|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| gezinnen boven de armoedegrens | gezinnen onder de armoedegrens | % dat minder besteed wordt door gezinnen onder de armoedegrens | |||
| Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro | % van het huishoud-budget | Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro | % van het huishoudbudget | ||
| Voedingsmiddelen | 3.963,90 | 11,7 | 2.939,37 | 14,7 | 25,8 |
| Dranken | 933,16 | 2,7 | 611,10 | 3 | 34,5 |
| Tabak | 239,58 | 0,7 | 250,31 | 1,2 | -4,5 |
| Kledingartikelen en schoeisel | 1.608,59 | 4,7 | 741,90 | 3,7 | 53,9 |
| Huur (incl. berekende huur indien bewoond door eigenaars) | 6.445,97 | 19,1 | 5.267,51 | 26,3 | 18,3 |
| Verwarming, verlichting, water | 1.818,03 | 5,3 | 1.474,15 | 7,4 | 18,9 |
| Inrichting en onderhoud van huis en tuin | 1.972,64 | 5,8 | 807,35 | 4 | 59,1 |
| Gezondheid | 1.561,21 | 4,6 | 1.009,02 | 5 | 35,4 |
| Privé-vervoer | 4.226,99 | 12,6 | 1.617,44 | 8 | 61,7 |
| Openbaar vervoer | 228,88 | 0,7 | 207,32 | 1 | 9,4 |
| Post en telecommunicatie | 968,48 | 2,9 | 590,51 | 3 | 39,0 |
| Cultuur, vrije tijd en onderwijs | 2.985,37 | 8,8 | 1.321,02 | 6,6 | 55,8 |
| Horeca | 1.803,74 | 5,3 | 765,33 | 3,8 | 57,6 |
| Toeristische reizen | 1.095,58 | 3,2 | 275,42 | 1,4 | 74,9 |
| Lichaamsverzorging, persoonlijke artikelen |
809,87 | 2,4 | 388,88 | 1,9 | 52,0 |
| Financiële diensten en verzekeringen |
1.645,43 | 4,9 | 891,89 | 4,4 | 45,8 |
| Overige goederen en diensten | 1.404,34 | 4,2 | 858,68 | 4,3 | 38,9 |
| Totaal | 33.711,77 | 100 | 20.017,21 | 100 | 40,6 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek
en Economische Informatie (2007),
Wie is er arm in België?
Het procentuele verschil in uitgaven tussen de verschillende inkomstencategorieën wordt getoond in tabellen 16b en 16c, waarbij deciel 1 overeenkomt met de laagste categorie en deciel 10 met de hoogste.
Bekijken we de uitgavenbronnen per inkomensdeciel dan
zien we dat in de laagste decielen het grootste deel naar huisvesting gaat
– in het eerste deciel is dit het hoogst met 39% – en voeding, tabak en
drank (17%). Naarmate men hoger op de inkomensladder staat, besteedt men
een kleiner aandeel van zijn budget aan huisvesting en meer aan kleding,
meubelen, vervoer en communicatie, cultuur en 'andere goederen en
diensten' (zoals lichaamsverzorging, reizen, juwelen, restaurantbezoek)
(bron: OASeS:
cijfers).
Tabel 16b: Aandeel van de verschillende uitgavenbronnen in de totale uitgave per inkomensdeciel (%), België, 2005.
| Deciel 1 | Deciel 2 | Deciel 3 | Deciel 4 | Deciel 5 | Deciel 6 | Deciel 7 | Deciel 8 | Deciel 9 | Deciel 10 | |
| Voeding, dranken, tabak | 17,1 | 15,9 | 15,8 | 16,4 | 15,7 | 15,7 | 16,8 | 15,6 | 15,8 | 14,2 |
| Kleding, schoeisel | 2,9 | 3,3 | 3,4 | 4,1 | 3,4 | 5,0 | 4,6 | 5,0 | 5,8 | 5,8 |
| Woonadres of tweede woning | 39,1 | 34,0 | 31,7 | 29,6 | 27,8 | 24,9 | 24,0 | 21,6 | 21,1 | 19,4 |
| Meubelen, huishoudtoestellen | 4,7 | 4,7 | 4,5 | 4,8 | 4,8 | 5,7 | 6,1 | 5,6 | 5,9 | 7,3 |
| Gezondheid | 5,2 | 6,7 | 5,1 | 5,9 | 5,7 | 5,3 | 5,4 | 4,0 | 3,9 | 3,8 |
| Vervoer en communicatie | 9,5 | 11,4 | 15,2 | 14,3 | 15,7 | 16,7 | 14,3 | 16,5 | 16,8 | 18,6 |
| Cultuur, ontspanning, onderwijs | 6,9 | 6,5 | 7,1 | 7,4 | 7,9 | 8,7 | 9,1 | 8,8 | 10,2 | 9,7 |
| Andere goederen en diensten | 14,7 | 17,4 | 17,2 | 17,4 | 18,9 | 18,0 | 20,8 | 23,0 | 20,6 | 21,3 |
| Totaal | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 | 100,0 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), huishoudbudgetonderzoek 2005
Niet alleen het aandeel van de uitgavenposten per inkomensklasse is van belang, het is ook
belangrijk om het aandeel van de verschillende inkomenscategorieën per
uitgavenbron na te gaan. Zo kunnen we zien dat hoewel de laagste inkomenscategorieën een groter aandeel van hun uitgaventotaal besteden aan voeding, de hoogste
klassen in reële termen hier veel meer aan besteden (vergelijk het hoogste
met het laagste inkomensdeciel: 17% versus 5% in het totaal van de
uitgavenpost voeding, meer dan driemaal zoveel). Dit geldt nog meer voor
uitgavenposten zoals kleding (hier geeft de hoogste inkomensklasse meer
dan achtmaal zoveel uit dan de laagste), meubelen en cultuur (meer dan
zesmaal zoveel), vervoer en communicatie (vooral de aankoop van voertuigen)
en andere goederen en diensten. Andere uitgavenposten zijn minder
‘inkomenselastisch’, zoals huisvesting (hier geeft de hoogste
inkomensklasse maar het dubbel uit van de laagste) en bijvoorbeeld tabak
(wat bij het hoogste en laagste inkomensdeciel op hetzelfde niveau ligt)
(bron: OASeS:
cijfers).
Tabel 16c: Aandeel van de verschillende inkomensdecielen in de totale uitgaven per uitgavenbron (%), België, 2005.
| Deciel 1 | Deciel 2 | Deciel 3 | Deciel 4 | Deciel 5 | Deciel 6 | Deciel 7 | Deciel 8 | Deciel 9 | Deciel 10 | Totaal | |
| Voeding, dranken, tabak | 5,0 | 6,1 | 6,8 | 8,3 | 8,7 | 10,8 | 11,9 | 12,6 | 14,2 | 17,3 | 100,0 |
| Kleding, schoeisel | 2,8 | 4,3 | 4,9 | 7,0 | 6,3 | 11,5 | 10,9 | 13,5 | 17,4 | 21,3 | 100,0 |
| Woonadres of tweede woning | 7,1 | 8,2 | 8,5 | 9,3 | 9,6 | 10,7 | 10,6 | 10,9 | 11,8 | 13,3 | 100,0 |
| Meubelen, huishoudtoestellen | 3,8 | 5,0 | 5,3 | 6,7 | 7,4 | 10,7 | 12,0 | 12,4 | 14,6 | 22,0 | 100,0 |
| Gezondheid | 5,1 | 8,7 | 7,4 | 10,0 | 10,5 | 12,2 | 9,9 | 10,9 | 11,6 | 13,8 | 100,0 |
| Vervoer en communicatie | 2,8 | 4,4 | 6,5 | 7,2 | 8,7 | 11,4 | 10,1 | 13,3 | 15,1 | 20,4 | 100,0 |
| Cultuur, ontspanning, onderwijs | 3,7 | 4,6 | 5,6 | 6,8 | 7,9 | 10,8 | 11,7 | 12,9 | 16,6 | 19,5 | 100,0 |
| Andere goederen en diensten | 3,4 | 5,4 | 5,9 | 7,0 | 8,3 | 9,9 | 11,8 | 14,9 | 14,8 | 18,7 | 100,0 |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), huishoudbudgetonderzoek 2005
Het huishoudbudgetonderzoek geeft ook gedetailleerde informatie over de uitgaven voor voedingsmiddelen:
|
|
Aan voeding en dranken te samen besteden gezinnen onder de armoedegrens jaarlijks gemiddeld 27,5% minder dan gezinnen boven de armoedegrens (3.550,47 € voor gezinnen onder de armoedegrens en 4.897,06 € voor gezinnen boven de armoedegrens). |
|
|
Dit gebeurt door op alle uitgavenposten te besparen. |
|
|
De belangrijkste besparing wordt gemaakt op alcoholhoudende dranken. Huishoudens onder de armoedegrens spenderen gemiddeld tot 40% minder (min 40,6%) aan alcoholhoudende dranken dan huishoudens boven de armoedegrens. |
|
|
Ook vis komt minder op tafel bij huishoudens onder de armoedegrens. Ze besteden 37,4% minder aan vis dan huishoudens boven de armoedegrens. |
|
|
Aan fruit spenderen huishoudens onder de armoedegrens gemiddeld bijna 30% minder (29,9% minder). Aan groenten gemiddeld 16,7% minder. Aan brood een kwart minder (min 25,6%). |
|
|
Aan koffie, thee (en cacao) wordt gemiddeld 16% minder gespendeerd. |
|
|
De kleinste besparing wordt relatief gemaakt op boter, margarines enz… (eetbare oliën en vetten). Hieraan spenderen huishoudens onder de armoedegrens gemiddeld 5,6% minder. |
|
|
De categorie ‘andere voedingswaren’ bestaat hoofdzakelijk uit bereide
gerechten. Ook op deze categorie wordt door huishoudens onder de
armoedegrens tot 40% (40,1%) bespaard. |
Tabel 16d: Bestedingsanalyse van het huishoudbudget aan voeding, gezinnen boven de armoedegrens, gezinnen onder de armoedegrens, % minder besteding onder de armoedegrens, België, 2005.
|
Gemiddeld jaarlijks bedrag in euro |
||||
| gezinnen boven de armoedegrens | gezinnen onder de armoedegrens | % minder besteding onder de armoedegrens | ||
| Brood en graanproducten |
682,32 | 507,87 | 25,6 | |
| vlees | 1.010,54 | 823,30 | 18,5 | |
| vis | 241,08 | 150,88 | 37,4 | |
| melk, kaas en eieren | 509,41 | 360,69 | 29,2 | |
| eetbare oliën en vetten |
90,87 | 85,81 | 5,6 | |
| fruit | 305,97 | 214,35 | 29,9 | |
| groenten, aardappelen en andere koolgewassen |
382,15 | 318,25 | 16,7 | |
| suiker, suikerwaren en suikergoed |
281,50 | 202,55 | 28,0 | |
| andere voedingswaren | 460,05 | 275,70 | 40,1 | |
| koffie, thee en cacao | 89,29 | 75,02 | 16,0 | |
| alcoholvrije dranken | 352,73 | 244,43 | 30,7 | |
| alcoholhoudende dranken |
491,15 | 291,65 | 40,6 | |
| Totaal | 4.897,06 | 3.550,47 | 27,5 | |
bron: FOD Economie – Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie (2007), Wie is er arm in België?
Verschillende studies (van o.a. Test-Aankoop, Institut du Développement Durable, OIVO & Observatoire du Crédit et de l'Endettement, Nationale Bank en Fevia) tonen aan dat de levensduurte de laatste jaren is toegenomen. Vooral levensmiddelen en energie werden duurder (voornamelijk vanaf januari 2006). Ook de prijzen voor huisvesting gingen de hoogte in.
Test-Aankoop becijferde van 2000 tot augustus 2007 de prijsevolutie van 43 voedingsproducten, 11 niet-voedingsproducten (huishoudtoestellen, audiovisuele apparatuur…), energie (brandstoffen, stookolie, gas en elektriciteit) en bepaalde diensten. In deze periode werden belangrijke prijsstijgingen opgetekend voor een aantal producten, in het bijzonder voedingsmiddelen en energie. Voeren het klassement aan: de brandstoffen (+ 37,5 % voor benzine zonder lood, + 41 % voor diesel), stookolie (+ 97 %). Leidingwater (+ 34,6 %) en gas (+ 25 %) zijn nutsvoorzieningen die ook enorm gestegen zijn. Ook de huurprijzen volgen deze tendens. Daarnaast zijn ook de prijzen van voedingsmiddelen sterk gestegen: halfvolle melk (+ 20 %), eieren (+ 32 %), brood (grijs 800 gr. + 23 %), aardappelen (+ 68 %), appels (+ 46,5 %), gekookte ham (+ 25 %), kabeljauw (+ 32,5 %). Het laatste anderhalf jaar werden alle voedingsproducten samen gemiddeld 3 % duurder. In schril contrast met die algemene stijging van de levensmiddelen staan de prijzen van elektronica. Zo laat Test-Aankoop prijsdalingen zien vanaf januari 2006 voor bv. magnetronovens (- 22 %), hifi-ketens (- 43,6 %), gsm-toestellen (- 13,4 %), net zoals voor vliegtuigreizen. Anderzijds verhogen bepaalde diensten dan weer in prijs zoals bankdiensten (+ 8,4 % sinds januari 2006) of de premies voor globale woningverzekering (+ 6,8 %). Vooral voor gezinnen met lagere inkomens of met vervangingsinkomens komen deze prijsstijgingen veel harder aan, aangezien deze zich voordoen in de domeinen waarnaar een groot deel van hun inkomen gaat: voeding, energie en huisvesting (bv. sociale huisvesting + 6 % sinds januari 2006) (bron: Test-Aankoop (2007), Prijsstijgingen en koopkracht: sprekende cijfers).
Laatste aanpassing: 19/02/08