S
teunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting

français

Feiten en cijfers

Heeft de hoogte van het inkomen een impact op de manier waarop het huishoudbudget besteed wordt?

Ja, er zijn zeer duidelijke verschillen merkbaar. Volgens het huishoudbudgetonderzoek van de FOD Economie besteden gezinnen onder de armoederisicogrens gemiddeld 20.017,21 €. Voor gezinnen boven de armoederisicogrens is dat 33.711,77 €. Gezinnen onder de armoedegrens spenderen gemiddeld dus 40,6% minder dan gezinnen boven de armoedegrens. Ze doen dat door te besparen op alle uitgavenposten met uitzondering van tabak. Roken is vaak een manier om met de stress, die veroorzaakt wordt door de moeilijke levensomstandigheden om te gaan. Vooral huisvesting neemt een grote hap uit het budget van minder gegoede gezinnen.


Toelichting:

Op toeristische reizen wordt het meest bespaard. Gezinnen onder de armoedegrens geven hieraan gemiddeld bijna 75% minder uit.

Andere uitgavenposten waarop gezinnen onder de armoedegrens zwaar beknibbelen zijn privé-vervoer (de wagen - gemiddeld 61,7% minder) en de inrichting van het huis (gemiddeld 59,1% minder).

Gezinnen onder de armoedegrens beperken in grote mate ook wat ze uitgeven op café en restaurant (horeca-uitgaven gemiddeld 57,6% minder) en wat gespendeerd wordt aan cultuur en vrije tijd (gemiddeld 55,8% minder).

Gezinnen onder de armoedegrens besteden aan kleding (gemiddeld 53,9% minder) en lichaamsverzorging (gemiddeld 52% minder) ongeveer de helft minder dan gezinnen boven de armoedegrens.

De besparingen die gezinnen onder de armoedegrens doorvoeren op basismiddelen zijn minder uitgesproken. Aan voeding spenderen ze gemiddeld 'maar' 25,8% minder, aan drank 34,5%, aan de huur 18,3% en aan het verwarmen van de woning 18,9%. Aan gezondheid spenderen ze 35,4% minder.

Omdat huishoudens onder de armoedegrens zwaar beknibbelen op privévervoer (61,7% minder) zijn ze in verhouding meer afhankelijk van het openbaar vervoer. Aan openbaar vervoer spenderen ze 'slechts' 9,4% minder dan huishoudens boven de armoedegrens.

(bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), Wie is er arm in België?)
 

Tabel 16a: Bestedingsanalyse van het huishoudbudget, gezinnen boven en onder de armoedegrens en % dat minder besteed wordt door gezinnen onder de armoedegrens, België, 2005.

  gezinnen boven de armoedegrens gezinnen onder de armoedegrens % dat minder besteed wordt door gezinnen onder de armoedegrens
  Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro % van het huishoud-budget Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro % van het huishoudbudget
Voedingsmiddelen 3.963,90 11,7 2.939,37 14,7 25,8
Dranken   933,16 2,7 611,10 3 34,5
Tabak   239,58 0,7 250,31 1,2 -4,5
Kledingartikelen en schoeisel   1.608,59 4,7 741,90 3,7 53,9
Huur (incl. berekende huur indien bewoond door eigenaars)   6.445,97 19,1 5.267,51 26,3 18,3
Verwarming, verlichting, water   1.818,03 5,3 1.474,15 7,4 18,9
Inrichting en onderhoud van huis en tuin  1.972,64 5,8 807,35 4 59,1
Gezondheid   1.561,21 4,6 1.009,02 5 35,4
Privé-vervoer 4.226,99 12,6 1.617,44 8  61,7
Openbaar vervoer   228,88 0,7 207,32 1 9,4
Post en telecommunicatie   968,48 2,9 590,51 3 39,0
Cultuur, vrije tijd en onderwijs   2.985,37 8,8 1.321,02 6,6 55,8
Horeca  1.803,74 5,3 765,33 3,8 57,6
Toeristische reizen   1.095,58 3,2 275,42 1,4 74,9
Lichaamsverzorging,
persoonlijke artikelen  
809,87 2,4 388,88 1,9 52,0
Financiële diensten en
verzekeringen  
1.645,43 4,9 891,89 4,4 45,8
Overige goederen en diensten 1.404,34 4,2 858,68 4,3 38,9
Totaal   33.711,77 100 20.017,21 100 40,6

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), Wie is er arm in België?
 

Het procentuele verschil in uitgaven tussen de verschillende inkomstencategorieën wordt getoond in tabellen 16b en 16c, waarbij deciel 1 overeenkomt met de laagste categorie en deciel 10 met de hoogste.

Bekijken we de uitgavenbronnen per inkomensdeciel dan zien we dat in de laagste decielen het grootste deel naar huisvesting gaat – in het eerste deciel is dit het hoogst met 39% – en voeding, tabak en drank (17%). Naarmate men hoger op de inkomensladder staat, besteedt men een kleiner aandeel van zijn budget aan huisvesting en meer aan kleding, meubelen, vervoer en communicatie, cultuur en 'andere goederen en diensten' (zoals lichaamsverzorging, reizen, juwelen, restaurantbezoek) (bron: OASeS: cijfers).
 

Tabel 16b: Aandeel van de verschillende uitgavenbronnen in de totale uitgave per inkomensdeciel (%), België, 2005.

  Deciel 1 Deciel 2 Deciel 3 Deciel 4 Deciel 5 Deciel 6 Deciel 7 Deciel 8 Deciel 9 Deciel 10
Voeding, dranken, tabak 17,1 15,9 15,8 16,4 15,7 15,7 16,8 15,6 15,8 14,2
Kleding, schoeisel 2,9 3,3 3,4 4,1 3,4 5,0 4,6 5,0 5,8 5,8
Woonadres of tweede woning 39,1 34,0 31,7 29,6 27,8 24,9 24,0 21,6 21,1 19,4
Meubelen, huishoudtoestellen 4,7 4,7 4,5 4,8 4,8 5,7 6,1 5,6 5,9 7,3
Gezondheid 5,2 6,7 5,1 5,9 5,7 5,3 5,4 4,0 3,9 3,8
Vervoer en communicatie 9,5 11,4 15,2 14,3 15,7 16,7 14,3 16,5 16,8 18,6
Cultuur, ontspanning, onderwijs 6,9 6,5 7,1 7,4 7,9 8,7 9,1 8,8 10,2 9,7
Andere goederen en diensten 14,7 17,4 17,2 17,4 18,9 18,0 20,8 23,0 20,6 21,3
Totaal 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0 100,0

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), huishoudbudgetonderzoek 2005


Niet alleen het aandeel van de uitgavenposten per inkomensklasse is van belang,  het is ook belangrijk om het aandeel van de verschillende inkomenscategorieën per uitgavenbron na te gaan. Zo kunnen we zien dat hoewel de laagste inkomenscategorieën een groter aandeel van hun uitgaventotaal besteden aan voeding, de hoogste klassen in reële termen hier veel meer aan besteden (vergelijk het hoogste met het laagste inkomensdeciel: 17% versus 5% in het totaal van de uitgavenpost voeding, meer dan driemaal zoveel). Dit geldt nog meer voor uitgavenposten zoals kleding (hier geeft de hoogste inkomensklasse meer dan achtmaal zoveel uit dan de laagste), meubelen en cultuur (meer dan zesmaal zoveel), vervoer en communicatie (vooral de aankoop van voertuigen) en andere goederen en diensten. Andere uitgavenposten zijn minder ‘inkomenselastisch’, zoals huisvesting (hier geeft de hoogste inkomensklasse maar het dubbel uit van de laagste) en bijvoorbeeld tabak (wat bij het hoogste en laagste inkomensdeciel op hetzelfde niveau ligt) (bron: OASeS: cijfers).
 

Tabel 16c: Aandeel van de verschillende inkomensdecielen in de totale uitgaven per uitgavenbron (%), België, 2005.

  Deciel 1 Deciel 2 Deciel 3 Deciel 4 Deciel 5 Deciel 6 Deciel 7 Deciel 8 Deciel 9 Deciel 10 Totaal
Voeding, dranken, tabak 5,0 6,1 6,8 8,3 8,7 10,8 11,9 12,6 14,2 17,3 100,0
Kleding, schoeisel 2,8 4,3 4,9 7,0 6,3 11,5 10,9 13,5 17,4 21,3 100,0
Woonadres of tweede woning 7,1 8,2 8,5 9,3 9,6 10,7 10,6 10,9 11,8 13,3 100,0
Meubelen, huishoudtoestellen 3,8 5,0 5,3 6,7 7,4 10,7 12,0 12,4 14,6 22,0 100,0
Gezondheid 5,1 8,7 7,4 10,0 10,5 12,2 9,9 10,9 11,6 13,8 100,0
Vervoer en communicatie 2,8 4,4 6,5 7,2 8,7 11,4 10,1 13,3 15,1 20,4 100,0
Cultuur, ontspanning, onderwijs 3,7 4,6 5,6 6,8 7,9 10,8 11,7 12,9 16,6 19,5 100,0
Andere goederen en diensten 3,4 5,4 5,9 7,0 8,3 9,9 11,8 14,9 14,8 18,7 100,0

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), huishoudbudgetonderzoek 2005

 

Het huishoudbudgetonderzoek geeft ook gedetailleerde informatie over de uitgaven voor voedingsmiddelen:

bullet

Aan voeding en dranken te samen besteden gezinnen onder de armoedegrens jaarlijks gemiddeld 27,5% minder dan gezinnen boven de armoedegrens (3.550,47 voor gezinnen onder de armoedegrens en 4.897,06 voor gezinnen boven de armoedegrens).

bullet

Dit gebeurt door op alle uitgavenposten te besparen.

bullet

De belangrijkste besparing wordt gemaakt op alcoholhoudende dranken. Huishoudens onder de armoedegrens spenderen gemiddeld tot 40% minder (min 40,6%) aan alcoholhoudende dranken dan huishoudens boven de armoedegrens.

bullet

Ook vis komt minder op tafel bij huishoudens onder de armoedegrens. Ze besteden 37,4% minder aan vis dan huishoudens boven de armoedegrens.

bullet

Aan fruit spenderen huishoudens onder de armoedegrens gemiddeld bijna 30% minder (29,9% minder). Aan groenten gemiddeld 16,7% minder. Aan brood een kwart minder (min 25,6%).

bullet

Aan koffie, thee (en cacao) wordt gemiddeld 16% minder gespendeerd.

bullet

De kleinste besparing wordt relatief gemaakt op boter, margarines enz… (eetbare oliën en vetten). Hieraan spenderen huishoudens onder de armoedegrens gemiddeld 5,6% minder.

bullet

De categorie ‘andere voedingswaren’ bestaat hoofdzakelijk uit bereide gerechten. Ook op deze categorie wordt door huishoudens onder de armoedegrens tot 40% (40,1%) bespaard.

(bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), Wie is er arm in België?)

 

Tabel 16d: Bestedingsanalyse van het huishoudbudget aan voeding, gezinnen boven de armoedegrens, gezinnen onder de armoedegrens, % minder besteding onder de armoedegrens, België, 2005.

 

Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro

 
  gezinnen boven de armoedegrens gezinnen onder de armoedegrens % minder besteding onder de armoedegrens
Brood en
graanproducten  
682,32 507,87 25,6
vlees   1.010,54 823,30 18,5
vis   241,08 150,88 37,4
melk, kaas en eieren   509,41 360,69 29,2
eetbare oliën en
vetten  
90,87 85,81 5,6
fruit   305,97 214,35 29,9
groenten,
aardappelen en
andere koolgewassen
 
382,15 318,25 16,7
suiker, suikerwaren
en suikergoed 
281,50 202,55 28,0
andere voedingswaren   460,05 275,70 40,1
koffie, thee en cacao  89,29 75,02  16,0
alcoholvrije dranken   352,73 244,43 30,7
alcoholhoudende
dranken  
491,15 291,65 40,6
Totaal  4.897,06 3.550,47  27,5

bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), Wie is er arm in België?

 

Verschillende studies (van o.a. Test-Aankoop, Institut du Développement Durable, OIVO & Observatoire du Crédit et de l'Endettement, Nationale Bank en Fevia) tonen aan dat de levensduurte de laatste jaren  is toegenomen. Vooral levensmiddelen en energie werden duurder (voornamelijk vanaf januari 2006). Ook de prijzen voor huisvesting gingen de hoogte in.

Test-Aankoop becijferde van 2000 tot augustus 2007 de prijsevolutie van 43 voedingsproducten, 11 niet-voedingsproducten (huishoudtoestellen, audiovisuele apparatuur…), energie (brandstoffen, stookolie, gas en elektriciteit) en bepaalde diensten. In deze periode werden belangrijke prijsstijgingen opgetekend voor een aantal producten, in het bijzonder voedingsmiddelen en energie. Voeren het klassement aan: de brandstoffen (+ 37,5 % voor benzine zonder lood, + 41 % voor diesel), stookolie (+ 97 %). Leidingwater (+ 34,6 %) en gas (+ 25 %) zijn nutsvoorzieningen die ook enorm gestegen zijn. Ook de huurprijzen volgen deze tendens. Daarnaast zijn ook de prijzen van voedingsmiddelen sterk gestegen: halfvolle melk (+ 20 %), eieren (+ 32 %), brood (grijs 800 gr. + 23 %), aardappelen (+ 68 %), appels (+ 46,5 %), gekookte ham (+ 25 %), kabeljauw (+ 32,5 %). Het laatste anderhalf jaar werden alle voedingsproducten samen gemiddeld 3 % duurder. In schril contrast met die algemene stijging van de levensmiddelen staan de prijzen van elektronica. Zo laat Test-Aankoop prijsdalingen zien vanaf januari 2006 voor bv. magnetronovens (- 22 %), hifi-ketens (- 43,6 %), gsm-toestellen (- 13,4 %), net zoals voor vliegtuigreizen. Anderzijds verhogen bepaalde diensten dan weer in prijs zoals bankdiensten (+ 8,4 % sinds januari 2006) of de premies voor globale woningverzekering (+ 6,8 %). Vooral voor gezinnen met lagere inkomens of met vervangingsinkomens komen deze prijsstijgingen veel harder aan, aangezien deze zich voordoen in de domeinen waarnaar een groot deel van hun inkomen gaat: voeding, energie en huisvesting (bv. sociale huisvesting + 6 % sinds januari 2006) (bron: Test-Aankoop (2007), Prijsstijgingen en koopkracht: sprekende cijfers).



Laatste aanpassing: 19/02/08