|
| Stadsgewest | Aantal achtergestelde buurten | Bevolking in deze buurten |
| Brussel | 295 | 503.549 |
| Charleroi | 274 | 257.906 |
| Luik | 267 | 280.959 |
| Bergen | 140 | 136.084 |
| Antwerpen | 76 | 156.361 |
| La Louvière | 102 | 96.891 |
| Verviers | 36 | 38.564 |
| Namen | 31 | 32.425 |
| Gent | 38 | 77.051 |
| Doornik | 28 | 25.135 |
| Hasselt | 15 | 26.278 |
| Oostende | 20 | 27.315 |
| Kortrijk | 11 | 9.638 |
| Leuven | 9 | 5.923 |
| Sint-Niklaas | 11 | 13.857 |
| Mechelen | 12 | 12.525 |
| Brugge | 4 | 2.536 |
| Totaal | 1.369 | 1.702.997 |
bron: Vandermotten Christian, Kesteloot Christian, Ippersiel Bertrand e.a. (2006), Dynamische analyse van de buurten in moeilijkheden in de Belgische stadsgewesten, ULB, KUL, ICEDD, p.20.
De terechte aandacht voor het stedelijk beleid mag echter de
aandacht niet afleiden van de ontwikkelingen op het platteland: ook daar
is armoede een realiteit, ook al is ze er soms minder
zichtbaar. Eén van de belangrijkste verschillen met de stedelijke context
is de vaststelling dat sociale uitsluiting op het platteland meer
verspreid voorkomt en daardoor moeilijker meetbaar wordt. De "Atlas van achtergestelde buurten in
Vlaanderen en Brussel" toont
dit duidelijk aan (bron: Kesteloot Christian,
Meys Sarah (2008),
Atlas van achtergestelde buurten in Vlaanderen en Brussel).
Alhoewel de meest achtergestelde buurten zich voornamelijk lokaliseren in
Brussel, gevolgd door Antwerpen en Gent, telt ook het platteland heel wat
achterstelling: nl. in West-Vlaanderen, het Meetjesland, de Vlaamse
Ardennen, het Pajottenland, het Hageland, de
Noorderkempen, Noord-Limburg, Zuid-Limburg en Voeren.
De problemen die we tegenkomen in plattelandsgebieden zijn niet
verschillend van die binnen een stedelijke context. Ook daar is er sprake
van een toename van het aantal leefloontrekkers, komt de problematiek van
schuldoverlast sterker naar voor… De specifieke context is echter verschillend. Omstandigheden,
randvoorwaarden die ervoor zorgen dat plattelandsgebieden meer of in een
andere vorm met bepaalde problemen worden geconfronteerd zijn:
a) Socio-demografische factoren:
De veroudering van de bevolking is opvallend. Enerzijds neemt het aandeel
jongeren af en anderzijds neemt het aantal 65-plussers toe.
Specifiek zijn de problemen waarmee landbouwers geconfronteerd zorden.
Onderzoek uit 1999 en 2001 toonde aan dat op het einde van
de 20ste eeuw ongeveer een vierde van de Vlaamse beroepslandbouwers en hun
gezinsleden moesten zien rond te komen met maximaal 10.000
€ per jaar,
een bedrag dat nauwelijks het wettelijk bestaansminimum benadert
(bron: Van Hecke E. en Marx A. (1999), Boeren
in de knel. Armoede in land- en tuinbouw, Brussel: Koning
Boudewijnstichting, Van Hecke E. (2001), Revenus et
pauvreté dans l'agriculture wallonne, Fondation Roi Baudouin en Van Hecke E. (2001), Measuring poverty among farmers
in Belgium, in: Belgeo, 1(3), p. 247-263).
b) Werkgelegenheid:
Belangrijk gegeven is de afwezigheid van tewerkstelling. Jongeren en
actieven verlaten het platteland op zoek naar aangepast werk of zijn
aangewezen op pendel naar tewerkstellingscentra. In plattelandsgebieden is
het globale aanbod aan jobs beperkter. Dat betekent nog niet dat de
werkloosheid er hoger is, wel dat pendel er belangrijker is. Als de last
van het pendelen te groot wordt, wordt verhuizen het alternatief.
c) Wonen:
De kwaliteit van sommige woningen op het platteland is laag. Ook het aanbod
sociale woningen is beperkter. Dat geldt ook voor woongelegenheden voor
specifieke doelgroepen (bijvoorbeeld aangepaste woningen voor bejaarden).
Daarnaast is er een nieuwe migratiestroom. Wie het zich kan permitteren,
zoekt het platteland op in de hoop daar rust, groen,… te vinden. Woningen
worden opgekocht door “allochtonen”. Prijzen van grond en woningen
stijgen. De "autochtone" bevolking moet vaak noodgedwongen vertrekken.
In plattelandsgebieden bestaat ook een marginaal wooncircuit op campings
en in residentiële parken.
d) Formele dienstverlening:
Rationalisering (kostenbeheersing) en schaalvergroting (centralisatie)
zorgen voor beperktere voorzieningen (zowel openbare zoals telefoon,
post,… als private zoals vakbonden, mutualiteit,…). Wie
vervoersafhankelijk is ondervindt hiervan de meest negatieve gevolgen:
vrouwen zonder inkomen, jongeren, senioren, gehandicapten,… Vaak is de
openbare sector (OCMW) de enig overgebleven eerstelijnsdienst. In
plattelandsgebieden is de drempel echter hoog gezien de
grote sociale druk.
e) Bestuurskracht:
Dit is het complexe samenspel tussen beleidscultuur, beleidsvisie,
financiële middelen, personeel,… Financieel hebben veel
plattelandsgebieden het moeilijk. De oorzaak hiervan is de lagere
opbrengst van personenbelasting en onroerende voorheffing. De bevolking
daalt of groeit niet aan, is minder kapitaalkrachtig en de waarde van de
eigendommen is er lager dan bijvoorbeeld in centrumgemeenten. Er is ook
minder industrie. De afwezigheid van concentratie (lage
bevolkingsdichtheid) en de onaangepaste regelgeving voor specifieke
gemeenten, hypothekeren het nemen van adequate acties op het terrein.
f) Mobiliteit:
Het openbaar vervoer is beperkt uitgebouwd. Van en naar regionale
centrumsteden is het aanbod niet uitgebreid. Onderlinge
verbindingen tussen de gemeenten ontbreken meestal helemaal.
Dit betekent een extra drempel voor wie er afhankelijk
van is.
g) Sociale netwerken:
Ook de mantelzorg (informele netwerken) is in evolutie. Families zijn
minder gebonden aan dezelfde locaties en zwermen uit in de regio of
daarbuiten. Gecombineerd met beperkte openbare vervoersmogelijkheden kan
dit het isolement versterken. Ook de samenstelling van de bevolking
verandert. Inwijkelingen nemen de plaats in van de traditioneel met het
dorp verbonden families. Dat iedereen iedereen kent, gaat steeds minder
op. Het creëert een spanningsveld tussen de
oorspronkelijke bevolking en de nieuwkomers.
bron: Vandenbussche Johan (1998), Sociale uitsluiting in
plattelandsgebieden, Brussel: Koning Boudewijnstichting
Laatste aanpassing: 14/07/08