S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Biedt tewerkstelling voldoende bescherming tegen armoede?

Alhoewel duidelijk bewezen is dat werkloosheid en inactiviteit een veel groter armoederisico inhouden dan tewerkstelling, biedt een job niet altijd een garantie om te ontsnappen aan armoede. Bepaalde gezinsstructuren (zoals bvb. ééninkomensgezinnen) en lage inkomens (veroorzaakt door bvb. herhaaldelijke werkloosheid, deeltijdse arbeid een slecht betaalde jobs) liggen aan de oorzaak van de zogeheten "working-poor".


Toelichting:

Het risico om in armoede verzeild te raken, is lager bij werkenden dan bij niet-werkenden, zeker als het aantal werkenden per huishouden toeneemt. In dit verband zijn werkloosheid, en dan voornamelijk langdurige (langer dan een jaar) en zeer langdurige werkloosheid (langer dan twee jaar), bijzonder problematisch. In 2006 maakte ongeveer een derde van de werklozen (31,2%) deel uit van een huishouden met armoederisico, tegenover 4,2% van de werkende bevolking (2,7% van de werknemers en 13,7% van de zelfstandigen). Het Belgische percentage werkende armen behoort tot de laagste binnen de EU25 (4% in België tegenover 8% voor de EU25). Op dit vlak is er geen verschil tussen Vlaanderen en Wallonië (beiden 4%) (bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren). Het risico om arm te zijn is bijgevolg kleiner voor de werkenden in vergelijking met de niet-werkenden. Aangezien echter het aantal werkenden in absolute cijfers groter is dan het aantal niet-werkenden, betekent dit dat een grote groep mensen met verhoogd armoederisico aan het werk is. Laura Bardone en Anne-Catherine Guio berekenden dat het in 2001 ging om ongeveer 11 miljoen werkenden in de 15 EU lidstaten. Indien ook de gezinsleden van de "werkende armen" in rekening gebracht worden, dan gaat het om 20 miljoen mensen. Dit komt overeen met 6% van de totale Europese bevolking en 36% van de bevolking met een verhoogd armoederisico  (bron: Laura Bardone, Anne-Catherine Guio (2005), In work poverty : New commonly agreed indicators at the EU level, Statistics in focus 5/2005).
 


Tabel 6a: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, België en gewesten, SILC 2006 (inkomen 2005)

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

Totaal

Vrouw

Man

werkend

4,2 3,7 4,5 3,8 3,1 4,3 4,1 4,6 3,8
zelfstandig 13,7 13,3 14
werknemer 2,7 2,3 2,8
niet werkend: totaal 24,3 24,3 24,4 20,1 20,9 18,9 27 25,7 28,6

niet werkend: werkloos

31,2 30,1 32,4 22,4 36,4

niet werkend: gepensioneerd

20,3 20,8 19,8 20,2 19,5
niet werkend: gehandicapt/ziek 25,3 18,8 31,5

niet werkend: totaal inactieven

25,4 25,3 25,6 19,2 28,4

Aangezien de steekproef m.b.t. Brussel bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit gewest niet betrouwbaar. Ze worden bijgevolg niet gepubliceerd.
* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
b
ron: NAPincl 2008-2010: indicatoren

zie resultaten SILC 2005 en SILC 2004

 

Tabel 6b: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) (bevolking 16 jaar en ouder) naar meest frequente activiteitsstatus* en geslacht, EU-25 en België, SILC 2006 (inkomen 2005)

 

EU-25

België

 

Totaal

Vrouw

Man

 

werkend

8 7 8 4
niet werkend: totaal 23 23 23 24

niet werkend: werkloos

41 36 46 31

niet werkend: gepensioneerd

16 17 15 20

niet werkend: ander

26 26 25 25

* De meest frequente activiteitsstatus is gedefinieerd als de status die mensen verklaren te hebben ingenomen gedurende meer dan de helft van het aantal maanden in het voorafgaand kalenderjaar.
afgeronde cijfers
b
ron: Eurostat

zie resultaten SILC 2005 en SILC 2004

 

Ondanks het feit dat werk in België doorgaans een goede inkomensbescherming biedt, moet worden vastgesteld dat een niet verwaarloosbare proportie van de werkenden (4%) toch een armoederisico loopt. Werk volstaat dus niet altijd om armoede te vermijden, dit tengevolge van een precaire werksituatie of van een ontoereikend loon in verhouding tot de behoeften van het huishouden. Alleenstaande ouders, huishoudens met meerdere kinderen en personen met een niet-EU25 nationaliteit hebben een verhoogd armoededrisico ondanks werk. Tijdelijke contracten leiden tot een verhoogd armoederisico. In 2006 had 14% van de personen onder de armoedegrens werk als voornaamste activiteit (bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren, p. 176).

 

Tabel 6c: Belangrijkste karakteristieken van het armoederisico bij de werkende bevolking, België en gewesten, EU-SILC 2006 (inkomen 2005) (in %)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

Totaal 4,1 3,7 4,1
       
Geslacht      
mannen 4,5 4,2 3,8
vrouwen 3,7 3,1 4,5
       
Leeftijd      
15-24 3,6 2,6 4,3
18-24 3,6 2,6 -
25-49 3,8 3,2 3,9
50-64 5 5,3 4,1
       
Huishoudtype      
alle huishoudens zonder afh. kinderen 3,8 3,7 2,9
1persoonshuish. totaal 5,1 4,6 3
2 volwass. geen afh. kind. (beide –65) 2,3 2,5 1,3
2 volwass. geen afh. kind. (min 1 65+) 6,5 5,1 9,9
andere huish. geen afh. kinderen 4,5 4,6 4,7
alle huishoudens met afh. kinderen 4,4 3,6 5,1
eenoudergezin 9,9 7,3 14,7

2 volwass. 1 afh. kind

3 2,6 3

2 volwass. 2 afh. kinderen

3,6 3,3 3,1

2 volwass. 3 of meer afh. kinderen

5,9 5,8 6,5
andere huish. met kind 4,9 3,1 6,8

1persoonshuish. man -65 jaar

4,5 4 1,7

1persoonshuish. vrouw -65 jaar

5,6 4,6 5,3
       

eigenaar

3,6 3,6 3,3

huurder

6,2 4,2 7,4
       
zelfstandige 14,6 14,4 14,6
werknemer 2,4 1,8 2,6
       
nationaliteit      
EU-25 3,8 3,7 3,6
niet-EU-25 20,8 4,7 51,1
       
Opleidingsniveau      
lage opleiding 7,4 7 7
gemiddelde opleiding 4,4 4 4,1
hoge opleiding 2,4 2,1 2,3
       
Werkintensiteit      

huishoudens zonder kinderen: 0<W*<1

6 5,7 5,6

huishoudens zonder kinderen: W=1

2,4 2,3 1,1

huishoudens met kinderen: 0<W<0,5

27,4 18,9 31,8

huishoudens met kinderen: 0,5<=W<1

6,6 6 6,8
huishoudens met kinderen: W=1 3 2,7 3,7
       
Volgens het aantal werkuren/week      
< 30 uur 3,7 3,5 4
>= 30 uur 3,4 3,2 2,9
       
Volgens het aantal gewerkte maanden      
volledig jaar 3,7 3,5 3,6
minder dan een volledig jaar 12 9 11,6
       
Volgens het type contract      
vast contract 1,9 1,5 1,8
tijdelijk contract 7,5 5,8 9,7

*W=werkintensiteit
bron:
NAPincl 2008-2010: indicatoren

 


 

Laatste aanpassing: 20/01/09