Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Grondwettelijk Hof 23 februari 2017, nr. 27/2017

Feiten

België stelde tot en met 2013 advocatendiensten vrij van btw. Het deed dit op basis van een btw-richtlijn van de EU*. Het is de enige lidstaat die van deze afwijking heeft gebruik gemaakt. Maar deze vrijstelling is via een wet afgeschaft in 2014*. Het bij wet vastgestelde btw-tarief voor diensten van advocaten bedraagt nu 21%.

Een aantal balies stelt daarom, samen met verschillende mensenrechten- en humanitaire verenigingen en een aantal personen die btw over advocatenkosten hebben moeten betalen, een procedure in bij het Grondwettelijk Hof tot vernietiging van het artikel waarin de vrijstelling wordt afgeschaft.
 

Beslissing

Het Hof verwerpt de beroepen, maar maakt daarbij een kanttekening. De wetgever moet namelijk rekening houden met het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en de wapengelijkheid, wanneer hij andere maatregelen neemt die de kosten van de gerechtelijke procedures kunnen verzwaren.
 

Motivering

Het Hof verwijst naar het arrest van 28 juli 2016 van het Hof Justitie (hierna: HvJ). Volgens het HvJ doen de specifieke kosten, die het gevolg zijn van de heffing van 21% btw over de diensten van advocaten, op zich geen afbreuk aan het recht op een doeltreffende voorziening in rechte. Rechtzoekenden zonder recht op rechtsbijstand worden namelijk geacht te beschikken over toereikende middelen om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Het HvJ is van oordeel dat die heffing op zichzelf geen onoverkomelijk obstakel vormt voor de toegang tot de rechter. Het maakt ook de uitoefening van EU-rechten niet praktisch onmogelijk of buitensporig moeilijk. Bovendien wijst het HvJ erop dat het geldelijke voordeel, verschaft aan btw-plichtige rechtzoekenden ten opzichte van niet-btw-plichtige rechtzoekenden, geen afbreuk kan doen aan het procedurele evenwicht tussen partijen.

Volgens de verschillende verzoekende partijen mag het Hof geen genoegen nemen met het arrest van het HvJ. Dat zou slechts een zeer relatieve weerslag kunnen hebben op de beoordeling van de middelen die schendingen aanklagen van de bepalingen van de Belgische Grondwet.
Het Hof volgt die redenering niet. Het artikel waarin de vrijstelling voor advocaten wordt afgeschaft sluit volgens het Hof rechtstreeks aan bij de btw-richtlijn van de EU. Er zijn volgens het Hof geen redenen die tot een ander besluit zouden kunnen leiden wat de toetsing van de bestreden bepaling aan de aangevoerde grondwets- en verdragsbepalingen betreft.

Het Hof maakt wel nog een belangrijke kanttekening. Het stelt dat de kosten verbonden aan de btw-heffing op zich niet de oorzaak zijn van de aantasting van het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en van de wapengelijkheid. Toch hebben deze kosten tot gevolg dat de financiële last voor de uitoefening van die rechten verzwaart.
De wetgever dient daarmee rekening te houden wanneer hij andere maatregelen neemt die de kosten van de gerechtelijke procedures kunnen verzwaren. De wetgever dient er immers over te waken dat het recht op toegang tot de rechtscolleges voor bepaalde rechtzoekenden niet op zodanige wijze wordt beperkt dat dat recht daardoor in zijn essentie wordt aangetast.
Bovendien moet de wetgever rekening houden met de relatieve wapenongelijkheid die het gevolg is van de btw-heffing, om in voorkomend geval de regels met betrekking tot de rechtsbijstand aan te passen. Dit zodat geen afbreuk wordt gedaan aan het recht op bijstand van een advocaat van de rechtzoekenden die niet over de middelen beschikken die toereikend zijn om toegang tot de rechter te verkrijgen door zich te laten vertegenwoordigen door een advocaat. Het Hof verwijst daarbij opnieuw naar het arrest van het HvJ.
 

Betekenis in ruimere context

Met dit arrest is duidelijk geworden dat advocaten ondernemers zijn en dus een toegevoegde waarde leveren. Net zoals elders in Europa het geval is, wordt deze toegevoegde waarde nu ook belast.

Een van de gevolgen van deze procedure is dat het 0-procenttarief voor de eerste- en tweedelijnsbijstand verdwijnt. Maar volgens de minister van Justitie wordt dat een nuloperatie in de juridische tweedelijnsbijstand, zowel voor de rechtzoekende als de advocatuur. Het pro-Deobudget zou immers met 21 procent verhogen en de advocatuur zou de btw niet moeten voorfinancieren.*
 

Integrale tekst van de beslissing

Referenties
* Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

* Art. 60 wet 30 juli 2013 houdende diverse bepalingen, BS 1 augustus 2013

* H. LAMON, “Grondwettelijk Hof handhaaft btw op advocatendiensten”, Juristenkrant 2017, afl. 345, 1-3.

Trefwoorden
Belasting over de toegevoegde waarde (BTW); Bijstand van een advocaat; Recht op een eerlijk proces; Recht op toegang tot de rechter; Wapengelijkheid.