S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

 

Feiten en cijfers

 

  Hebben laaggeschoolden een hoger risico om in armoede te belanden?

Laatste aanpassing : 09/08/2016.

Ja.
Laagopgeleiden hebben het vaak moeilijker op de arbeidsmarkt en lopen bijgevolg een groter risico op sociale uitsluiting.

Toelichting:

Opleiding(sniveau) bepaalt in onze maatschappij steeds meer de positie die iemand kan innemen op de sociale ladder.
Laaggeschoolden dreigen in onze kennismaatschappij meer en meer uit de boot te vallen. Een lage opleiding leidt tot een merkelijk hoger armoederisico: 27,8 % versus 6,6 % voor hooggeschoolden volgens de EU-SILC 2015 enquête. Het armoederisico onder de laaggeschoolden op actieve leeftijd is sterk toegenomen: van 18,7 % (EU-SILC 2005) tot 27,8 % (EU-SILC 2015).  'De belangrijkste determinanten van deze evolutie zijn (1) een dalende toegankelijkheid van de arbeidsmarkt en (2) een dalende toereikendheid van sociale uitkeringen voor de actieve bevolking.' (Bron: FOD Sociale Zekerheid, Analyse van de evolutie van de sociale situatie en sociale bescherming in België, juni 2016, p. 92-93)
 

Tabel 10a: Armoederisicopercentage  (<60 % van het mediaan netto-inkomen) naar opleidingsniveau (bevolking 18-64 jaar), België, SILC 2005-2015

  SILC

lage opleiding

gemiddelde opleiding

hoge opleiding

Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw Totaal Man Vrouw
2005 18,7 17,0 20,4 11,1 10,1 12,1 4,4 4,2 4,7
2006 18,8 16,9 20,7 11,0 9,9 12,2 5,6 5,4 5,8
2007 19,9 19,8 20,0 11,5 9,9 13,2 5,7 5,7 5,8
2008 20,6 18,3 23,0 10,9 9,4 12,5 5,3 5,5 5,2
2009 22,2 18,5 26,0 9,8 8,7 11,0 5,2 5,6 4,8
2010 22,7 20,5 25,0 9,8 8,8 10,8 5,2 6,0 4,6
2011 25,5 22,3 28,9 11,5 10,9 12,2 6,0 5,9 6,0
2012 26,3 24,2 28,6 11,3 9,4 13,4 7,1 7,3 6,9
2013 27,3 25,9 28,7 11,4 9,9 12,9 7,2 8,7 5,8
2014 28,5 25,8 31,4 13,5 12,0 15,3 6,5 6,5 6,4
2015 27,8 22,1 33,6 14,0 12,5 15,6 6,6 7,4 5,9

bron: Eurostat: EU-SILC
 

Van de Belgische bevolking van 15 jaar en meer beschikte in 2015 14,4 % over een diploma lager onderwijs of geen diploma, 20,8 % over een diploma lager secundair onderwijs, 35,3 % over een diploma hoger secundair onderwijs, 15,0 % over een diploma hoger onderwijs van het korte type of een professionele bachelor en 14,5 % over een diploma hoger niet-universitair onderwijs van het lange type, universitair onderwijs of een academische bachelor of master. In de tabellen 10c en 10d wordt de scholingsgraad van jongeren in België vergeleken met andere Europese lidstaten. Het aandeel laaggeschoolde (maximaal lager secondair onderwijs) jongeren tussen 18 en 24 jaar schommelt rond het Europese gemiddelde, terwijl het aandeel hooggeschoolden (minstens hoger secundair onderwijs) tussen 30 en 34 jaar hoger is dan het Europese gemiddelde.
 

Tabel 10b: Onderwijsniveau van de bevolking (15 jaar en ouder) - in procenten, België, 2010-2015

Behaald diploma

2010

2011

2012 (b)

2013 2014 (c) 2015
Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0
Lager onderwijs of geen diploma 19,2 18,9 18,7 17,5 15,7 14,4
Lager secundair onderwijs 20,2 19,5 19,2 19,5 20,5 20,8
Hoger secundair onderwijs 33,2 34,3 34,1 34,9 34,5 35,3
Hoger niet-universitair onderwijs van het korte type / Professionele Bachelor (a) 14,0 13,8 13,3 12,9 14,8 15,0

Hoger niet-universitair onderwijs van het lange type / Universitair onderwijs / Academische Bachelor of Master (a) (b)

13,4 13,3 14,6 15,2 14,5 14,5

(a) Sinds 2008 wordt er in de Enquête naar de arbeidskrachten rekening gehouden met de BaMa-structuur van het hoger onderwijs. Afgestudeerden met een professionele bachelor komen in dezelfde categorie terecht als deze met een diploma van het hoger niet-universitair onderwijs van het korte type. Zowel de diploma's van academische bachelor als van master behaald aan een hogeschool worden bij het hoger niet-universitair onderwijs van het lange type opgenomen. Zo ook worden de diploma's van academische bachelor en van master behaald aan een universiteit bij het universitair onderwijs opgenomen. Dit heeft een breuk tot gevolg in de cijfers vanaf 2008. De BaMa-structuur werd ingevoerd vanaf 2004-2005 en de eerste bachelordiploma's werden dus uitgereikt in 2008.
(b)
Wijziging van de formulering van de antwoordmodaliteiten in de Franstalige vragenlijst.
(c) In 2014 werd de vraagstelling naar het hoogst behaalde diploma in de Enquête naar de arbeidskrachten gewijzigd wat bepaalde breuken kan hebben veroorzaakt.
b
ron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium: Enquête naar de arbeidskrachten
 

Tabel 10c: Laaggeschoolden*: percentage van de 18-24-jarigen die maximaal een diploma lager secundair onderwijs behaald hebben, België, buurlanden en EU-28, 2010-2015

2010 2011 2012 2013 2014 2015
België 11,9 12,3 12,0 11,0 9,8 (b) 10,1
Duitsland 11,8 (b) 11,6 10,5 9,8 9,5 (b) 10,1
Frankrijk 12,7 12,3 11,8 9,7 (b) 9,0 (b) 9,3
Nederland 10,0 (b) 9,2 8,9 9,3 (b) 8,7 (b) 8,2
EU-28 13,9 13,4 12,7 11,9 11,2 (b) 11,0

* Het gaat over ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
(b): onderbroken reeks

bron: Eurostat
: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten


Tabel 10
d: Hooggeschoolden*: percentage van de 30-34-jarigen die met succes hoger onderwijs hebben afgerond, België, buurlanden en EU-28, 2010-2015

  2010 2011 2012 2013 2014 2015
België 44,4 42,6 43,9 42,7 43,8 (b) 42,7
Duitsland 29,7 (b) 30,6 31,8 32,9 31,4 (b) 32,3
Frankrijk 43,2 43,1 43,3 44,0 (b) 43,7 (b) 45,1
Nederland 41,4 (b) 41,2 (b) 42,2 43,2 (b) 44,8 (b) 46,3
EU-28 33,8 34,8 36,0 37,1 37,9 (b) 38,7

* Het gaat over ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 5-8
(b): onderbroken reeks

bron: Eurostat:
Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten


25,3 % van de Belgische volwassen bevolking (25-64-jarigen) jaar heeft in 2015 maximum een diploma lager secundair onderwijs. De laaggeschoolde bevolking telt meer mannen dan vrouwen. Ze is verhoudingsgewijs groter in Brussel en Wallonië dan in Vlaanderen.
 

Tabel 10e: Percentage personen met een laag opleidingsniveau* in de volwassen bevolking (25-64-jarigen) naar geslacht, België en de gewesten, 2015

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Vrouw 24,2 29,3 21,8 26,8
Man 26,4 31,2 24,0 29,1
Totaal 25,3 30,2 22,9 28,0

* Maximaal een diploma lager secundair onderwijs, ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
bron
: Eurostat: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten


Het percentage laaggeschoolden in de volwassen bevolking ligt hoger in België (25,3 %) dan in de omringende landen en overstijgt het Europese gemiddelde (23,5 %).
Lage scholing is sterk leeftijdsgevonden. Ouderen zijn meer laaggeschoold dan jongeren (België: 39,3 % versus 17,5 %). Het aandeel laaggeschoolden afkomstig uit een niet EU-land is opvallend hoog (België: 42,8 %).  Veel laaggeschoolden blijken economisch inactief of werkloos te zijn (België: respectievelijk 47,5 % en 36,6 %).
 

Tabel 10f: Percentage personen met een laag opleidingsniveau* in de volwassen bevolking (25-64-jarigen) naar socio-economische kenmerken, België, buurlanden en EU-28, 2015

  België Duitsland Frankrijk Nederland EU-28
Totaal 25,3 13,2 22,5 23,6 23,5
Man 26,4 11,5 21,8 22,7 23,4
Vrouw 24,2 14,9 23,1 24,5 23,6
           
Leeftijd          
25-34 jaar 17,5 12,7 13,5 14,4 16,6
35-44 jaar 18,6 13,6 15,9 18,5 19,9
45-54 jaar 26,2 12,7 24,8 25,4 25,4
55-64 jaar 39,3 14,0 35,4 35,1 32,0
           
Land van geboorte          
Rapporterend land 22,5 8,6 19,7 22,3 22,1
Buitenland 37,1 - 39,2 31,3 32,2
-Ander EU-28 land 29,2 - 37,0 18,6 23,6
-Niet EU-28 land 42,8  - 39,9 35,2 36,3
    -      
Activiteitsstatus          
Werkend 16,8 9,8 16,3 18,3 17,3
Werkloos 36,6 26,9 30,7 29,0 36,8
Inactief** 47,5 26,4 40,7 45,6 40,2

* Maximaal een diploma lager secundair onderwijs, ISCED 2011 (International Standard Classification of Education), 0-2
** Noch werkend, noch werkloos

bron: Eurostat:
Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten
 

Het percentage vroegtijdige schoolverlaters, leerlingen die het onderwijs verlaten zonder diploma hoger secundair onderwijs, bedraagt in 2015 voor België 10,1 % (EU 28-gemiddelde = 11,0 %). Dit aandeel ligt veel hoger in het Brussels Gewest namelijk 15,8 % versus 7,2 % in het Vlaams en 13,1 % in het Waals Gewest. Volgens de Europa 2020-stategie, moet het percentage vroegtijdige schoolverlaters onder de 10 % komen te liggen; voor België is die doelstelling een vermindering tot 9,5 % tegen 2020.  (Voortijdig schoolverlaten aanpakken: een essentiële bijdrage aan de Europa 2020-agenda).
Meer mannen dan vrouwen verlaten de school zonder diploma. In België, in 2015 bedraagt dit verschil 3 procentpunt.
 

Tabel 10g: Percentage vroegtijdige schoolverlaters* (bevolking 18-24 jaar oud) naar geslacht - jaargemiddelden, EU-28, België en de gewesten, 2010-2015

  EU-28 België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
2010          
Totaal 13,9 11,9 18,4 9,6 13,7
Vrouw 11,9 10,0 16,5 7,7 11,5
Man 15,8 13,8 20,4 11,4 15,9
2011          
Totaal 13,4 12,3 18,9 9,6 14,7
Vrouw 11,5 9,7 16,8 7,0 11,7
Man 15,3 14,9 21,3 12,1 17,7
2012          
Totaal 12,7 12,0 20,1 8,7 14,8
Vrouw 10,9 9,5 16,3 6,8 11,7
Man 14,5 14,4 24,1 10,5 17,9
2013          
Totaal 11,9 11,0 17,7 7,5 14,7
Vrouw 10,2 8,7 16,1 5,7 11,4
Man 13,6 13,2 19,4 9,3 17,8
2014 **          
Totaal 11,2 9,8 14,4 7,0 12,9
Vrouw 9,6 7,7 11,2 5,7 9,9
Man 12,8 11,8 17,5 8,3 15,9
2015          
Totaal 11,0 10,1 15,8 7,2 13,1
Vrouw 9,5 8,6 14,8 5,8 11,1
Man 12,4 11,6 16,9 8,6 15,0

De cijfers zijn steeds jaargemiddelden.
* Definitie "Vroegtijdige schoolverlaters": het percentage personen met een leeftijd van 18 tot 24 jaar dat geen diploma hoger secundair onderwijs heeft behaald en geen enkele vorm van onderwijs of vorming meer volgt. Personen in schoolvakantie worden niet als vroegtijdige schoolverlater beschouwd.
** Wegens een wijziging in de vraagstelling, zijn de resultaten niet volledig vergelijkbaar met de voorgaande jaren.
bron: Algemene Directie Statistiek-Statistics Belgium, Enquête naar de arbeidskrachten en Eurostat: Onderwijs en opleiding database op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten
 

Momenteel stromen nog vele jongeren uit een kansarm milieu door naar het buitengewoon onderwijs. Een mogelijke verklaring is dat het buitengewoon onderwijs een omkadering biedt die niet altijd aanwezig is in het gewoon onderwijs: de kosten zijn lager, het vervoer wordt verzekerd, de toegankelijkheid is groter, er is meer individuele en gerichte aandacht, de logopedisten en kinesisten zijn aanwezig op school en dienen niet langer buitenschools ingeschakeld te worden. Het certificaat dat aan het einde wordt uitgereikt biedt niet dezelfde perspectieven dan dat binnen het gewoon onderwijs en geeft problemen bij de inschakeling naar werk. In Vlaanderen zit 6 % van de leerlingen uit het lager onderwijs in het buitengewoon onderwijs (schooljaar 2014-2015). In de Franse Gemeenschap is dit 5 % (schooljaar 2013-2014). Voor het secundair onderwijs is dit percentage nagenoeg gelijk in beide gemeenschappen, rond 4,5 %.
 

Tabel 10h: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs(*) naar onderwijsniveau , Vlaamse gemeenschap, 2014-2015

  2014-2015
Kleuteronderwijs 0,7
Lager onderwijs 6,3
Secundair onderwijs 4,7

(*) Leerlingen van het type 5 zijn niet opgenomen in de cijfers van het buitengewoon onderwijs.
bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2014-2015


Tabel 10i
: Percentage leerlingen in het buitengewoon onderwijs naar onderwijsniveau, Franse gemeenschap, 2013-2014

 

2013-2014

Kleuteronderwijs

0,7

Lager onderwijs

5,3

Secundair onderwijs

4,6

bron: Fédération Wallonie-Bruxelles/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2015

Voor gegevens over het groter aandeel van leerlingen uit kansarme buurten in het bijzonder onderwijs in de Franse Gemeenschap : klik hier
bron: Communauté française/ETNIC: Les indicateurs de l'enseignement 2015


In de Vlaamse Gemeenschap had in het schooljaar 2014-2015, 1,3 % van de leerlingen in het lager onderwijs een vertraging van 2 jaar of meer opgelopen, in het secundair onderwijs was dit 6,0 %.
 

Tabel 10j: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging naar onderwijsniveau, Vlaamse Gemeenschap, 2014-2015

 

2014-2015

Lager onderwijs 1,3
Secundair onderwijs 6,0

bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2014-2015


In de Franse Gemeenschap had in het schooljaar 2013-2014 3 % van de leerlingen 2 jaar of meer schoolse vertraging opgelopen in het lager onderwijs (P4); in het secundair onderwijs (S4) was dit 25 %.
 

Figuur 10.1: Individuele schoolloopbanen naar onderwijsniveau in het gewoon onderwijs, Franse Gemeenschap, 2013-2014

M = kleuteronderwijs; P = lager onderwijs; S = secundair onderwijs
legende:
groen: tijdig; oranje: 1j achterstand; paars: 2j of meer achterstand
bron:
Communauté française/ETNIC : Les indicateurs de l'enseignement 2015, fig. 10.1, p. 31; Fiche: Retard scolaire dans l’enseignement ordinaire de plein exercice
 

Er blijken grote verschillen te bestaan tussen Belgen en niet-Belgen, waarbij de laatste categorie in veel grotere mate een vertraging blijkt te vertonen.
 

Tabel 10k: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar nationaliteit, Vlaamse Gemeenschap, schooljaar  2014-2015

  Vlaamse Gemeenschap
  Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit
Meisjes 0,7 6,7
Jongens 0,8 7,1
Totaal 0,8 6,9

bron: Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming, Stafdiensten Onderwijs en Vorming: Schoolse vorderingen en zittenblijven in het gewoon lager onderwijs in Statistisch jaarboek van het Vlaams onderwijs - schooljaar 2014-2015, p. 66-71
 

Tabel 10l: Percentage jongeren met twee of meer jaar schoolse vertraging in het lager onderwijs naar nationaliteit, Franse Gemeenschap, schooljaar  2014-2015

 

Franse Gemeenschap

 

Belgische nationaliteit niet-Belgische nationaliteit
Meisjes 1,1 4,5
Jongens 1,4 5,0
Totaal 1,2 4,7

bron: Communauté française/ETNIC


Het Pisa-project (Program for International Student Assessment) van de Oeso meet elke drie jaar de leerprestaties van 15-jarigen in België en de wereld inzake leesvaardigheid, en wiskundige en wetenschappelijke geletterdheid.
In 2012 lag de focus van het PISA-onderzoek op wiskunde. 19 % van de leerlingen haalt het basisniveau 2 niet voor wiskunde. 
Uit de vorige PISA-cycli bleek telkens weer dat de sociaal-economische thuissituatie van leerlingen een invloed heeft op hun prestaties: leerlingen uit gezinnen met een hoge sociaal-economische status behalen hogere PISA-resultaten dan leerlingen uit gezinnen met een lage socio-economische status. België combineert een hoog gemiddelde prestatie met een zeer sterke samenhang tussen prestatie en socio-economische achtergrond. Het prestatieverschil tussen autochtone leerlingen en leerlingen met een buitenlandse herkomst verkleint aanzienlijk wanneer de sociaal-economische situatie in rekening wordt gebracht. (bron: OECD, PISA 2012 Results)
 

Figuur 10.2: Indeling van de PISA 2012-landen volgens hun gemiddelde wiskundeprestatie en hun mate van (on)gelijkheid

Figuur uit: De Meyer Inge, Warlop Nele, Van Camp Sigrid. Wiskundige geletterdheid bij 15-jarigen. Vlaamse resultaten van PISA2012. Universiteit Gent, Vakgroep Onderwijskunde, p. 100.
Voor de PISA2012 resultaten in Franstalig België, klik hier


Laatste aanpassing: 09/08/2016