S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Hoeveel werklozen telt ons land?

In 2007 telde België 690.662 vergoede werklozen. Hiervan waren 532.459 niet-werkende werkzoekenden.


Toelichting:

Opmerking: We hebben getracht de meest recente gegevens over werkloosheid op te sporen: in de meeste gevallen dateren deze van 2007, in enkele gevallen van 2005 of 2004. Hierdoor is een vergelijking tussen de verschillende gegevens niet altijd makkelijk.
Een andere moeilijkheid is dat sinds de afschaffing van de stempelcontrole in december 2005, geen cijfers meer gepubliceerd worden van het aantal uitkeringsgerechtigde volledig werklozen (UVW’s). Sindsdien staat het aantal niet-werkende werkzoekenden (NWWZ) centraal.
Tenslotte willen we er ook op wijzen dat sommige werklozen niet in de statistieken zitten, terwijl ze toch werkloos zijn. Meer info.


Het aantal niet-werkende werkzoekenden daalde vanaf het midden van de jaren '90. Tussen november 2001 en 2005 steeg hun aantal opnieuw. In 2007 is hun aantal afgenomen met
55.802 eenheden (- 9 %) tot een maandelijks gemiddelde van 532.459 eenheden. Dit is het laagste cijfer sinds 2003. Deze afname getuigt voor het tweede jaar op rij van een gunstige evolutie op de arbeidsmarkt. De afname is ook praktisch even groot bij de mannen (- 9 %) als bij de vrouwen (- 10 %) (zie tabel 5a). Ondanks het feit dat men in alle gewesten een daling noteert, is deze niet overal gelijkmatig (zie tabel 5b). Zo bedraagt de daling in het Vlaamse Gewest - 17 % (- 36.366), terwijl zij in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest respectievelijk maar - 6 % (- 16.009) en - 4 % (- 3.428) bedraagt (bron: RVA (2008), Jaarverslag 2007 en Nationale Bank van België, Belgostat).

 

Tabel 5a : Niet-werkende werkzoekenden, volgens geslacht, België, in absolute cijfers, % en verschil over 12 maanden in % (2002-2007)

 

België

Vrouwen Mannen

Jaar

Totaal
absolute cijfers

Verschil (*)

Absolute cijfers

 

%

Absolute cijfers

 

%

Absolute cijfers

%

2002

491.481

+ 21.741

+ 4,6

263.434 53,6 228.047 46,4

2003

538.141

+ 46.660

+ 9,5

285.052 53,0 253.089
 
47,0

2004

576.612

+ 38.472

+ 7,1

305.363 53,0 271.250
 
47,0

2005

596.397

+ 19.785

+ 3,5

316.846
 
53,1 279.551 46,9

2006

588.261

- 8.136

- 1,4

309.483 52,6 278.778 47,4

2007

532.459 - 55.802  - 9,4 279.245 52,4 253.214 47,5

(*) Verschil over 12 maanden in %

Opmerking: Het afschaffen van de stempelcontrole eind 2005 bemoeilijkt de vergelijkbaarheid van de tijdreeksen van vóór en na 2006.
bron: Nationale Bank van België: Belgostat
 

 

Tableau 5b : Niet-werkende werkzoekenden, België en gewesten, in absolute cijfers, en verschil over 12 maanden in % (2002-2007)

 

België

Vlaams Gewest Waals Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Jaar

Absolute cijfers

Verschil (*)

Absolute cijfers

Verschil (*)

Absolute cijfers

Verschil (*)

Absolute cijfers

Verschil (*)

Absolute cijfers

%

Absolute cijfers

%

Absolute cijfers

%

Absolute cijfers

%

2002

491.481

+ 21.741

+ 4,6

187.023 + 17.372 + 10,2 226.932 - 2.441 - 1,1 77.526 + 6.811 + 9,6

2003

538.141

+ 46.660

+ 9,5

207.806

+ 20.783 + 11,1 246.076

+ 19.144

+ 8,4 84.259

+ 6.733

+ 8,7

2004

576.612

+ 38.472

+7,1

225.633

+ 17.827 + 8,6 260.658 + 14.582 + 5,9 90.322

+ 6.063

+ 7,2

2005

596.397

+ 19.785

+ 3,5

235.344

+ 9.711 + 4,3 266.978 + 6.320 + 2,4 94.075

+ 3.753

+ 4,2

2006

588.261

- 8.136

- 1,4

216.762 - 18.582 - 7,9 274.400 + 7.422 + 2,8 97.099 + 3.024 + 3,2

2007

532.459 - 55.802  - 9,4 180.396 - 36.366 - 16,8 258.391 - 16.009 - 5,8 93.671 - 3.428 - 3,5

(*) Verschil over 12 maanden in %

Opmerking: Het afschaffen van de stempelcontrole eind 2005 bemoeilijkt de vergelijkbaarheid van de tijdreeksen van vóór en na 2006.
bron: Nationale Bank van België : Belgostat

 

De cijfers worden duidelijker indien we de werkloosheidsgraad bekijken. Dit is de verhouding tussen het aantal niet-werkende werkzoekenden en de beroepsbevolking (werkenden en werklozen).

De internationaal vergelijkbare (of geharmoniseerde) werkloosheidsgraad is de verhouding tussen de werkloosheid volgens de enquête naar de arbeidskrachten (geactualiseerd op basis van de administratieve gegevens) en de burgerlijke beroepsbevolking. Eind jaren '90 nam de werkloosheidsgraad  stilaan af. Tussen 2002 en 2005 steeg deze opnieuw. Hij daalde van 8,3 % van de beroepsbevolking in 2006 naar 7,5 % in 2007. Bij de mannen daalde de werkloosheidsgraad van 7,5 % in 2006 tot 6,7 % in 2007 en bij de vrouwen van 9,4 % tot 8,5 %. De werkloosheidsgraad is in alle gewesten afgenomen: in het Vlaamse Gewest van 5,0 % tot 4,4 %, in het Waalse Gewest van 11,8 % naar 10,5 % en in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 17,7 % tot 17,2 % (bron: RVA (2008), Jaarverslag 2007)


T
abel 5c:
Werkloosheidsgraad (15-64 jaar), België, gewesten en EU-25, 1996-2007 (in %)

    1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002
België totaal

9,5

8,8

8,9

8,7 7,1 6,6 7,6
man

7,4

7,0

7,2

7,3 5,8 6,0 6,7
vrouw

12,4

11,2

11,1

10,6 8,8 7,5 8,7
Vlaams Gewest totaal 6,1 5,1 5,3 5,4 4,3 4,0 4,9
man 4,0 3,6 4,0 4,4 3,2 3,6 4,3
vrouw 9,1 7,3 7,1 6,8 5,9 4,5 5,7
Waals Gewest totaal 14,0 13,4 13,5 12,8 10,4 9,9 10,6
man 11,5 11,0 11,0 10,2 8,5 8,7 9,1
vrouw 17,4 16,6 16,9 16,2 12,9 11,7 12,7
Brussels Hoofdstedelijk Gewest totaal 16,1 16,6 16,4 16,1 14,1 13,0 14,7
man 15,8 16,4 15,8 16,1 14,3 12,7 14,9
vrouw 16,5 16,8 17,1 16,0 13,8 13,3 14,6
EU-25 totaal - - 9,4 9,1 9,3 8,6 8,9
man - - 8,0 7,8 8,2 7,7 8,2
vrouw - - 11,2 10,8 10,8 9,7 9,9
EU-15 totaal 11,0 10,8 10,3 9,5 8,5 7,4 7,7
man 9,8 9,7 9,0 8,3 7,3 6,5 7,0
vrouw 12,5 12,4 12,0 11,1 10,0 8,6 8,7
    2003 2004 2005 2006 2007
België totaal 8,2 8,5 8,5 8,3 7,5
man 7,7 7,6 7,7 7,5 6,7
vrouw 8,9 9,6 9,6 9,4 8,5
Vlaams Gewest totaal 5,7 5,4 5,5 5,0 4,4
man 5,2 4,6 4,8 4,3 3,8
vrouw 6,3 6,6 6,3 5,8 5,1
Waals Gewest totaal 10,9 12,1 11,9 11,8 10,5
man 10,1 10,7 10,5 10,4 9,0
vrouw 11,9 13,8 13,8 13,5 12,5
Brussels Hoofdstedelijk Gewest totaal 15,7 15,9 16,5 17,7 17,2
man 16,1 16,3 16,4 17,3 17,3
vrouw 15,3 15,4 16,5 18,2 17,0
EU-27 totaal 9,0 9,3 9,0 8,3 7,2
man 8,5 8,7 8,4 7,7 6,6
vrouw 9,9 10,0 9,8 9,0 7,9
EU-25 totaal 9,1 9,3 9,1 8,3 7,2
man 8,5 8,6 8,4 7,6 6,6
vrouw 9,9 10,1 9,9 9,1 8,0
EU-15 totaal 8,1 8,3 8,2 7,8 7,1
man 7,5 7,7 7,6 7,1 6,4
vrouw 8,9 9,2 9,0 8,6 7,8

Opmerking: werkloosheidsgraad=de internationaal vergelijkbare (geharmoniseerde) op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten. De percentages worden berekend door het aantal werklozen van 15 tot 64 jaar te delen door de beroepsbevolking (werkenden en werklozen) van 15 tot 64 jaar.
b
ron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten en Eurostat

 

Indien we de Belgische cijfers met de Europese vergelijken dan valt op dat de werkloosheid in ons land de laatste jaren minder gunstig verloopt. De EU als geheel kende en grotere daling van de werkloosheidsgraad : van 8,3 % tot 7,2 % (bron: RVA (2008), Jaarverslag 2007).

 

Tabel 5d: Werkloosheidsgraad* (aantal werklozen delen door de totale actieve beroepsbevolking) (15-64 jaar), België, EU-15, EU-25, EU-27 en individuele landen, 1996-2007 (in %)

 

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 2006 2007
EU-27         9,4 8,7 9,0 9,1 9,3 9,0 8,3 7,2

EU-25

:

:

9,4

9,1

9,3

8,6

8,9

9,1

9,3

9,1 8,3 7,2

EU-15

10,2

9,9

9,3

8,6

7,7

7,3

7,6

8,0

8,3

8,2 7,8 7,1

België

9,5

9,0

9,4

8,7

6,6

6,2

6,9

7,7

7,4

8,5 8,3 7,5

Denemarken

6,9

5,4

5,1

5,2

4,5

4,2

4,3

5,5

5,3

4,9 4,0 3,8

Duitsland

8,9

9,9

9,9

8,9

8,0

7,8

8,6

9,9

10,8

11,2 10,3 8,7

Griekenland

9,9

9,8

11,1

12,1

11,5

10,6

10,1

9,5

10,4

10,0 9,0 8,4

Spanje

22,3

20,8

18,8

15,6

13,9

10,4

11,3

11,3

11,1

9,2 8,6 8,3

Frankrijk

12,4

12,6

12,1

12,0

10,3

8,6

8,7

8,6

9,2

8,9 8,8 8,0

Ierland

11,9

10,4

7,8

5,9

4,4

3,7

4,3

4,6

4,6

4,4 4,4 4,6

Italië

11,2

11,3

11,3

10,9

10,1

9,1

8,6

8,4

8,0

7,8 6,9 6,2

Luxemburg

3,3

2,5

2,8

2,4

2,4

1,8

2,6

3,7

5,1

4,5 4,7 4,1

Nederland

6,5

5,6

4,4

3,6

2,7

2,1

2,6

3,6

4,7

4,8 3,9 3,2

Oostenrijk

5,3

5,2

5,5

4,7

4,7

4,0

4,9

4,8

5,3

5,2 4,8 4,5

Portugal

7,7

6,9

4,9

4,8

4,0

4,1

4,8

6,5

6,7

8,1 8,1 8,5

Finland

15,7 15,1 13,3

11,8

11,2

10,4

10,5

10,5

10,4

8,5 7,8 6,9

Zweden

9,7

10,5

9,1

7,7

5,5

4,8

5,0

5,6

6,8

7,9 7,1 6,2

Groot-Brittannië

8,3

7,1

6,3

6,1

5,6

4,7

5,1

4,8

4,6

4,8 5,4 5,3

Noorwegen

5,1

4,8

3,8

3,3

3,5

3,7

4,1

4,3

4,3

4,4 3,4 2,5

* op basis van de Enquête naar de arbeidskrachten
Bron:
Eurostat
 


Opmerking tabellen 5c en 5d:
In bepaalde gevallen worden verschillen geconstateerd tussen de resultaten bekomen door Eurostat en deze bekomen door de FOD Economie - Afdeling Statistiek, zelfs al zijn zij gebaseerd op dezelfde bron, nl. de enquête naar de arbeidskrachten.
 

Bekijken we de werkloosheidsgraad naar leeftijd, dan blijkt de jeugdwerkloosheid het hoogst, met 18,8 %. In het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest bedraagt deze zelfs 34,4 %. Ook in Wallonië is de werkloosheid onder jongeren hoog: 27,8 %. Hier is het verschil tussen jongens en meisjes het grootst. In Vlaanderen bedraagt de jeugdwerkloosheid 11,7 %. De werkloosheid daalt met de leeftijd, uitgezonderd in Vlaanderen. Daar is de werkloosheidsgraad onder ouderen hoger dan die van de middengroep (25-49 jaar).

In vergelijking met 2006 valt op dat in alle gewesten de werkloosheidsgraad gedaald is in 2007 voor alle leeftijdscategorieën en geslachten, uitgezonderd  voor de categorie werklozen tussen 50 en 64 jaar en vrouwelijke werklozen tussen 15 en 24 jaar in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest .


Tabel 5
e:
Werkloosheidsgraad (aantal werklozen delen door de totale actieve beroepsbevolking) (15-64 jaar), naar leeftijd en geslacht, België, en gewesten, 2004-2007 (in %)

  15-64 jaar 15-24 jaar 25-49 jaar 50-64 jaar
  Totaal M V Totaal M V Totaal M V Totaal M V
2007
België 7,5 6,7 8,5 18,8 17,1 20,9 6,8 6,2 7,4 4,9 4,1 6,2
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 17,2 17,3 17,0 34,4 32,9 36,4 16,4 16,4 16,4 12,6 14,0 10,8
Vlaams Gewest 4,4 3,8 5,1 11,7 11,1 12,4 3,5 3,2 3,9 4,0 2,8 5,7
Waals Gewest 10,5 9,0 12,5 27,8 23,5 33,1 9,9 8,6 11,5 4,7 3,9 5,8
2006
België 8,3 7,5 9,4 20,5 18,8 22,6 7,4 6,7 8,2 5,6 4,9 6,7
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 17,7 17,3 18,2 35,3 34,4 36,2 17,7 17,2 18,2 9,2 10,3 7,7
Vlaams Gewest 5 4,3 5,8 12,5 11,5 13,7 4,0 3,6 4,5 4,8 3,7 6,6
Waals Gewest 11,8 10,4 13,5 31,3 28 35,6 10,7 9,3 12,4 6 5,6 6,6
2005
België 8,5 7,7 9,6 21,5 21,0 22,2 7,6 6,8 8,6 5,3 4,6 6,5
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 16,5 16,4 16,5 35,0 35,9 33,8 16,3 16,0 16,7 9,1 - -
Vlaams Gewest 5,5 4,8 6,3 14,2 14,0 14,4 4,6 4,0 5,3 4,3 3,5 5,8
Waals Gewest 11,9 10,5 13,8 32,0 30,2 34,2 10,8 9,3 12,7 6,1 5,4 7,1
2004
België 8,5 7,6 9,6 21,2 20,2 22,4 7,7 6,9 8,6 4,7 3,9 6,0
Brussels Hoofdstedelijk Gewest 15,9 16,3 15,4 33,5 32,2 34,9 15,6 16,2 14,9 8,9 - -
Vlaams Gewest 5,4 4,6 6,6 13,6 12,5 14,8 4,6 3,9 5,5 4,2 3,0 6,1
Waals Gewest 12,1 10,7 13,8 33,1 32,0 34,4 11,2 9,8 12,9 4,5 3,9 5,5

M=man, V=vrouw
bron:
FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten

 

Als we kijken naar het opleidingsniveau valt op dat laaggeschoolden verhoudingsgewijs minder aanwezig zijn op de arbeidsmarkt. Hun werkloosheidsgraad lag in 2005 5,6 % hoger dan deze van de volledige bevolking. Uit de gegevens van tabel 5g blijkt dat vooral vrouwelijke laaggeschoolden een zwakke groep vormen. De hoogste werkloosheidsgraad valt te noteren bij de groep 15- tot 24-jarigen.
 

Tabel 5f: Verschil in werkloosheidsgraad (in %) tussen de bevolking met een laag opleidingsniveau (maximum lager secundair onderwijs) en de totale bevolking naar geslacht, België en de gewesten, 2005

  België Waals Gewest Vlaams Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Vrouwen 7,7 9,3 5 14,9
Mannen 4,4 4,7 2,8 10,8
totaal 5,6 6,3 3,5 12,3

bron: LFS - NIS (NAP Werkgelegenheid 2004) zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 69

 

Tabel 5g: Werkloosheidsgraad (15-64 jaar) volgens leeftijd, geslacht en opleidingsniveau, België, 2005-2007 (in %)

 

Van 15 tot 24 jaar

Van 25 tot 49 jaar

Van 50 tot 64 jaar

Mannen

Vrouwen

Totaal

Mannen

Vrouwen

Totaal

Mannen

Vrouwen

Totaal

2007
laag 26,4 33,6 29,1 11,8 16,8 13,7 6,0 8,2 6,8
midden 14,0 22,1 17,5  5,3 8,0 6,5 3,4 7,3 5,0
hoog 12,3   11,0 11,5 3,5 3,4 3,4 2,6 3,0 2,8
Totaal 17,1  20,9 18,8 6,2 7,4 6,8 4,1 6,2 4,9
2006
laag 27,1 36,1 30,1 12,5 16,8 14,1 6,9 10,8 8,4
midden 15,1 21,9 18,0 5,9 9,0 7,2 4,0 5,5 4,6
hoog 16,0 16,1 16,1 3,5 4,1 3,8 3,4 3,2 3,3
Totaal 18,8 22,6 20,5 6,7 8,2 7,4 4,9 6,7 5,6
2005
laag 26,4 36,8 30,1 12,2 18,3 14,5 6,7 8,8 7,5
midden 18,4 21,5 19,7 5,8 9,2 7,3 4,0 6,8 5,1
hoog 20,3 13,9 16,4 3,8 3,9 3,8 2,9 3,7 3,2
Totaal 21,0 22,2 21,5 6,8 8,6 7,6 4,6 6,5 5,3

De percentages worden berekend door het aantal werklozen te delen door de beroepsbevolking (werkende en werklozen) binnen dezelfde leeftijdscategorie.
Opleidingsniveau: Laag = hoogstens lager secundair onderwijs; Midden = hoger secundair onderwijs; Hoog = hoger onderwijs.
bron: FOD Economie - Afdeling Statistiek, Enquête naar de arbeidskrachten.


Sommige groepen in de samenleving krijgen slechts moeilijk toegang tot de arbeidsmarkt. De werkloosheidsgraad van mensen met een niet-EU nationaliteit lag in 2004 24,3% hoger dan deze van de bevolking met EU-nationaliteit. In Vlaanderen is het verschil bij mannen opvallend lager dan bij vrouwen.
 

Tabel 5h: Verschil in werkloosheidsgraad (in %) tussen de bevolking van vreemde, niet-EU-25 nationaliteit en de bevolking van EU-25 nationaliteit naar geslacht, België en de gewesten 2004

  België Waals Gewest Vlaams Gewest Brussels Hoofdstedelijk Gewest
Vrouwen 24,7 26,1 26,7 18,2
Mannen 24,4 29,2 17,3 21,9
Totaal 24,3 27,8 20,4 20,7

bron: LFS - NIS (NAP Werkgelegenheid 2004) zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 68


Tabel 5i geeft meer details over de werkloosheidsgraad volgens nationaliteit en geslacht in Europa en in België. Uit deze cijfers blijkt dat de werkloosheidsgraad van mensen met een niet-EU-nationaliteit zowel in Europa als geheel als in België veel hoger ligt dan die van de autochtonen en van de mensen met een andere EU-nationaliteit. Heel opmerkelijk is bovendien dat in België de werkloosheidsgraad van mensen met een niet-EU-nationaliteit ongeveer dubbel zo hoog als het Europese gemiddelde (bron: Eurostat).

 

Tabel 5i: Werkloosheidsgraad (15-64 jaar) volgens geslacht en nationaliteit, België en EU, 2006-2007

  2006 2007
  totaal man vrouw totaal man vrouw
EU-27            
totaal 8,3 7,7 9,0 7,2 6,6 7,9
autochtonen 7,9 7,3 8,7 6,9 6,3 7,6
andere EU-27 nationaliteit 9,2 8,3 10,4 8,4 7,6 9,4
niet-EU-27 nationaliteit 15,6 14,3 17,5 14,4 13,0 16,3
België            
totaal 7,8 7,5 9,4 7,1 6,7 8,5
autochtonen 7,5 6,6 8,5 6,8 5,8 7,9
andere EU-27 nationaliteit 11,7 9,7 14,6 9,8 9,6 10,1
niet-EU-27 nationaliteit 33,2 31,2 37,0 29,6 27,5 33,4

bron: Eurostat

 

Belangrijk is te kijken naar het aantal langdurig werklozen (minstens 12 maanden werkloos). Tussen 1996 en 2001 daalde de langdurige werkloosheid  in België van 5,7 % naar 3,2 %. Van 2002 tot 2005 was er opnieuw een stijgende trend (4,4 % in 2005). Sinds 2006 is de langdurige werkloosheid gedaald: van 4,2 % in 2006 tot 3,8 % in 2007. Het is opvallend dat de langdurige werkloosheidsgraad van vrouwen nog altijd hoger is dan die van de mannen (4,3 % versus 3,3 %).
Ons land was er in 2000 in geslaagd de achterstand t.o.v. de Europese gemiddelden weg te werken.
De EU-gemiddelden zijn de laatste jaren echter sterker gedaald.

 

Tabel 5j: Langdurige werkloosheidsgraad bevolking (>= 12 maanden - IAB-definitie) als percentage van de actieve bevolking van 15 jaar en ouder naar geslacht, België, EU-27, EU-25 en EU-15 (1996-2007) (in %)

 

1996

1997

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 2006 2007
EU-27

Totaal

4,0 3,9 4,0 4,1 4,2 4,1 3,7 3,0

Mannen

        3,5 3,4 3,6 3,8 3,8 3,8 3,5  2.8

Vrouwen

        4,6 4,4 4,5 4,5 4,5 4,4 4,0  3,3

EU-25

Totaal

:

:

4,4

4,1

3,9

3,8

3,9

4,0

4,1

4,0 3,7 3,0

Mannen

:

:

3,6

3,4

3,3

3,2

3,4

3,6

3,7

3,7 3,4   2,8

Vrouwen

:

:

5,5

5,1

4,8

4,6

4,4

4,5

4,5

4,5 4,0  3,3

EU-15

Totaal

4,9

4,8

4,4

3,9

3,4

3,1

3,1

3,3

3,4

3,4 3,2 2,8

Mannen

4,1

4,0

3,6

3,2

2,8

2,6

2,7

3,0

3,1

3,1 3,0  2,6

Vrouwen

6,0

5,9

5,5

4,8

4,3

3,8

3,5

3,7

3,8

3,7 3,5 3,1

België

Totaal

5,7

5,4

5,6

4,8

3,7

3,2

3,7

3,7

4,1

4,4 4,2 3,8

Mannen

4,3

4,2

4,5

4,0

3,0

2,9

3,2

3,3

3,7

3,8 3,7 3,3

Vrouwen

7,6

7,1

7,1

5,9

4,6

3,5

4,3

4,2

4,7

5,0 4,9 4,3

bron: Eurostat


Achter de Belgische cijfers gaan zeer uiteenlopende resultaten voor de drie gewesten schuil, met in 2005 2,3 % voor het Vlaamse Gewest, 7 % voor het Waalse Gewest en 9 % voor Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Dit laatste Gewest is trouwens het enige waar de langdurige werkloosheidsgraad van mannen hoger is dan die van vrouwen.
 

Tabel 5k: Langdurige werkloosheidsgraad naar geslacht, België, gewesten, EU-25, 2005 (in %)

 

België

Brussel Hoofdstedelijk Gewest

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25

totaal

4,4

9,0

2,3

7,0

3,9

vrouwen

5,0

8,2

3,0

7,8

4,5

mannen

3,9

9,6

1,8

6,4

3,5

bron: LFS - Algemene Directie Statistische en Economische Informatie zoals opgenomen in NAPIncl 2006-2008, Indicatoren, p. 64

 

Tabel 5l geeft aan hoeveel procent van de werkloze bevolking langdurig werkloos is. In 1999 was nog meer dan de helft van de werklozen in ons land langer dan 1 jaar werkloos. In 2003 was het aandeel van de langdurig werklozen aanzienlijk gedaald en lag dicht bij het Europese gemiddelde. In 2005 was er een grote stijging, waardoor het verschil met Europa opnieuw toenam. 2006 en 2007 kenden een lichte daling. Het EU-gemiddelde is in 2007 echter sterker gedaald.
 

Tabel 5l: Langdurige werkloosheidsgraad als percentage van de totale werkloze bevolking naar geslacht,  België en EU-27, 1999, 2003, 2005-2007 (in %)

 

EU-27

België

2007
Totaal 42,8 50,4
Man 43,1 49,3
Vrouw 42,5 51,4
2006
Totaal 45,6 51,2
Man 45,8 49,8
Vrouw 45,3 52,6

2005

Totaal

45,9

51,7

Man

45,6

50,7

Vrouw

46,3

52,8

2003

Totaal

45,8

45,4

Man

45,0

43,8

Vrouw

46,7

47,1

1999    
Totaal 45,2 56,9
Man 43,6 56,1
Vrouw 46,7 57,6

bron: Eurostat
 

De zeer lange termijn werkloosheid (minstens 24 maanden werkloos) daalde van 4 % in 1998 naar 2,2 % in 2001. Sindsdien steeg deze opnieuw tot 2,9 % in 2005 en nam de achterstand t.o.v. de Europese gemiddelden toe. De lichte daling in 2006 (2,8 %) en 2007 (2,5 %) was niet voldoende om de kloof met Europa te verkleinen.


Tabel 5m: Zeer langdurige werkloosheidsgraad (>=24 maanden IAB-definitie) als percentage van de totale actieve bevolking van 15 jaar en ouder naar geslacht, België, EU-15, EU-25 en EU-27, 1998-2007 (in %)

 

1998

1999

2000

2001

2002

2003

2004

2005 2006 2007
EU-27

Totaal

    2,4 2,3 2,3 2,3 2,4 2,4 2,2 1,8

Mannen

    2,0 2,0 2,0 2,1 2,2 2,2 2,0 1,7

Vrouwen

    2,8 2,6 2,6 2,6 2,6 2,6 2,3 2,0

EU-25

Totaal

2,6

2,5

2,3

2,2

2,2

2,3

2,3

2,3 2,2 1,8

Mannen

2,2

2,1

1,9

1,9

1,9

2,0

2,1

2,1 2,0 1,7

Vrouwen

3,2

2,9

2,8

2,6

2,5

2,6

2,6

2,6 2,3 2,0

EU-15

Totaal

2,7

2,5

2,2

1,9

1,9

1,9

2,0

2,0 1,9 1,7

Mannen

2,3

2,1

1,8

1,7

1,6

1,7

1,8

1,8 1,8 1,6

Vrouwen

3,3

2,9

2,6

2,3

2,2

2,2

2,3

2,2 2,1 1,9

België

Totaal

4,0

3,5

2,7

2,2

2,4

2,3

2,6

2,9 2,8 2,5

Mannen

3,2

2,8

2,2

2,0

2,1

2,0

2,3

2,5 2,5 2,2

Vrouwen

4,9

4,4

3,3

2,4

2,9

2,7

3,1

3,4 3,3 2,9

bron: Eurostat



Belangrijk is ook nog te vermelden dat i
n 2007 13,5 % van de Belgische kinderen in huishoudens leefde zonder betaalde job (in 2000 bedroeg dit 10,8 %). Ook na de uitbreiding van de Europese Unie tot 27 lidstaten blijft deze bij de hoogste in Europa (EU-27: 9,4 %). 12,5% van de volwassen bevolking leefde in huishoudens zonder betaald werk. Dit is een sterke daling ten opzichte van 2006 (14,3 %). Voor de vrouwelijke volwassen bevolking is dat 14,4%, voor de mannelijke volwassen bevolking 10,7%. Vooral in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest loopt het aandeel van de bevolking dat leeft in huishoudens zonder betaald werk zeer hoog op (27% van de kinderen en 21,7% van de volwassenen) in vergelijking met het Waalse Gewest (18,9% kinderen en 17,5% volwassenen) en met het Vlaamse Gewest (7,6% van de kinderen en 8% van de volwassenen).
 

Tabel 5n: Percentage kinderen (0-17) die leven in huishoudens zonder betaald werk, België,  EU-27 (1995-2007) (gebaseerd op gegevens 2de kwartaal)

  1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
EU-27 - - - - - - 9,6 10,0 9,9 10,0 9,7 9,6 9,4
België 12,3 12,3 11,8 12,9 11,3 10,8 12,9 13,8 13,9 13,2 12,9 13,5 13,5

bron: Eurostat



Tabel 5o: Percentage kinderen (0-17) die leven in huishoudens zonder betaald werk in België en de gewesten, 2007 (gebaseerd op gegevens 2de kwartaal)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
2007 13,5 27,0 7,6 18,9

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 


Tabel 5
p:
Percentage volwassenen (18-59) die leven in huishoudens zonder betaald werk, België, EU-27 (1995-2007) (gebaseerd op gegevens 2de kwartaal)

  1995 1996 1997 1998 1999 2000 2001 2002 2003 2004 2005 2006 2007
EU-27 - - - - - - 10,2 10,3 10,3 10,4 10,3 9,8 9,3
België 14,1 14,1 14,3 14,4 13,0 12,4 13,8 14,2 14,4 13,7 13,5 14,3 12,5

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 

Tabel 5q Percentage volwassenen (18-59) die leven in huishoudens zonder betaald werk naar geslacht, België, EU-27, 2006-2007 (gebaseerd op gegevens 2de kwartaal)

  België EU-27
2007
Vrouwen 14,4 10,3
Mannen 10,7 8,3
Totaal 12,5 9,3
2006
Vrouwen 16,4 10,8
Mannen 12,3 8,8
Totaal 14,3 9,8

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 


Tabel 5r: Percentage volwassenen (18-59) die leven in huishoudens zonder betaald werk, België en de gewesten, 2007 (gebaseerd op gegevens 2de kwartaal)

  België Brussels Hoofdstedelijk Gewest Vlaams Gewest Waals Gewest
Totaal 12,5 21,7 8 17,5

bron: NAPincl 2008-2010: indicatoren
 

 

Ook de intensiteit waarmee gewerkt wordt op gezinsniveau is een belangrijke indicator van het armoederisico. Deze indicator meet de verhouding van het aantal gewerkte maanden (van alle leden van het huishouden in de leeftijdscategorie 16-64 jaar) op het aantal werkbare maanden. Zo kan men de invloed nagaan van het aantal gewerkte maanden van het huishouden op het armoederisico. Zoals verwacht is er een omgekeerde relatie tussen het aantal gewerkte maanden en het armoederisico: hoe meer maanden men werkt, hoe kleiner het armoederisico. Ook speelt de kinderlast een belangrijke rol op de evolutie van het armoederisico volgens werkintensiteit. Personen die in 2006 in een huishouden woonden met kinderen en niet gewerkt hebben (werkintensiteit = 0), bevinden zich in de meest precaire situatie. 72 % van hen leeft onder de armoededrempel. Voor gelijkaardige personen in een huishouden zonder kinderen bedraagt dit 33,3 %. Bij een maximale werkintensiteit daalt het armoederisico van personen in een huishouden met kinderen tot 3,5 % (zonder kinderen is dit 2,2 %). In Wallonië liggen de armoederisicopercentages naar werkinstensiteit in het algemeen hoger dan in Vlaanderen. In vergelijking met de Europese gemiddelden scoort België in het algemeen beter, uitgezonderd de personen in een huishouden zonder werk.


Tabel 5s: Armoederisicopercentage (<60% van het mediaan inkomen) naar werkintensiteit en wonend in huishouden met of zonder kinderen, België en gewesten, en EU-25, SILC 2006 (inkomen 2005)

 

België

Vlaams Gewest

Waals Gewest

EU-25*

 

zonder afh. kinderen

met afh. kinderen

zonder afh. kinderen

met afh. kinderen

zonder afh. kinderen

met afh. kinderen

zonder afh. kinderen

met afh. kinderen

werkintensiteit 0

33,3

72

25,6

70,7

35,7

67,6

30 62

werkintensiteit tussen 0-1

8,1

13*

7,6

-

7,4

-

10 22

werkintensiteit tussen 0-0,5

18*

34,2

-

27,6

-

37,1

21 42

werkintensiteit tussen 0,5-1

5*

8,6

-

7,5

-

9,1

7 18

werkintensiteit 1

2,2

3,5

2,1

3

1,2

4,8

5 7

Werkintensiteit: niet (0), tussen niet en volledig (tussen 0 en 0,5 of 0,5 en 1), volledig (1)
Aangezien de steekproef m.b.t. Brussel bijzonder klein is, zijn de resultaten voor dit gewest niet betrouwbaar. Ze worden bijgevolg niet gepubliceerd.
* afgeronde cijfers
bron:NAPincl 2008-2010: indicatoren en *Eurostat

zie resultaten SILC 2005 en SILC 2004


Onderzoek van het Steunpunt WAV naar de arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders, toont aan dat éénoudergezinnen een kwetsbare maatschappelijk groep vormen. Ze hebben een lager inkomen dan gemiddeld en hebben een grotere kans om in de armoede terecht te komen. De ouders die aan het hoofd staan van een éénoudergezin nemen minder actief deel aan het beroepsleven dan andere gezinshoofden: een relatief hoog aandeel onder hen werkt niet en doet een beroep op een werkloosheidsuitkering of een leefloon. Een verklaring voor de ongunstige arbeidsmarktpositie van alleenstaande moeders ligt in de arbeidssituatie voordat zij aan het hoofd van een éénoudergezin kwamen te staan. De meeste alleenstaande moeders maakten voorheen deel uit van een ouderpaar. In zo’n ouderkoppel zijn moeders vaak deeltijds aan het werk of hebben zelfs geen betaalde baan. Vele alleenstaande moeders moeten dus na de scheiding of het overlijden van de partner op zoek naar een (voltijdse) baan. Daarbij staan alleenstaande ouders voor de moeilijke opdracht om werk en gezin te combineren. Voor velen is het uitoefenen van een voltijdse job in combinatie met de gezinstaken niet mogelijk. Het verlichten van de huishoudelijke taken door het uitbesteden ervan aan derden is voor de meeste éénoudergezinnen financieel niet haalbaar. Ook deeltijdarbeid is voor velen geen optie aangezien een deeltijds inkomen doorgaans onvoldoende is voor het onderhouden van een gezin. De situatie in het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest is veel ongunstiger dan in Vlaanderen. Naast een hoger aandeel éénoudergezinnen is ook de arbeidssituatie van alleenstaande ouders in het Waalse en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest veel precairder dan in Vlaanderen. Minder dan de helft van hen heeft een betaalde baan en de werkloosheidsgraad is ongezien hoog: in Brussel bedraagt de werkloosheidsgraad van alleenstaande moeders 38% en in Wallonië 46%, tegenover 21% in Vlaanderen (bron: Geurts Karen (mei 2006), De arbeidsmarktpositie van alleenstaande ouders. Nieuwe bevindingen uit het Datawarehouse Arbeidsmarkt en Sociale Bescherming, Steunpunt WAV).



Laatste aanpassing: 20/01/09