Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Europees Hof voor de Rechten van de Mens 22 juni 2017, nr. 37931/15, Barnea en Caldararu / Italië

Feiten

De heer en mevrouw Barnea, beiden Roemeense staatsburgers, komen in 2007 in Italië aan en nemen samen met hun drie kinderen in precaire omstandigheden hun intrek in een Roma-kamp. Daar maakt mevr. Barnea kennis met E.M., voorzitster van een in het kamp actieve coöperatieve vereniging, die haar hulp aanbiedt en met wie ze haar kinderen tijd laat doorbrengen. Na de geboorte van C., haar vierde kind, in februari 2007, neemt mevr. Barnea contact op met de sociale diensten met het verzoek om financiële steun te krijgen, maar die wordt haar geweigerd.

In juni 2009 wordt E.M. gearresteerd voor fraude en C., die op dat moment bij haar is, wordt in een instelling geplaatst. De rechtbank verwijt de ouders dat ze niet in staat zijn om hun ouderlijke rol op te nemen en de ontwikkeling van C.’s persoonlijkheid te volgen, en dat ze haar aan een derde hebben toevertrouwd. Daarom verklaart de rechtbank dat C. in aanmerking komt voor adoptie en plaatst ze haar in afwachting van die adoptie in een pleeggezin.

In oktober 2012 beslist het hof van beroep echter dat de plaatsing van C. in het pleeggezin voorlopig behouden blijft maar dat het kind binnen een termijn van zes maanden geleidelijk aan moet worden herenigd met haar oorspronkelijke familie. Als rechtvaardiging van deze maatregel stelt het Hof dat het feit dat de heer en mevrouw Barnea hun kind aan E.M. hebben toevertrouwd, niet betekent dat ze hun rol van ouders hebben verwaarloosd. Uit het dossier blijkt niet dat ze niet in staat waren om voor het kind te zorgen of dat het kind het slachtoffer van geweldpleging is geweest. Integendeel, C. is zeer gehecht aan haar ouders en deze laatsten hebben altijd getracht om contact met haar te houden. Het hof van beroep is van oordeel dat de sociale diensten de heer en mevrouw Barnea niet de kans hebben gegeven om hun capaciteiten als ouders aan te tonen en dat ze hen niet hebben geholpen om hun moeilijkheden te overwinnen. Het hof meent verder dat er een sterke band bestaat tussen de ouders en hun dochter, en dat het beter is dat ze terugkeert naar haar oorspronkelijke familie.

De sociale diensten respecteren deze beslissing van het hof evenwel niet en het dossier belandt opnieuw voor de rechtbank, die in november 2014 beslist om de plaatsing van het kind in het pleeggezin te verlengen en gelast om een nieuwe procedure voor ontzetting uit de ouderlijke macht te starten. In januari 2015 vernietigt het hof van beroep dit vonnis maar besluit niettemin om het kind bij het pleeggezin te laten in het licht van de goede integratie van het kind en van de tijd die ondertussen is verstreken (6 jaar).

Uiteindelijk beslist de rechtbank in augustus 2016, na verscheidene beslissingen en ondanks de terughoudendheid van het parket, dat het kind moet terugkeren naar haar oorspronkelijke familie. Deze terugkeer vindt plaats in september 2016 en is heel moeilijk voor het kind.

De heer en mevrouw Barnea maken, samen met hun kinderen, de zaak aanhangig bij het Hof en beroepen zich daarbij op een inbreuk op artikel 8 van het EVRM (recht op respect voor privé- en familieleven). Ze zijn van mening dat hun recht op respect voor het privé- en familieleven werd geschonden door de scheiding en de plaatsing van C. in 2009 door de Italiaanse autoriteiten. Ze verwijten de autoriteiten eveneens dat ze niet snel maatregelen hebben genomen om het gezin te herenigen. Ze wijzen daarbij op het feit dat de sociale diensten het arrest van het hof van beroep van 2012 niet hebben uitgevoerd en dat de rechtbank de plaatsing van C. in het pleeggezin heeft bevestigd en het aantal ontmoetingen tussen C. en haar oorspronkelijke familie heeft verminderd.
 

Beslissing

Het Hof beslist dat artikel 8 van het EVRM werd geschonden en veroordeelt de Italiaanse staat tot het betalen van een boete van 40.000 euro als morele schadevergoeding aan de familie Barnea.
 

Motivering

Na te hebben gewezen op de algemene beginselen van het recht op respect voor het privé- en familieleven, gaat het Hof na of de Italiaanse autoriteiten alle noodzakelijke en passende maatregelen hebben genomen die redelijkerwijs verwacht konden worden om ervoor te zorgen dat het kind een normaal gezinsleven kon leiden in haar eigen familie tussen juni 2009 en november 2016.

Wat betreft de maatregelen voor de plaatsing van het kind, is het Hof van mening dat de autoriteiten eerst concrete maatregelen hadden moeten nemen om ervoor te zorgen dat C. bij haar ouders kon wonen, alvorens haar te plaatsen en een procedure voor adopteerbaarheid te starten. Het Hof wijst erop dat de rol van de sociale bescherming er precies in bestaat om mensen die moeilijkheden hebben te helpen, hen te begeleiden bij de stappen die ze ondernemen en hen onder andere advies te geven over de verschillende soorten sociale uitkeringen die beschikbaar zijn, over de mogelijkheden om een sociale woning te krijgen of over andere manieren om hun moeilijkheden te overwinnen. Bovendien moeten de autoriteiten in het geval van kwetsbare personen blijk geven van een bijzondere aandacht en moeten ze verhoogde bescherming bieden. Volgens het Hof vormen de redenen die de rechtbank aanvoert om de hereniging van het kind met haar ouders te weigeren geen uiterst uitzonderlijke omstandigheden die een breuk van de familiebanden kunnen rechtvaardigen. Zo werd er op geen enkel moment in de procedure melding gemaakt van een situatie van mishandeling, seksueel misbruik, emotionele verwaarlozing of een verontrustende gezondheidstoestand, of van een psychisch onevenwicht bij de ouders. Integendeel, de banden tussen de ouders en het kind waren bijzonder sterk.

Ten tweede veroordeelt het Hof de Italiaanse autoriteiten voor het niet uitvoeren van de beslissing van het hof van beroep van oktober 2012, die de hereniging van het kind met haar oorspronkelijke familie beval, alsook voor de redenen die de autoriteiten hebben ingeroepen om deze niet-uitvoering te rechtvaardigen. Het Hof betreurt dat er geen enkele herenigingsmaatregel werd getroffen in de opgelegde termijn van zes maanden of daarna, en dat de rechtbank de plaatsing in het pleeggezin heeft verlengd en het aantal ontmoetingen tussen het kind en haar ouders heeft verminderd tot vier per jaar, waarbij ze zich beriep op het gedrag en de materiële levensomstandigheden van de oorspronkelijke familie en op de sterke band die het kind ondertussen had opgebouwd met haar pleeggezin. Het Hof wijst op zijn jurisprudentie die stelt dat het feit dat een kind kan worden opgevangen in een situatie die beter is voor zijn opvoeding op zich geen rechtvaardiging is om het aan de zorg van zijn biologische ouders te onttrekken. Het Hof herinnert er verder aan dat de opvoedkundige en affectieve capaciteiten van de heer en mevrouw Barnea in dit dossier niet in vraag werden gesteld en werden erkend door het hof van beroep.

Tot slot komt het Hof terug op de argumentatie die het hof van beroep volgde in zijn beslissing van 2015 waarin het voortzetten van de plaatsing van het kind werd gerechtvaardigd omwille van het feit dat het kind ondertussen zes jaar bij het pleeggezin woonde. Een effectief respect van het privé- en familieleven vereist evenwel dat de toekomstige relaties tussen ouder en kind worden bepaald op basis van alle relevante elementen, en niet enkel op basis van de tijd die is verstreken. Het Hof wijst erop dat het doel van het Verdrag er namelijk niet in bestaat om theoretische of illusoire rechten te beschermen, maar wel concrete en effectieve rechten. Het Hof begrijpt wel dat de nationale gerechtelijke instanties de terugkeer van een kind zouden kunnen weigeren omwille van de verstreken tijd en de integratie van het kind in het pleeggezin. Het Hof is echter van mening dat de verstreken tijd in deze zaak het gevolg is van het feit dat de sociale diensten geen moeite hebben gedaan om herenigingsmaatregelen uit te werken en dat de redenen van de rechtbank om de tijdelijke plaatsing van het kind te verlengen er resoluut toe hebben bijgedragen dat de hereniging van het kind met haar oorspronkelijke familie, die normaal had moeten plaatsvinden in 2012, werd verhinderd.
 

Betekenis in ruimere context

Dit arrest moet worden beschouwd als een bevestiging van een reeds zeer uitvoerige jurisprudentie, gaande van het arrest Olsson t. Zweden van 24 maart 1988 tot het arrest Soares de Melo t. Portugal van 16 februari 2016, die stelt dat het essentieel is om rekening te houden met het fundamentele recht van biologische ouders op een gezinsleven met hun kinderen, met name in het licht van het hoger belang van deze laatsten.

Het is eveneens een bevestiging van de vaste jurisprudentie van het Hof sinds zijn arrest Wallová en Walla t. Tsjechische Republiek, die stelt dat het feit dat een kind kan worden opgevangen in een situatie die beter is voor zijn opvoeding op zich geen rechtvaardiging is om het aan de zorg van zijn biologische ouders te onttrekken. In dit arrest gaat het Hof zelfs nog verder met de positieve verplichting voor de autoriteiten om de bestaande band tussen het kind en zijn ouders te versterken.

Meer in het algemeen herinnert dit arrest aan de algemene principes die het Hof toepast inzake bescherming van het gezinsleven:

  • Voor ouders en hun kinderen is samen zijn de hoeksteen van het gezinsleven (arrest Kutzner t. Duitsland) en interne maatregelen die dat verhinderen vormen een inmenging in het recht dat beschermd wordt door artikel 8 van het EVRM (arrest K. en T. t. Finland). Een dergelijke inmenging is in strijd met artikel 8 behalve als, zoals voorzien door de wet, ze een of meerdere legitieme doelstellingen nastreeft en noodzakelijk is in een democratische samenleving om die te bereiken (arrest Gnahoré t. Frankrijk en arrest Pontes t. Portugal). Het begrip noodzakelijkheid veronderstelt een inmenging die gebaseerd is op een dwingende maatschappelijke behoefte die bovendien in verhouding staat tot de nagestreefde legitieme doelstelling (arrest Couillard Maugery t. Frankrijk);

  • Een staat moet erop toezien dat er een juist evenwicht wordt bewaard tussen alle betrokken belangen - die van het kind, die van de twee ouders en die van de openbare orde (arrest Maumousseau en Washington t. Frankrijk) - maar daarbij moet het hoger belang van het kind doorslaggevend zijn (arrest Gnahoré t. Frankrijk) omdat dit gezien zijn aard en ernst kan wegen op de belangen van de ouders (arrest Sahin t. Duitsland). Het uiteen drijven van een gezin is een zeer ernstige inmenging; een maatregel die tot een dergelijke situatie leidt moet berusten op overwegingen die worden ingegeven door het belang van het kind en die voldoende gegrond zijn en voldoende zwaar doorwegen (arrest Scozzari en Giunta t. Italië). Het weghalen van een kind uit zijn familieomgeving is een extreme maatregel waartoe enkel in allerlaatste instantie mag worden overgegaan, om het kind te beschermen wanneer het onmiddellijk gevaar loopt (arrest Neulinger en Shuruk t. Zwitserland);

  • Een staat moet beschikken over een adequaat en voldoende groot juridisch arsenaal om te garanderen dat de positieve verplichtingen die voortvloeien uit artikel 8 van het EVRM kunnen worden gewaarborgd. Het Hof controleert of de toepassing en interpretatie van de geldende wettelijke bepalingen de waarborgen van artikel 8 van het EVRM respecteren en met name rekening houden met het hoger belang van het kind (arrest Neulinger en Shuruk t. Zwitserland en arrest K.A.B. t. Spanje);

  • De verplichting voor de staat om positieve maatregelen te nemen impliceert dat ouders het recht hebben op maatregelen die erop gericht zijn hen te herenigen met hun kind en verplicht de nationale autoriteiten om dergelijke maatregelen te nemen (arrest Margareta en Roger Andersson t. Zweden en arrest P.F. t. Polen). Het gepaste karakter van een maatregel wordt beoordeeld op basis van de snelheid waarmee hij ten uitvoer wordt gelegd (arrest Maumousseau en Washington t. Frankrijk en arrest Zhou t. Italië).
     

Integrale tekst van de beslissing

Referenties
EHRM 25 februari 1992, nr. 226-A, Margareta en Roger Andersson t. Zweden ; EHRM 13 juli 2000, nr. 39221/98 en 41963/98, Scozzari en Giunta t. Italië ; EHRM 19 september 2000, nr. 40031/98, Gnahoré t. Frankrijk ; EHRM 12 juli 2001, nr. 25702/94, K. en T. t. Finland ; EHRM 10 juli 2002, nr. 46544/99, Kutzner t. Duitsland ; EHRM 8 juli 2003, nr. 30943/96, Sahin t. Duitsland ; EHRM 1 juli 2004, nr. 64796/01, Couillard Maugery t. Frankrijk ; EHRM 26 oktober 2006, nr. 23848/04, Wallová en Walla t. Tsjechische Republiek ; EHRM 6 december 2007, nr. 39388/05, Maumousseau en Washington t. Frankrijk ; EHRM 6 juli 2010, nr. 41615, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland ; EHRM 10 april 2012, nr. 59819/08, K.A.B. t. Spanje ; EHRM 10 april 2012, nr. 19554/09, Pontes t. Portugal ; EHRM 21 januari 2014, nr. 33773/11, Zhou t. Italië ; EHRM 16 september 2014, nr. 2210/12, P.F. t. Polen ; EHRM 16 februari 2016, nr. 72850/14, Soares de Melo t. Portugal.

J.-M. VISEE, « CEDH : Placement en famille d’accueil : sa prolongation ne peut pas se justifier par le simple écoulement du temps », in Blog ATD Quart Monde, 29 juni 2017.

Trefwoorden
Art. 8 EVRM (recht op respect voor privé- en familieleven); Plaatsing van kinderen; Verval van ouderlijk gezag; Bezoekrecht; Hoger belang van het kind