010 - 11: retard scolaire dans l’enseignement
ordinaire de plein exercice, p. 29
Niet-Belgen blijken in veel grotere mate een schoolse vertraging te vertonen dan Belgen.
Tabel 10n: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar nationaliteit, Vlaamse Gemeenschap, 2008-2009 en 2009-2010
| Vlaamse Gemeenschap | ||
| Belgische nationaliteit | niet-Belgische nationaliteit | |
| 2008-2009 | ||
| Meisjes | 1,00 | 9,55 |
| Jongens | 1,09 | 9,93 |
| Totaal | 1,05 | 9,74 |
| 2009-2010 | ||
| Meisjes | 1,03 | 9,57 |
| Jongens | 1,14 | 9,92 |
| Totaal | 1,08 | 9,74 |
bron: Vlaamse overheid, Stafdiensten Onderwijs en Vorming:Statistisch jaarboek van het Vlaams Onderwijs 2008-2009 en Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2009-2010
Voor gegevens over schoolse vertraging naar nationaliteit in de Franse
Gemeenschap voor het schooljaar 2008-2009:
klik hier.
bron: Communauté française/ETNIC:
Les indicateurs de l'enseignement 2010
Het Pisa-project (Program for International Student Assessment) van de Oeso meet elke drie jaar de leerprestaties van 15-jarigen in België en de wereld inzake leesvaardigheid, en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid. Uit de vorige PISA-cycli bleek telkens weer dat de sociaal-economische thuissituatie van leerlingen een invloed heeft op hun prestaties: leerlingen uit gezinnen met een hoge sociaal-economische status behalen hogere PISA-resultaten dan leerlingen uit gezinnen met een lage socio-economische status. België is het enige land dat een hoog gemiddelde leesprestatie combineert met een zeer sterke samenhang tussen prestatie en socio-economische achtergrond. Van de drie Belgische gemeenschappen is Vlaanderen de enige die een leerprestatie hoger dan het OESO-gemiddelde combineert met een groter dan gemiddelde impact van socio-economische achtergrond; in de Franse Gemeenschap is die hoge impact van SES op prestaties ook wel aanwezig, maar daar ligt de gemiddelde leesprestatie net onder het OESO-gemiddelde. Sinds 2000 is de relatie tussen SES en de prestaties voor leesvaardigheid in Vlaanderen niet significant veranderd. Het prestatieverschil tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een buitenlandse herkomst verkleint aanzienlijk wanneer de sociaal-economische situatie in rekening wordt gebracht. (bron: PISA Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009).
Figuur 10.3: Indeling van de PISA 2009-landen volgens hun gemiddelde leesprestatie en hun mate van (on)gelijkheid

bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs & Vorming, PISA Leesvaardigheid van 15-jarigen in Vlaanderen. De eerste resultaten van PISA 2009, 2010, p. 94
Laatste aanpassing:
13/05/11